John Rawls, Een theorie van rechtvaardigheid

De schuldige volgens Bolkestein

John Rawls
Een theorie van rechtvaardigheid
Vertaald door Frank Bestebreurtje en ingeleid door Percy B. Lehning
Lemniscaat, 664 blz., € 49,95 (na 1 juni € 59,95)

Percy B. Lehning
Rawls
Lemniscaat, 208 blz., € 12,50

We kiezen ons tegenwoordig suf. Vrijwel elke avond worden we lastig gevallen door telemarketeers, die ons ervan willen overtuigen dat we voor een andere hypotheekverstrekker, telecomprovider, verzekeringsmaatschappij of energieleverancier moeten kiezen. Ze weten het vaak zo fraai voor te stellen dat je jezelf voor je kop slaat dat je ooit in zee bent gegaan met de firma waar je nu aan vast zit. Gelukkig kun je altijd overstappen, wat echter niets uithaalt, omdat je de dag erna al weer wordt gebeld door het volgende bedrijf dat uiteraard het beste met je voor heeft. Bij de invoering van het nieuwe zorgstelsel werd duidelijk dat veel mensen inmiddels hoorndol en vooral doodmoe zijn geworden van al dat kiezen.

De vrijheid om te kiezen lijkt het hoogste goed geworden te zijn. Het achterliggende idee is dat de moderne burger volstrekt verantwoordelijk is voor zijn eigen lot. Hij kan immers voortdurend kiezen, dus heeft hij alles aan zichzelf te danken of te wijten. Enkele jaren geleden maakte een fabrikant van onsmakelijke instantsoepjes reclame met tv-spotjes waarop een uiterst irritante yup te zien was, die als motto had: «Succes is een keuze». Inmiddels lijkt dit credo de hoogste wijsheid te zijn geworden van politici die er onophoudelijk op hameren dat de burger zich niet afhankelijk moet opstellen, maar dat hij zijn eigen verantwoordelijkheid moet nemen.

Weinig scheldwoorden zijn tegenwoordig zo populair als «loser». Dat is veelzeggend, want op zichzelf is het natuurlijk niet oneervol om, na een eerlijke strijd te hebben gestreden, te erkennen dat je de verliezer bent. Bovendien leert het woordenboek ons dat loser ook nog «veroordeelde» kan betekenen, iemand die na een al dan niet eerlijk proces een straf heeft gekregen. Nee, in het huidige taalgebruik is een loser een sukkel, een lamlendige nietsnut die zijn ellende volledig aan zichzelf te wijten heeft.

De moderne burger moet het zelf maar uitzoeken, hij heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en mag die niet langer afwentelen op de overheid. De tijden van de «knuffelstaat» zijn voorbij. Dit was ook de teneur van de John Rawls-lezing die Frits Bolkestein eind 2003 hield en die werd opgenomen in het een jaar later verschenen vvd-brevier Ode aan de vrijheid. Die Rawls-lezing was overigens georganiseerd door de vvd en de Spinozastichting («het liberale netwerk voor jongeren»). Volgens Bolkestein was het desastreuze beleid van het kabinet-Den Uyl – dat op dogmatische wijze streefde naar «spreiding van inkomen, kennis en macht» – er de oorzaak van dat het stelsel van sociale zekerheid veranderde van een vangnet in een hangmat, dat werken werd gezien als iets minderwaardigs en dat maatschappelijk succes werd afgestraft. Dit had weer geleid tot economische stagnatie, waardoor iedereen er op achteruit was gegaan. «Links» had alleen maar aandacht gehad voor het verdelen van de koek, terwijl uit het oog verloren was dat er, om iedereen te laten profiteren, gewoon meer koek gebakken moest worden.

