Boekenweek

De schrijver, zijn leven, zijn pose

In interviews met schrijvers is het persoonlijke element zozeer aanwezig en uitgemolken dat al die interviews op elkaar zijn gaan lijken. Het is vooral pr.

Medium interviews

Toen de dichter Herman de Coninck tijdens een literatuurfestival in Lissabon plotseling dood neerviel, zei zijn weduwe Kristien Hemmerechts achteraf in een interview dat ze heel blij was dat er schrijvers bij hem in de buurt waren geweest. Niet alleen omdat hij dan zijn laatste momenten in goed gezelschap had verkeerd. Ook omdat die haar én precies konden vertellen wat er was gebeurd, én haar met de juiste woorden konden benaderen.
Als je het zo bekijkt, vormen schrijvers inderdaad een speciaal slag mensen dat in ieder geval is toegerust op articuleren. Het maakt ze dankbare objecten om te interviewen, zou je denken. Gemakkelijker wellicht dan acteurs, van wie vaak wordt gezegd dat die van zichzelf ‘geen tekst’ hebben. Tegelijkertijd geldt dat iemand niet voor niks schrijver is geworden in plaats van dorpsomroeper. En ook is altijd een beetje de vraag: wat moet je een schrijver vragen? Heeft hij niet datgene wat hij kwijt wil nu juist in de beste vorm en de meest precieze formuleringen naar buiten gebracht, ik bedoel: in zijn boek? Waarom nog een keer vragen naar de bekende weg, als je niet wil verzanden in de trits 'hoe schrijft u?’ / 'waar schrijft u?’ / 'waarom schrijft u?’ Maar dit is wel een heel puriteins standpunt, ingegeven door een lichte ergernis aan de toenemende stroom van schrijversinterviews die niet zozeer over het werk als wel over de persoon gaan. Was u een vaders- of moederskind? Dat gevoel van verantwoordelijkheid, kreeg u dat van huis uit mee? Zijn er dingen die u niet durft? Kunt u goed alleen zijn? Hoe verklaart u uw buitenstaanderspositie? Worden mannen gemakkelijk op u verliefd?
De literaire journalistiek heeft een voorliefde voor de gekwelde schrijver. Er gaat geen week voorbij zonder dat zijn persoonlijke getuigenissen in talrijke interviews en omslagverhalen worden opgetekend. Ze berichten ons uitvoerig over zijn behuizing, zijn relaties, stemmingen en meningen, maar het liefst verhaalt men van de misère, het lijden en het ongenoegen waaraan het schrijverschap zijn glans ontleent.
De portretteurs zijn verliefd op details. In de minutieuze beschrijvingen van de interieurs waarin onze schrijvers huizen, worden de eenvoudigste voorwerpen omgetoverd tot raadselachtige signalen: ze richten onze aandacht op de bijzonderheid van deze 'ingekeerde’, 'relativerende’, 'eenzame’ mannen en vrouwen.
Let wel, bovenstaande twee alinea’s heb ik niet van mezelf, maar werden meer dan dertig jaar geleden opgeschreven door Anthony Mertens, oud-docent moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA, lange tijd literair criticus van De Groene Amsterdammer. Hij schreef dit in november 1979 in het literaire tijdschrift Raster, in een stuk over het 'subjektivisme’ in de literatuur. Mertens beschreef hierin het schrijversinterview als bijkomend randverschijnsel in een tijd waarin 'bekentenisproza’ opgang deed.
Streng en lucide tegelijkertijd definieert hij een type literatuur waarvan je je amper kunt voorstellen dat er ook nog iets anders zou bestaan dan dit, en tegelijkertijd prikt hij het door: 'Wat deze schrijvers gemeen hebben is de onverwoestbare idee dat ze iets te vertellen hebben en dat de literaire karakters die ze op het toneel zetten aandacht verdienen. Hun teksten dragen bij voorkeur het stempel van authenticiteit. Want hoe konventioneel [sic] hun stijlmiddelen ook zijn, aan de mogelijkheid om er authentieke ervaringen mee uit te drukken wordt niet getwijfeld. Dit subjektivistiese proza, dat de indruk wekt de taal telkens opnieuw te produceren vanuit het niets, heeft niet zozeer de functie werkelijkheidsbeelden te scheppen als wel een literatuur te leveren, die men al op grote afstand als zodanig kan herkennen. Het belangrijkste kenmerk ervan is de pose.’
