Edith Kuiper: Gender in economic texts

De seksistische economie

Edith Kuiper had tegen zichzelf beschermd moeten worden toen ze promoveerde op de feministische economie, vindt Arnold Heertje. Onzin. Heertje heeft het boek niet gelezen. En bovenal: Kuiper verlegt grenzen. In elk geval een beetje.

De feministische economiebeoefening heeft zich de laatste decennia ontwikkeld tot een klein maar levendig onderdeel van het vak. Volgens deze stroming kan de positie van de vrouw in de samenleving niet goed worden begrepen door de traditionele wetenschap, die door mannen is bedacht. Vooral de neoklassieke economie werkt versluierend, want die denkt in termen van kosten en baten. De machtsverhoudingen binnen het gezin spelen daarin geen rol. Om iets te noemen wat dicht bij huis is: de heer des huizes snijdt het vlees en deelt zichzelf het grootste stuk toe. Ook de liefde komt in het verhaal niet voor.

Deze kritiek, die vooral in Amerika wordt uitgeoefend, vormt een uitdaging voor mannelijke economen, van wie ik er een ben. Daarom heb ik met bijzondere aandacht het proefschrift gelezen van Edith Kuiper, The Most Valuable of Capital, A Gender Reading of Economic Texts (Tinbergen Instituut 2001), waarop zij op 8 februari is gepromoveerd. De titel verwijst naar Alfred Marshall, wiens standaardwerk uit 1890 (Principles of Economics) de vrouw verheerlijkt; in haar ligt het kapitaal opgeslagen voor de toekomstige generaties, want zij brengt de zoons voort die zorgen voor de productie van goederen en diensten. De moeder zelf is alleen consument.

Marshall was getrouwd met Mary Paley, auteur van de Economics of Industry. Zij verzorgde hem toen hij langdurig ziek werd. Zo kon hij blijven schrijven. Hij probeerde haar te beletten verder te gaan met haar eigen publicaties en dat is hem gelukt. Hij was trouwens tegen het toelaten van meisjes aan de universiteiten.

Edith Kuiper analyseert een aantal passages uit de Principles en laat zien dat die een behoorlijk seksistisch karakter hebben. Als Kuiper het bij deze analyse had gelaten, was haar proefschrift simpel geweest. Maar haar studie is niet simpel. Er worden meer dan zeven auteurs besproken, allen van het hoogste niveau.

Het begint met William Petty, de zeventiende-eeuwse uitvinder van de econometrie. Ook Adam Smith himself komt aan de beurt en Kuiper eindigt met Gary Becker die de Nobelprijs heeft gekregen voor zijn werk over het gezin. Verder komt John Pencavel even langs, een moderne Amerikaanse arbeidseconoom die wel het aanbod van blanke mannen modelleert, maar de zwarte vrouwen overlaat aan zijn medeauteurs.

Kuiper analyseert de teksten aan de hand van een literaire theorie die ontworpen is door vooral vrouwelijke geleerden die vanuit een heel andere discipline werken: taal en communicatie. Het gaat over intertekstualiteit, contextualiteit en over het lezen vanuit het perspectief van de vrouw-als-lezer, begrippen waar de meeste economen geen raad mee weten. Ik vrees dat dit de ontvangst van het boek zal schaden.

Wie iets van de feministische economie beoefening wil begrijpen, doet er goed aan drie niveaus te onderscheiden. Op het laagste niveau worden cijfers verzameld en wordt empirisch onderzoek gedaan naar ongelijke rechtsposities en ongelijke opleidingsmogelijkheden. Dit kan gerust aan mannen worden overgelaten. Op het niveau van de cijfers kunnen verrassende ontdekkingen worden gedaan. Zo heeft Amartya Sen zijn Nobelprijs onder meer gekregen voor onderzoek naar sterfte bij Aziatische hongersnoden. De mannen redden zich wel, de vrouwen geven hun laatste rantsoenen aan hun kinderen. De moeders gaan eraan. Sen concludeert dat niet zozeer de natuurrampen oorzaak zijn van de sterfte, maar de sociale verhoudingen. We zijn daarmee op het tweede niveau van de feministische kritiek: de theorievorming.