Het blijft opmerkelijk dat een kabinet dat regeerde van 1973 tot 1977, en waarvan twee cda-ministers in de zeventien daaropvolgende jaren leiding aan dit land gaven, zo veel ellende kan hebben aangericht. Nog opmerkelijker is het dat Bolkestein als kwade genius achter deze politiek de man aanwijst naar wie zijn partijgenoten nu juist die lezing hadden vernoemd: John Rawls. De Amerikaanse politiek filosoof (die leefde van 1921 tot 2002) wordt immers vaak gezien als een van de belangrijkste liberale politieke denkers. In het begin van de jaren tachtig hadden het wetenschappelijk bureau van de vvd en de financiële woordvoerder van de partij, de latere vice-premier Rudolf de Korte, gepleit voor een vergroting van de inkomensverschillen en hierbij expliciet een beroep gedaan op de rechtvaardigheidstheorie van Rawls. Twintig jaar later kreeg die van Bolkestein de schuld van zo niet alle, dan toch van veel ellende. Hoe is dat mogelijk? Ligt dat nu aan Rawls of aan de Nederlandse liberalen?

Nu Rawls’ meest invloedrijke boek, het uit 1971 daterende A Theory of Justice, eindelijk in het Nederlands is vertaald, kan iedereen diens gedachtegoed vergelijken met het beginselprogramma van de vvd en zelf concluderen of de partij inmiddels afstand heeft genomen van haar ideeën van twintig jaar geleden, of dat Bolkestein de plank misslaat. Omdat het werk van Rawls, zelfs in de uitstekende vertaling van Frank Bestebreurtje, niet bepaald lekker weg leest en veel tijd en concentratie vergt, kan men er ook voor kiezen het door Percy Lehning geschreven boek over Rawls te bestuderen. Dat laatste heeft twee voordelen. Ten eerste betrekt Lehning in deze uitstekende introductie ook de geschriften die Rawls na 1971 heeft gepubliceerd en ten tweede laat hij op overtuigende wijze zien dat zowel critici als bewonderaars van Rawls er nogal eens blijk van geven diens werk niet helemaal begrepen te hebben.

Rawls trachtte een theorie te ontwerpen die een antwoord geeft op de vraag hoe een rechtvaardige, moderne democratische samenleving eruit behoort te zien. Daarvoor onderzocht hij hoe de politieke, sociale en economische instituties zo kunnen worden ingericht dat zowel de fundamentele vrijheidsrechten van de burger als de claims van democratische gelijkheid worden gehonoreerd. Tegelijkertijd wilde hij een definitie van rechtvaardigheid formuleren die een alternatief bood voor het door Bentham en Mill geïnspireerde utilitarisme, dat nog altijd veel aanhangers telt. Volgens utilitaristen mogen de rechten van individuen immers worden opgeofferd, wanneer dit noodzakelijk is om een collectief maatschappelijk doel als «het maximaliseren van het maatschappelijk nut» te verwezenlijken. Rawls stelde zich op het standpunt van Kant dat de mens een doel op zichzelf is, een intrinsiek goed dat nooit mag worden gebruikt als middel voor een specifiek maatschappelijk doel.

Rawls wil de maatschappij zo inrichten dat iedereen een gelijke startpositie heeft en in gelijke mate zelf bepaalde keuzes kan maken. Niet iedereen beschikt over dezelfde capaciteiten en is geboren in dezelfde omstandigheden. De aangeboren intelligentie en de welstand van iemands ouders zijn echter stom toeval en geen eigen verdienste, en volgens Rawls mogen morele aanspraken nooit gebaseerd zijn op stom toeval. Het is niet billijk dat maatschappelijke ongelijkheid voortkomt uit toevallige factoren, zodat Rawls tot de formulering kwam van «justice as fairness» (rechtvaardigheid als billijkheid). In een rechtvaardige samenleving dient de verdeling van goederen en kansen gebaseerd te zijn op het «verschilbeginsel», dat wil zeggen dat ongelijkheid alleen is toegestaan wanneer ook degenen die minder goed af zijn omdat zij over minder capaciteiten beschikken hiervan profiteren.

Toen Rawls zijn Theory publiceerde, verwachtte hij dat het boek gelezen zou worden door een handvol vakgenoten en vrienden. Het bleek echter het meest invloedrijke boek over politieke filosofie van de twintigste eeuw te zijn. De libertarische denker Robert Nozick, die zich sterk afzette tegen Rawls’ ideeën, erkende al in 1974: «Politiek filosofen moeten nu binnen het kader van Rawls’ theorie werken of uitleggen waarom ze dat niet doen.» Velen deden het eerste en de afgelopen decennia werd je er wel eens misselijk van wanneer de zoveelste politicoloog zich op Rawls ideeën beriep. Natuurlijk zijn er van het begin af aan critici geweest, en met het aanzwellen van de neoconservatieve golf hebben die steeds meer gehoor gekregen en werden ze in toenemende mate gepapegaaid door politici als Bolkestein.