Mertens’ boutade bewijst maar weer eens dat niks erger wordt, nooit, maar dat alles altijd al in enigerlei vorm aanwezig was. Wat niet een vrijbrief betekent om achterover te leunen en de wind maar zo'n beetje te laten waaien, hoho, maar eerder een aansporing om altijd alert te zijn. Iedere generatie schrijvers en critici zal zich teweer moeten zien te stellen tegen vervlakking en verloedering, zoals vervlakking en verloedering nu eenmaal permanent op de loer plegen te liggen, zij het in veranderende gedaantes. Mertens had zich in zijn tijd te verstaan met het proza van Maarten ’t Hart, Guus Luijters, Boudewijn van Houten, Hannes Meinkema. Proza waarover zoveel jaar later de stof van de welwillendheid of de vergetelheid is neergedaald en waarbij in vergelijking met wat erna zou komen nog best veel verbeelding kwam kijken.
Zelf herinner ik mij de verbazing, grenzend aan ontzetting, toen ik Veertig (1984) van Kees van Kooten las. Het is nu moeilijk om terug te halen, maar de toon die Van Kooten zette met zijn autobiografisch proza was in zijn ogenschijnlijk directe simpelheid nieuw. In keurig blauw-wit gestreept seersucker-jasje - waarover we al op de eerste bladzijde leren dat hij dit cadeau kreeg van zijn vrouw - wit overhemd en stropdas, met grijzende lokken en twinkelogen blikt hij de lezer vanaf het omslag aan. In het boek wordt het alleen maar erger: vrouw, zoon, dochter, hond Willem, allemaal figureren ze in het grote levensverhaal van de schrijver. Of van l'écrivain zoals hij zichzelf voor de gelegenheid betitelt in het op Gerard Reve geïnspireerde openingsverhaal over de schrijver die maar niet tot schrijven komt. Van Kooten sloeg zo door in zijn pikstaarderijen en in zijn sentimentaliteit, en deed dat bovendien zo trefzeker verwoord, dat alles weer leuk werd. 'Natuurleuk’ in Van Kooten-taal. Alle zelfonthulling ging weliswaar vergezeld van zelfspot, maar toch vroeg ik me af hoe iemand zozeer zijn eigen leven tot onderwerp durfde te maken. Terwijl dat juist Van Kootens credo was: wat ik schrijf moet waar gebeurd kunnen zijn. Alleen dan valt er iets te lachen of te huilen. En dus waren het wél en niet zijn echte vrouw, kinderen en hond die kwamen opdraven in zijn werk. In de openingszinnen van Veertig maakte hij deze dubbelzinnigheid onmiddellijk tot zijn onderwerp: 'Ik kan kiezen tussen “Zijn vrouw had hem” en “Mijn vrouw heeft mij”. Onderweg heb ik besloten dat het “mijn vrouw heeft mij” moet zijn.’
Wederom met terugwerkende kracht is dit een waanzinnig fijnzinnig literair statement, waarin met subtiele talige middelen de grenzen tussen het geleefde leven en het geschreven leven werden verkend. Anno 2011 lijken die grenzen domweg opgeheven. Hetgeen zeker te maken heeft met de grotere zichtbaarheid van de schrijver, behalve op tv, ook in het geschreven interview. Was ooit geheimzinnig interviewster Bibeb in Vrij Nederland met haar aandacht voor 'de mens achter de schrijver’ - zich vertalend in het uitgebreid optekenen van stiltes, handgebaren en bekentenissen - een vreemdsoortig persoonlijk eiland in een intellectueel tijdschrift, inmiddels is het persoonlijke element zozeer alom aanwezig en uitgemolken dat alle schrijversinterviews op elkaar lijken.
Dat eigenlijk iedere schrijver heel gevoelig is, en onzeker bovendien, dat geloven we graag. En dat ook Kafka al bindingsangst had, en diens 21ste-eeuwse collega zich dus in goed gezelschap bevindt, ja, het zal wel. Je wordt er een beetje mies van, van die zogenaamde intimiteiten waar het gemiddelde schrijversinterview bol van staat. Geïnterviewd worden lijkt steeds meer de sluis naar een openbare biecht te openen. 'Ik heb lang gedacht dat het mijn schuld was dat mijn moeder wegging.’ Iedereen is in gevecht met het leven, heeft een ambivalente houding ten opzichte van zijn ouders, voelde zich in zijn jeugd geïsoleerd, en werd gepest bovendien. En dan de verstikkende greep van het geloof. De angsten, de melancholie, het schuldbesef, de dood.