Waarom verdienen vrouwen minder dan mannen? Neoklassieke economen zeggen: omdat hun productiviteit lager is. Daarbij wordt gemakkelijk vergeten dat die lagere productiviteit het gevolg is van door mannen genomen beslissingen. Doktoren verdienen meer dan verpleegsters. Dat komt door een lange ontwikkeling waarbij eerst de vrouwen werden uitgesloten van de door mannen beheerste medische opleidingen. Ze werden aangemoedigd om zuster te worden vanuit de caritasgedachte: een roeping te nobel om betaald te worden. Liefdewerk. Wie zegt dat deze scheve verhoudingen bestonden in oude tijden moet toch eens kijken naar het aantal vrouwelijke chirurgen.

Op het theoretische niveau van de feministische kritiek komt ook het gezin uitgebreid aan de orde. De arbeidsverdeling binnenshuis is op de wetenschappelijke agenda gezet door Gary Becker. Hij redeneert echter op basis van kosten en baten en verwaarloost volgens de feministische kritiek de machtsverhoudingen en de seksistische attitudes. Zieke gezinsleden worden verzorgd door vrouwen, ook al heeft de man een laag uurloon of is hij werkloos.

Het derde niveau en tevens de hoofdzaak van de feministische kritiek is de tekstanalyse. Voor de mannen en vrouwen die de moeite willen nemen, levert dit verrassingen op. Die moeite is niet gering. Wie zich echt in de theorie van de taal en de communicatie wil verdiepen, moet er een studie bij nemen die met sociologie en economie niets van doen heeft. Een van de pioniers is Joan Scott (Gender, A Useful Category in Historic Analysis), maar dat is een historica. De echte specialisten zijn geleerden als Maaike Meijer (In tekst gevat, oratie van 1996). Kuiper volgt Meijers methode, doch zonder haar naam te noemen.

Haar proefschrift vindt in veel door mannen geschreven proza een gemakkelijke prooi. Zo berekende William Petty de «waarde» van de Engelse en Ierse bevolking in de zeventiende eeuw. Mannen verdienden een geldinkomen dat kon worden gekapitaliseerd, maar vrouwen waren waardeloos. Of erger: ze vormden een last als ze met te veel waren.

Alfred Marshall (1890) is een geval apart. Zijn daden zijn, zie boven, vrouwonvriendelijk. En ook zijn teksten blijken discriminerend. Hij ziet de betrekkingen tussen mensen in hun dagelijkse doen en laten in het licht van opoffering. Sacrifice slaat echter alleen op de kostwinner die zijn geld afstaat aan zijn gezin. Daarvoor krijgt hij verzorging terug. Dat de echtgenote offers brengt, komt in het verslag niet voor. De echtgenote zorgt voor een ander, zomaar, omdat het hoort. Nu kan iemand die Marshall wil verdedigen best een vrouwvriendelijke draai aan dit verhaal geven, maar het blijft uit intellectueel oogpunt vreemd dat de invloedrijkste econoom van die tijd geen woord wijdt aan de investeringen in de moeders, dezelfde moeders die hij zo «kostbaar» vindt omdat ze zoons voortbrengen.

Tegenwoordig zien we onderwijs als investering in de mens, maar Marshall wilde de universiteiten juist reserveren voor jonge mannen. Zijn uitdrukking The Most Valuable of Capital krijgt daardoor iets schijnheiligs. Kuiper heeft een goede greep gedaan door deze uitdrukking in de titel van haar proefschrift te zetten.