Het is tegenwoordig bon ton om kritiek te hebben op het feit dat Rawls heeft voortgebouwd op het sociaal-contractdenken van onder anderen Locke, Rousseau en Kant. Volgens conservatieven gaan sociaal-contracttheoretici uit van abstracties en houden ze geen rekening met de historisch gegroeide werkelijkheid. Niet zelden wijzen deze critici erop dat dergelijke abstracties kunnen resulteren in totalitaire blauwdrukken. Wanneer je bijvoorbeeld kijkt naar de rampzalige invloed die Rousseau heeft gehad op de Franse Revolutie lijkt dit een sterk argument.

Het wordt echter pas gevaarlijk wanneer je uit het oog verliest dat een bepaalde theorie geen abstractie is, maar een realistische weergave van de werkelijkheid. Bij Rawls kan de lezer nooit uit het oog verliezen dat het om een gedachte-experiment gaat. Bovendien, is het alternatief waarmee de conservatieven meestal komen, het natuurrecht, iets anders dan een door mensen bedacht verzinsel en leidde dit denken bij iemand als Plato ook niet tot een totalitaire politieke theorie?

Een van de bezwaren die Bolkestein tegen Rawls heeft, is dat die te veel zou uitgaan van het goede in de mens. «Goede wetgeving gaat niet uit van ficties en idealistische mensbeelden. Zij houdt rekening met de menselijke natuur zoals die is.» Dat klinkt heel realistisch, maar het vervelende is dat wetenschappers nog nooit hebben kunnen vaststellen wat dat nu precies is, die «menselijke natuur».

Een ander punt van kritiek, dat ook door Bolkestein is herhaald, luidt dat Rawls te veel is uitgegaan van een gesloten, homogene, democratische samenleving, wat in de huidige omstandigheden nogal onrealistisch lijkt. Lehning laat duidelijk zien dat dergelijke critici onvoldoende op de hoogte zijn van hetgeen Rawls na 1971 heeft geschreven. Met de Theory had hij een theorie ontworpen voor een rechtvaardige, moderne en democratische samenleving. Na voltooiing van dat boek kreeg hij meer oog voor het feit dat de moderne samenleving gekenmerkt wordt door culturele en etnische verscheidenheid en dat allerlei wereld- en levensbeschouwingen met elkaar conflicteren. Zijn «liberale» (in de zin van politiek neutrale) rechtvaardigheidstheorie hield daarmee onvoldoende rekening en vroeg om een «politieke» (dus niet-neutrale) aanpassing. Dit resulteerde in zijn tweede grote boek, Political Liberalism uit 1993.

Nog steeds had zijn rechtvaardigheidstheorie betrekking op een van de rest van de wereld afgesloten moderne democratische samenleving. Pas met zijn derde grote boek, het in 1999 verschenen The Law of Peoples, kreeg zijn theorie een mondiaal karakter en werkte hij uit wat nodig is om rechtvaardigheid tussen volkeren te bewerkstelligen.

Lehning toont niet alleen aan dat rechtse critici Rawls vaak niet begrepen hebben (of moedwillig zijn standpunten verdraaien), maar ook dat politici die zich op hem beroepen vaak onvoldoende door hebben waar het Rawls om te doen is. Dat geldt voor zowel de vvd’ers die hem in de jaren tachtig voor hun karretje dachten te kunnen spannen, als voor sociaal-democraten als Rick van der Ploeg of Wouter Bos, die zeggen door Rawls geïnspireerd te zijn en van mening zijn dat zijn ideeën gebruikt kunnen worden bij de hervorming van de verzorgingsstaat.

