In Kosovo

De Servische zwarte piste

Over de hele wereld demonstreerden Serviërs de afgelopen week tegen de onafhankelijkheid van Kosovo. De inwoners van de Servische enclave Brezovica vrezen voor hun toekomst, nu de Albanezen niet meer bij hen durven komen skiën.

Nog nooit wapperden er zo veel vlaggen langs de kant van de doorgaande weg tussen het noorden en zuiden van Kosovo. Albanese en Amerikaanse vlaggen hangen al sinds het einde van de oorlog in 1999 aan tankstations, motels en restaurants op de route, maar nu zijn er Franse bij gekomen, en Afghaanse, Duitse, Engelse, Italiaanse. Iedere dag komen er nieuwe bij, van de staten die bekend hebben gemaakt dat ze de onafhankelijkheid van Kosovo zullen erkennen. De stand wordt nauwkeurig bijgehouden.

De Servische passagiers in de bus tussen Noord-Mitrovica en Brezovica merken niets van deze ontwikkeling. Ze kijken strak voor zich uit, lezen de krant, of proberen te slapen. Oogcontact met andere weggebruikers wordt zorgvuldig vermeden. De bus die eenmaal daags rijdt van de enige stad in Kosovo die nog (voor een deel) Servisch is naar de enclaves in het bergachtige zuiden zit normaal gesproken minstens voor de helft vol. Vandaag, vier etmalen nadat de Albanezen de onafhankelijkheid van Kosovo hebben uitgeroepen, zijn er slechts zes mensen die de reis durven wagen – ruim twee uur door Albanees gebied.

‘Dit is het gevaarlijkste stuk’, zegt Zorka Sekulovic, student geografie, als de bus op een smalle weg aankomt met aan beide kant hoge struiken. ‘Hier kunnen de Albanezen zich makkelijk verschuilen. Al een paar keer is een Servische auto vanuit de struiken beschoten, of bekogeld met stenen.’ Albanese politiemannen schreeuwen naar de bus als deze een controlepost passeert. Geen van de passagiers kijkt om. De muziek uit de radio begint te kraken. Dan bereikt de bus de plek waar Kfor grote houten kruizen met prikkeldraad op de weg heeft geplaatst. Servisch gebied. Opgelucht slaan de passagiers een paar kruisjes, en prompt kijken ze weer uit het raam.

Brezovica is het bekendste skigebied van Kosovo. Voor de oorlog trokken vakantiegangers uit heel Joegoslavië naar de zwarte pistes van de ara-bergketen, op het grensgebied met Macedonië. Hotels zaten ’s winters stampvol. De eerste jaren na de Navo-bombardementen in 1999 durfde bijna niemand meer naar Brezovica te komen. Serviërs niet, omdat ze dan eerst Albanees gebied moesten doorkruisen, en Albanezen niet, omdat alle faciliteiten in het skigebied werden gerund door Serviërs.

Maar toen de eerste Albanese skifanaten in 2001 de gok durfden wagen en met een bus de berg op reden zonder dat er wat met ze gebeurde, kwam het toerisme langzaam weer op gang. Ieder seizoen verschenen meer Albanezen, tot zo’n tienduizend per weekend in de topjaren. Ze aten in Servische restaurants, kregen les van Servische skileraren en sliepen in bedden die werden opgemaakt door Servische kamermeisjes. Nooit ging het mis. Terwijl in de rest van Kosovo het contact tussen de twee bevolkingsgroepen tot een minimum was gereduceerd, bloeide het in Brezovica volop. Maar de Serviërs uit de rest van Kosovo bleven weg. Zij durfden nog altijd de tocht door de Albanese gebieden niet aan.

Nu is de berg verlaten. De skiliften werken niet en de meeste skihutten zijn gesloten. De ober van een eettentje dat wel open is, ligt met zijn armen over elkaar op een bankje te zonnebaden. ‘Sinds de Albanezen de onafhankelijkheid hebben uitgeroepen, is er niemand meer komen opdagen’, zegt Slobodan Pavletovic, hoofd van de reddingsbrigade van het skigebied. ‘De dag voor de onafhankelijkheid waren er nog drie Albanezen, maar daarna was het afgelopen. Ze zijn vast bang om hier te komen. Op tv hebben ze kunnen zien hoe boos de Serviërs zijn.’ Nu de skiliften niet meer werken, blijven ook de werknemers van de internationale organisaties weg die hier normaal gesproken ieder weekend bakken met geld komen uitgeven.

De inwoners van Brezovica en de omliggende dorpen zijn bang dat het skigebied misschien wel voor de rest van het seizoen gesloten blijft. Dat zou een economische strop betekenen voor de Serviërs. Inex, het skicentrum, is met zo’n tweehonderdvijftig employees verreweg de grootste werkgever in de enclave. In hotel Narcis, beneden in het dal, werken tachtig mensen. Driehonderdvijftig gasten kunnen er per nacht slapen. Op dit moment overnachten er tien mensen – agenten van de internationale politie van de VN. Hotel Molika, boven op de berg, heeft deze week niet één gast.