Voor de modale econoom is Kuipers hoofdstuk over Gary Becker het meest provocerend, want Becker heeft nu juist de Nobelprijs gekregen voor zijn theorie over het gezin. Hij schrijft sinds 1957 over discriminatie, huwelijk en huishoudens. Hij ziet vrouwen als individuen met eigen doelstellingen. Vrouwen en mannen worden beschreven door dezelfde wiskunde. Bovendien stapt Becker af van het egoïsme als enige drijvende kracht en laat hij doelstellingen toe die met het welzijn van een ander te maken hebben — zelfs altruïsme wordt in het model ingevoegd. Dit maakt zijn teksten op het eerste gezicht onkwetsbaar voor de feministische kritiek. Kuiper laat echter zien dat Becker vasthoudt aan de rationele keuzeopvatting, wat zeer gebruikelijk is onder economen. Die benadering is niet erg behulpzaam als we sterk emotioneel gedrag willen begrijpen. Ik heb zelf weleens geopperd dat een veel voorkomende aandoening als verliefdheid volstrekt onbegrijpelijk is voor economen. Verliefde vrouwen richten zichzelf te gronde, als het zo uitkomt, en dat gedrag vind je in de neoklassieke economie niet terug. Op dit punt had ik het proefschrift van Kuiper nog best wat aangevuld willen zien.

Ook het werk van Oded Stark (Altruism and Beyond, 1995) wordt niet vermeld. Dat is de wiskunde van de vader-en-zoon-relatie — overigens geen vrouw in zicht.

Kuiper heeft een boek geschreven dat past in de moderne feministische tekstanalyse. Men kan haar verwijten dat zij de vrouwvriendelijke economen buiten beschouwing heeft gelaten — we horen niets over John Stuart Mill, wiens The Subjection of Women gerust als een feministisch traktaat mag worden beschouwd, en dat in 1869! Daar staat tegenover dat Kuiper bescheiden is als het gaat over de algemene geldigheid van haar conclusies: ze doet uitdrukkelijk geen uitspraken over «de economie» als wetenschap. Zij doet uitspraken over de «geseksueerdheid» van teksten. Dat roept echter een ander bezwaar op: tekstanalyse is moeilijk toegankelijk voor lezers die geen weet hebben van contextualiteit en intertekstualiteit. Het boek zal grote weerstanden oproepen bij mijn mannelijke vakgenoten die niet in de gaten hebben wat tekstanalyse eigenlijk is.

Een onwelwillende recensent heeft zich al gemeld: Arnold Heertje schreef in Het Parool dat de promotor mevrouw Kuiper tegen zichzelf in bescherming had moeten nemen. En zulks vooral «omdat zij vasthoudt aan het idee dat de economische wetenschap berust op de homo economicus». En met «die conceptie is al in 1938 afgerekend door Piet Hennipman, in een magistraal proefschrift dat kennelijk aan de aandacht van de promovenda is ontsnapt». Kuiper heeft, ook in Het Parool, beleefd gereageerd met de vraag of professor Heertje het boek wel had gelezen. «De homo economicus komt er namelijk niet in voor.» Zelf heb ik van leermeester Heertje meegekregen dat we het geschreven woord met aandacht en zorgvuldigheid moeten bejegenen. In dat opzicht geldt Kuiper als zijn volgeling.

Belangrijker is dat Kuipers boek onder handbereik moet komen van iedereen die zich bezighoudt met gender-studies. Dat zijn in Nederland een paar honderd mensen, meest vrouwen. Voorts beveel ik het al mijn vakgenoten aan, vakgenoten van beiderlei kunne die het feminisme in de economie maar niks vinden.

De werkelijke betekenis van deze studie ligt in het onderzoek naar de manier waarop wij, mensen van de sociale wetenschappen, onze gedachten verwoorden. Dat is een sterk verwaarloosd onderwerp. Onderzoekers kunnen uit de dissertatie van Edith Kuiper inspiratie putten om verder te gaan waar zij is gebleven. Haar bijdrage is een tikje grensverleggend.

Dr. Jan Pen is emeritus hoogleraar economie