Rawls’ theorie is namelijk veel radicaler dan het, tegenwoordig ook door de sociaal-democraten aanvaarde, concept van de kapitalistische verzorgingsstaat. Het fundamentele tekort van een dergelijke verzorgingsstaat is volgens Rawls dat de burgers pas worden geholpen op het moment dat ze door ongeluk of domme pech in de problemen zijn geraakt. Omdat de vermogensongelijkheid niet wordt aangepakt bij wat hij de «basisinstituties» noemt, en er ondanks alle retoriek geen sprake is van echt gelijke kansen, kan er een onderklasse ontstaan die volledig van overheidsvoorzieningen afhankelijk is, zich hierdoor buitengesloten gaat voelen en dus niet deelneemt aan de politieke cultuur.

Daarom pleit Rawls voor een property-owning democracy of «volkskapitalisme», waar alle burgers in een situatie worden gebracht waarin zij in gelijke mate voor zichzelf kunnen zorgen. Het bezit van vermogen en kapitaalgoederen zou op een dusdanige manier gespreid moeten worden dat voorkomen wordt dat een klein deel van de samenleving het economische en daardoor ook het politieke leven kan beheersen. Hier hoor je sociaal-democraten tegenwoordig niet meer over en het is al weer heel lang geleden dat zij voorstelden het tarief van de successierechten op honderd procent te stellen.

Rawls wil dat mensen in de gelegenheid worden gesteld zelf in alle vrijheid hun keuzes te maken, waarbij pech of toeval die keuzemogelijkheden niet mogen inperken. Vervolgens ligt de verantwoordelijkheid voor die keuzes volledig bij de burger zelf en kan hij die niet meer afwentelen op de overheid. Wie het verdomt een opleiding te volgen of een betaalde baan te zoeken, terwijl die wel voorhanden zijn, kan dus niet aankloppen bij de overheid. Wel zullen zijn kinderen weer in de gelegenheid moeten worden gesteld zelf hun keuze te maken.

Wie zich in het werk van Rawls verdiept komt onwillekeurig onder de indruk van de scherpte en diepgang van zijn argumenten en bovendien klinkt zijn schets van de ideale maatschappij prachtig. Maar na de rampen van de twintigste eeuw zijn steeds meer mensen gaan twijfelen of een dergelijke, in de terminologie van Rawls «welgeordende» maatschappij wel haalbaar is. Ook zijn er «esthetische» bezwaren tegen de politieke filosofie van Rawls aan te voeren. Zijn beeld van de rechtvaardige samenleving lijkt een beetje op een doorzonwoning in zo’n nieuwbouwwijk uit de jaren zestig. Rationeel ingedeeld, praktisch, ruim, maar onvoorstelbaar saai. Dit denken komt niet tegemoet aan de behoefte aan romantiek en dramatiek, aan de hang naar het «sublieme».

Rawls verzette zich tegen de opvatting van Isaiah Berlin dat niet alle waarden te verenigen zijn, dat niet alles wat op zichzelf goed is ook gecombineerd kan worden. Volgens Berlin was bijvoorbeeld de spanning tussen vrijheid en gelijkheid niet op te heffen. Wanneer dergelijke waarden met elkaar botsen, moet je kiezen. Die keuze kan dan niet rationeel zijn, omdat de ratio voor beide kan kiezen, maar moet radicaal zijn.

John Gray heeft deze opvatting van Berlin aangeduid als «agonistic liberalism», wat door Bolkestein fraai is vertaald als «het liberalisme van de pijnlijke keuzes». Dat klinkt heel dapper, maar de keuzes van politici als Bolkestein zijn vrijwel altijd pijnlijk voor de mensen die het toch al minder goed getroffen hebben en zelden voor hen die maatschappelijk geslaagd zijn.

Het is de verdienste van Rawls dat hij zich hier niet bij neergelegd heeft en dat hij wél getracht heeft vrijheid en gelijkheid, en bovendien nog broederschap of solidariteit, met elkaar te combineren. Dat hij het genot én de pijn eerlijk wil verdelen en iedereen echt iets te kiezen wil geven. Uiteraard is zijn theorie niet onaantastbaar en is het nog niet duidelijk hoe de justice as fairness gerealiseerd kan worden, toch dwingt hij politici en politicologen wel na te denken over hun premissen en argumenten.