Vier jaar geleden verscheen een dikke bundeling van interviews uit The Paris Review, samengesteld door Joost Zwagerman (De ontdekking van de literatuur, De Bezige Bij 2007). Achterliggende gedachte hierbij was dat het schrijversinterview aan inflatie onderhevig was en dat The Paris Review nog steeds een bijna onhaalbare standaard had gezet. In de inleiding rept Zwagerman van de ergernis aan het feit dat negen van de tien keer een interview uitloopt op de vraag naar een favoriete vakantiebestemming en andere trivia, in plaats van dat er vragen worden gesteld met de ambitie 'een portret te maken dat het schrijverschap kan bijlichten als een leeslamp op een opengeslagen bladzijde’. Over fascinaties en obsessies mag het wel gaan, maar dan toegespitst op die ene obsessie, het schrijven zelf. Inderdaad zijn de interviews die volgen - met onder anderen Kerouac, Updike, Sontag, Auster - veelal schoolvoorbeelden van diepgravende interviews, met dien verstande dat je wel al in de schrijver in kwestie geïnteresseerd moet zijn om ook het gemiddeld dertig pagina’s lange stuk helemaal te willen uitspitten. Wat dat betreft zijn de interviews die in het Believer magazine verschijnen en die ook van tijd tot tijd worden gebundeld, bijvoorbeeld in The Believer Book of Writers Talking to Writers (McSweeney’s, 2005), veel meer enthousiasmerend. Die zijn namelijk ook nog eens een beetje raar en ongeremd, niet gehinderd door al te veel ontzag, maar ook niet vervelend aanmatigend, een balans die uitzonderlijk is.
Hoe anders dan de geserreerde toon van Zwagerman is die van de twee samenstellers van de deze week verschenen bundeling van 'mooiste schrijversinterviews’. 'Goede interviewers zijn biechtvaders’, beginnen Frénk van der Linden en Freddy van Thijn hun inleiding op Het moet pijnlijk blijven (een uitgave van AKO). 'Interviewen op het scherp van de snede is persoonlijke openbaringen ontlokken, verhalen lospeuteren die een nieuw, scherper of schriller licht werpen op leven en werk van de ondervraagde’, schrijven ze iets verderop. Met instemming citeren ze Huub Oosterhuis die het interview tot een literair genre schijnt te hebben uitgeroepen, 'als instrument van zelfonthulling’. Een beetje zalvend verklaart hij dat het interview dient 'om het gezicht achter het masker vandaan te halen, om zoveel mogelijk te begrijpen’.
Misschien is het dat wat nu gaande is: de journalistiek lijkt steeds maar literairder te willen worden, terwijl literair proza almaar journalistieker wordt. Daarbij past dat de schrijver als de acteur in zijn eigen verhaal optreedt. Zijn belevenissen, obsessies en trauma’s worden zijn handelskenmerken. Aan de interviewer de taak om die nog eens lekker vet en ondubbelzinnig over het voetlicht te brengen. 'Maakt die kwetsbaarheid ook dat u een dunne huid heeft?’
En vanuit de schrijver geredeneerd: een interview, met bijbehorende foto’s waarop de schrijver zich ernstig laat fotograferen, peinzend uitkijkend over het vlakke land, of meisjesachtig opgekruld op een divan, met blote voeten en een kapotte spijkerbroek, is een van de belangrijkste middelen om een boek aan de man te brengen. Op deze manier kan hij het beeld van zichzelf dat hij naar buiten brengt optimaal regisseren. Met 'het gezicht achter het masker vandaan te halen’ heeft dat allemaal niet zoveel te maken. Meer met uitgekiende pr.
Zo prijkt op de cover van het Volkskrant magazine van afgelopen week een bangig meisjesgezichtje in close-up. Haar kersenrode lippenstift is slordig uitgesmeerd over haar onderlip, alsof ze net nog bruut te pakken is genomen. Dit is Margaux Fragoso, 'schrijfster en slachtoffer van een pedofiel’. De literaire sensatie op de laatste Frankfurter Buchmesse. Lolita, maar dan beschreven door Lolita zelf, en waar gebeurd. Verkocht aan 22 landen en bij ons verschijnend onder de titel Tijger, Tijger. Nooit eerder een boek geschreven, maar wel nu allereerst betiteld als schrijfster, en dan pas als het slachtoffer van een 52-jarige man die ze op achtjarige leeftijd oraal moest bevredigen. Het paginalange interview - 'Zie je hem nu als een monster?’ 'Waarom zijn de seksueel getinte scènes in het boek zo expliciet?’ - begeleid door nog meer bange-meisjesposes, fungeert onbedoeld als plotspoiler. Aha, zo begon het en zo zag die pik eruit in kleine meisjesogen.
'Toen ik 9 was kon ik nauwelijks nog functioneren.’
Maar heeft ze er dan ten minste wel een goed boek van gebakken? Dat ze niet langer dan een uur achter elkaar met de interviewer over haar verleden kan praten, stemt in ieder geval hoopvol.