De schuld van de overlever

Włodzimierz Odojewski was lang een schrijver zonder boeken © Krzysztof Dubiel

‘Verdraaide tijd’ luidt de titel. De auteur, Włodzimierz Odojewski (1930-2016), is een Pool. Buiten zijn vaderland is hij nagenoeg onbekend, ik had nooit van hem gehoord. De flaptekst bevat de gebruikelijke superlatieven uit diverse kranten, verder wat summiere biografische informatie en een paar weinig verhelderende regels over deze kleine, bijna twintig jaar geleden voor het eerst gepubliceerde roman.

Waarom zou ik dit boek moeten lezen en niet een van de tientallen andere die zich opdringen? Om daarop een overtuigend antwoord te vinden, zou ik toch eerst wat meer willen weten over deze Odojewski, over zijn belang voor de Poolse literatuur en liefst ook voor lezers buiten Polen. Vertaler en uitgever moeten daarover geen twijfels hebben gehad, neem ik aan, te meer daar commercieel succes bij zoveel onbekendheid niet direct voor de hand ligt. Maar een behoorlijk voor- of nawoord ontbreekt, de potentiële lezer moet zelf op zoek. Gelukkig blijkt dat geen heksentoer.

Een boeiende man, die Odojewski, dat is al gauw duidelijk. Vrijwel zijn hele werk staat in het teken van de Tweede Wereldoorlog en de gevolgen daarvan, wat gezien zijn geboortejaar niet kan bevreemden. Polen werd in 1939 eerst door de Duitsers, kort daarna door de Sovjet-Unie aangevallen. In totaal heeft het land zes miljoen doden te betreuren, waarvan ruim drie miljoen joden, ongeveer twintig procent van de bevolking. Over een van de gruwelijkste bloedbaden, dat van Katyn, voorjaar 1940, schreef Odojewski zijn belangrijkste roman, Katharina, alles zal verwaaien in de sneeuw. Maar dat onderwerp was in het naoorlogse Polen, inmiddels een satellietstaat van de Sovjet-Unie, taboe. De door Stalin bevolen massamoord op 22.000 Poolse officieren en intellectuelen werd in de officiële versies, clandestien gesteund door Engeland en de Verenigde Staten, toegeschreven aan de nazi’s.

Bijgevolg kon het boek in de jaren zestig niet verschijnen. Begin jaren zeventig week Odojewski uit naar het Westen, waar de gerenommeerde Duitse uitgeverij Fischer een vertaling liet maken. Maar toen de auteur de drukproef in handen kreeg, bleek ook Fischer een knieval voor de Russen te hebben gemaakt: alle heterodoxe passages over Katyn waren geschrapt. Zwaar teleurgesteld weigerde hij het verminkte boek te laten uitgeven, ging in München voor Radio Free Europe werken, maar werd (tot 1989) een schrijver zonder boeken.

Personage noch lezer krijgt vaste grond onder de voeten

Voldoende reden, leek me, om me in het werk van deze moedige, principiële man te verdiepen, te meer omdat zijn proza, las ik, ook in strikt literaire zin de spot dreef met het heroïsche sovjet-realisme: het was dubbelzinnig, zijn zinnen waren lang en complex, een enkeling vergeleek het zelfs met Proust en Joyce – geen censor die daar geen staatsgevaarlijke insubordinatie in zou zien.

Verdraaide tijd, de titel geeft al een vermoeden, heeft inderdaad niets rechtlijnigs. Aan het woord, honderdvijftig pagina’s lang, is een verwarde, opgejaagde man die aan alles twijfelt, aan zijn waarnemingen, zijn geheugen, zijn hele identiteit, hij weet niet of hij in het heden leeft of in het verleden. Gaandeweg begrijpt de lezer toch dat hij te doen heeft met een man van 45, Roman geheten, die sinds twintig jaar rust zoekt in de beschermde omgeving van een universiteitsbibliotheek. Dat verlangen is alleszins begrijpelijk: Roman was vijf jaar lang betrokken bij ‘een roekeloos spel met de dood’, heeft zich gedurende ‘een zwerftocht langs andermans woningen en door bossen’ voortdurend ‘opgejaagd wild’ gevoeld. Maar wat heeft hij misdaan? Hij is zich van geen kwaad bewust.

Hallucinerende herinneringen – of zijn het feitelijke waarnemingen? – brengen hem echter terug naar een noodlottige gebeurtenis in 1943: een groepje verzetsstrijders waartoe hij behoorde kreeg de opdracht een Gestapo-officier te liquideren, maar werd verraden, alle vijf of zes leden van de groep werden vermoord, alleen hij, Roman, overleefde de aanslag. Later werd hij bij een razzia opgepakt, wist op transport naar Auschwitz te ontsnappen maar kwam toch een week in een gevangenis terecht, waar hij werd gemarteld. Dat verleden laat hem begrijpelijkerwijs niet meer los. Het hele boek is een tot mislukken gedoemde poging tot herbeleving die hem zou moeten bevrijden van een knagend schuldgevoel – mogelijk was het zijn medelijden met het slachtoffer dat de groep fataal was geworden.

Zo samengevat lijkt het een intrigerend boek, de lezer krijgt evenmin als Roman ooit vaste grond onder de voeten. Je moet wel van steen zijn om niet enigszins te sympathiseren met de tragische held. Ik zou dan ook niets liever doen dan instemmen met alle lof die Odojewski ten deel is gevallen. Maar er is reden tot terughoudendheid. Het gaat per slot van rekening om een literair boek, en dat vraagt om literaire criteria.

Odojewski schrijft inderdaad lange, ingewikkelde, maar ook behoorlijk stroeve, onhandig verknoopte zinnen, en dat doet hij bovendien in een beperkt, nogal ouderwets aandoend existentialistisch idioom. Om de haverklap krijgen we nadrukkelijk te horen hoe angstig en eenzaam Roman is. Van stilistische en expressieve hulpeloosheid getuigt de herhaalde vermelding dat alles zich ‘als het ware’ buiten hem om ‘bevond’, ‘de grenzen van de menselijke ondervinding overschrijdend’ en voorzien ‘van een verborgen betekenis’. Proust en Joyce? Dat beweert alleen iemand die dat van horen zeggen heeft. Gezien wat ik nu denk te weten van de auteur is het mogelijk niet erg gepast, maar mij deed dit boek bij vlagen eerder denken aan het magisch realisme van eertijds veelgelezen en -gelauwerde auteurs als Jos Vandeloo en Hubert Lampo.