De seculiere anus van Turkije

Istanbul – Kleinzonen van Osman noemen ze zich, naar de allereerste sultan. En president Tayyip Erdogan is hun grote held.

Zeker nu die de erfenis van het Ottomaanse Rijk nieuw leven probeert in te blazen met visioenen over een groots en machtig Turkije. Deze zondag zijn er parlementsverkiezingen in Turkije. En ondanks de verwoestende aanslag in Ankara gaat de campagne door. Busjes met luidsprekers rijden door Istanbul. Op de kades langs de Bosporus worden flyers uitgedeeld aan veerbootpassagiers.

De kleinzonen van Osman zijn verenigd in Osmanli Ocaklari, vrij vertaald als de ‘Ottomanenclub’. Een politieke partij is het niet, eerder een overenthousiaste fanclub van Erdogan. Of een knokploeg zoals boze tongen beweren. De leden zouden zich schuldig maken aan intimidatie en geweldpleging jegens politieke tegenstanders van de president. Eerst tegen demonstrerende jongeren tijdens de Gezi-rellen van 2013 en recent tegen de linkse en pro-Koerdische partij hdp. De AK-partij zou daarmee voorzien in de behoefte aan een militante jeugdbeweging waar voorheen ook nationalistische partijen zich van bedienden.

Campagne voeren doet de Ottomanenclub niet. Bijeenkomen wel, zoals afgelopen week in een zaaltje in een conservatieve wijk in Istanbul. Het podium droop van de symboliek: een groene vlag met drie witte maansikkels verbeeldde de synthese van soennitische islam en nationalisme die Erdogan tegenwoordig predikt. In een kantoortje veegt oprichter Kadir Campolat de knokploeg-aantijgingen met een resoluut gebaar van tafel. ‘We staan voor mensenrechten, voor tolerantie, voor geweldloosheid’, zegt hij. ‘Geweld wijzen we af.’

De bezoekers, vrouwen met kleurrijke hoofddoeken en mannen met nauw zittende pakken, associeer je inderdaad niet met een knokploeg. Sterker: wat nu als deze Ottomanen de oplossing voor het minderhedenprobleem in Turkije hebben? Volgens Campolat, een energieke veertiger, was de kracht van het Ottomaanse Rijk dat het verschillende geloven en culturen probleemloos onder één dak verenigde. Atatürks obsessie met eenheid heeft daar een einde aan gemaakt – hoeveel respect hij uiteraard ook heeft voor de stichter van de Turkse Republiek. Maar wie dr. Arif Arslan aanhoort twijfelt toch aan de goede bedoelingen. In een grote zaal stelt de ideoloog van de Ottomanenclub het oude rijk voor als een menselijk lichaam, waarin iedereen, ook seculieren en Koerden, een eigen functie te vervullen hadden, zoals organen. ‘Bedenk desnoods dat een menselijk lichaam ook een endeldarm heeft, of een anus, want zonder gaat het niet.’