De serviers doen ook gewoon boodschappen

Dertig jaar geleden presenteerde de Oostenrijkse schrijver Peter Handke in Belgrado een primeur: een zwijgend toneelstuk. De opvoering was geen succes omdat, aldus Handke, het ‘Balkanpubliek niet rijp was’ voor zoveel theatrale stilte. Het kwam niet in hem op dat het Woord in een dictatuur een andere status heeft dan in een vrij land - het Zwijgen trouwens ook. Deze minachting voor het woord - kenmerkend voor Handkes schrijverschap, dat berust op een aaneenrijgen van zinledige observaties - speelde hem opnieuw parten toen hij vorig jaar voor de tweede maal Belgrado bezocht. Zijn reisverslag wordt nu door Trouw in twee delen afgedrukt onder de veelbelovende titel ‘Gerechtigheid voor Servie’. Het eerste deel verscheen afgelopen zaterdag en bevat verscheidene fouten en drogredeneringen die in het tweede deel nooit meer rechtgezet kunnen worden.

Handke weigerde de mediacliche’s over Servie te aanvaarden, zo begint hij. Hij wilde zelf onderzoeken of Serviers de agressors waren in de jongste Balkanoorlog. Vervolgens gebruikt hij twee pagina’s om te constateren wat u en ik allang wisten, namelijk dat de Serviers gewone mensen zijn en geen hysterische chauvinisten. Op zijn wandeling door Belgrado zag hij mensen ‘trots’, 'nadenkend’ dan wel 'met krachtige tred’ hun boodschappen doen. Dan volgt de onverteerbare clou die Handke eraan verbindt: deze mensen kunnen geen oorlog ontketend hebben, dus is de Servische oorlogsschuld een medialeugen. Een subtielere analyse, die verschil maakt tussen leiders en volken en de chronologie der gebeurtenissen respecteert, is aan hem niet besteed.
Handke rijgt de ene insinuatie aan de andere om Milosevic vrij te pleiten. De Kroaten hebben de vijandelijkheden geopend en de Bosnische Moslims hebben de fakkel van hen overgenomen. Terwijl hun vrouwen voor de camera’s de 'gewenste martelaarsgezichten en -houdingen’ aannamen, slachtten hun mannen in het geheim onschuldige Serviers af! Uiteraard stelden de Serviers zich wanhopig teweer; net als in 1914 en 1941. Die laatste toevoeging wordt hem in zijn nimmer gedenazificeerde Donaurepubliek wellicht in dank afgenomen, maar elders toch echt niet.
Over cliches gesproken: waarom drijft Handke de spot met joodse intellectuelen als Glucksmann, Levy en Finkielkraut, die in de Balkanoorlog wel onderscheid tussen daders en slachtoffers wilden maken? Hij noemt hen 'hedendaagse filosofen’ die 'overal en nergens’ zijn - alsof dat diskwalificaties zijn. Zingt Handke soms het oude liedje over de ontwortelde joodse intellectueel, die niet het recht heeft om te oordelen over een eerlijk, aan grond en voorvaderlijke tradities verknocht boerenvolk? Misschien beseft hij niet eens welke lading zijn woorden hebben.
Het is goed dat Trouw deze litanie van nonsens afdrukt. Zo kan de lezer zelf oordelen over de noodzaak van 'gerechtigheid voor Servie’, wat natuurlijk iets heel anders is dan gerechtigheid voor de Servische slachtoffers van de oorlog. Voor Handke ware het beter als hij er een zwijgend toneelstuk van had gemaakt.