Vanaf de eindhalte van de bus uit Mitrovica wandelt Zorka terug naar huis. Haar moeder is blij dat haar dochter heelhuids thuis is gekomen, en vraagt nieuwsgierig naar de situatie in het noorden van Kosovo, waar de Serviërs deze week twee grensposten hebben opgeblazen en waar verscheidene auto’s in vlammen zijn opgegaan. Ze heeft pita od jabuka gebakken, een taart van flinterdun bladerdeeg en appels. Om vijf uur ’s middags zitten ze klaar om de demonstratie in Belgrado tegen de onafhankelijkheid van Kosovo live op tv te volgen. Maar exact op het ogenblik dat de betoging begint, valt in Brezovica de stroom uit. Dat gebeurt meermalen per dag, en dan blijft de stroom minstens een paar uur weg. Niemand kan van tevoren inschatten op welke momenten dat precies gebeurt. ‘De Albanezen hebben zeker de elektriciteitstoevoer gestopt omdat ze niet willen dat wij die demonstratie zien’, zegt Zorka’s moeder met een serieuze blik. Snel start haar dochter de aggregaat, waardoor ze alleen het begin hoeven te missen van de live-uitzending op de staatszender rts.

Vanuit hun kleine huiskamertje zien Zorka en haar familie de enorme betoging in het centrum van de Servische hoofdstad. ‘We zullen Kosovo nooit opgeven’, roepen de demonstranten. ‘Dat gaat nooit goed, zo veel mensen’, zegt de moeder van Zorka. Ze neemt nog een hijs van haar sigaret. ‘Die gaan vast en zeker de Amerikaanse ambassade aanvallen. Wij Serviërs zijn zo lang onderdrukt, politiek, cultureel en economisch gezien. Sommige mensen uiten dat door geweld te gebruiken.’ Nog geen half uur later verschijnen de eerste beelden van de aanvallen op de ambassades van de landen die door de Serviërs worden gezien als de handlangers van de Albanezen. Terwijl de Amerikaanse ambassade in vlammen opgaat, schakelt de staatszender over op beelden van orthodoxe priesters die kaarsen branden voor het behoud van Kosovo.

De dag na de demonstratie in Belgrado zijn er door heel Kosovo demonstraties georganiseerd om 12.44 uur, verwijzend naar Resolutie 1244, waarin de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft vastgelegd dat Kosovo deel is van Servië. Volgens de Serviërs is de onafhankelijkheidsverklaring van de Kosovo-Albanezen in strijd met de internationale rechtsregels, omdat ze niet is goedgekeurd door de VN. In Mitrovica zwaaien duizenden mensen met Servische vlaggen en spandoeken. Bussen vol demonstranten worden bij de administratieve grens tussen Servië en Kosovo door Kfor-militairen tegengehouden. Ze mogen Kosovo niet in, om te voorkomen dat de ongeregeldheden van gisteren in Belgrado zich in Mitrovica zullen herhalen.

Zo’n tweehonderd inwoners van Brezovica en de omringende gehuchten hebben zich verzameld in het centrum van Strpce, het grootste dorp in de zuidelijke enclave. Met een paar protestborden en een Servische vlag sjokken ze vanaf het gemeentehuis via het kerkje aan de rand van het dorp terug naar het gemeentehuis. De demonstratie duurt nog geen half uur, er worden geen leuzen gescandeerd en niemand richt vernielingen aan. Terwijl beelden van vuurwerk gooiende demonstranten in Mitrovica de wereld over gaan, keren de Serviërs uit Brezovica en omgeving rustig terug naar huis. Niemand heeft hun betoging vastgelegd, en het is nog maar de vraag of hun angst en wanhoop door hun eigen gemeenschap worden gehoord, laat staan daarbuiten. In de toespraken van de betogers in Belgrado werd vooral geroepen dat de eeuwenoude orthodoxe kerken in Kosovo – ‘het hart van Servië’ – bewaard moesten blijven. Dat er vaak ook nog landgenoten rondom die kerken woonden, kwam een stuk minder vaak ter sprake.

Toch zijn het juist de inwoners van de Servische enclaves in het zuiden van Kosovo die de gevolgen van de vers uitgeroepen onafhankelijkheid van het gebied het meest aan den lijve zullen ondervinden. Zij zullen straks worden bestuurd door de overwegend Albanese regering in Pristina, terwijl de Serviërs in het noorden van Kosovo, waar zij nog altijd de meerderheid vormen, ervoor zullen strijden om deel te blijven van Servië. Het feit dat ook de Servische meerderheidsgebieden in het zuiden van Kosovo volgens het Ahtisaari-plan recht hebben op een aanzienlijke mate van autonomie doet daar volgens de enclavebewoners niet veel aan af.

‘Wij hebben geen vertrouwen in de beloften van de Albanese regering’, zegt een demonstrant na afloop van de betoging in Strpce. ‘In jaren na de oorlog zijn onder het oog van de internationale gemeenschap duizenden Serviërs gedood of gekidnapt, en tienduizenden Serviërs zijn uit hun huizen gejaagd. De daders lopen nog vrij rond. Zou een Amerikaan vertrouwen hebben in de beloften van Bin Laden? Ze zullen ons hier ook wegjagen. Over tien jaar zijn we hier niet meer, denk ik. Maar ik wil daar niet op wachten. Als ik buiten Kosovo een baan kan vinden, ben ik weg.’ Toch is nog niemand uit de enclave sinds de onafhankelijkheid daadwerkelijk vertrokken. ‘We kunnen nog niet geloven dat het echt zo ver is’, zegt de demonstrant.

De grootste angst van de inwoners van Brezovica is dat ‘hún’ skigebied uiteindelijk in handen valt van de Albanezen. ‘Als dat gebeurt, zijn we verloren’, zegt Zorka Sekulovic, terwijl ze op het journaal de betogingen ziet van Serviërs over de hele wereld. ‘Ze zullen waarschijnlijk alleen maar Albanezen aannemen, en binnen de kortste keren is hier dan alles Albanees. Nu al worden er langs de weg richting het skigebied vele nieuwe Albanese weekendhuizen gebouwd. Terwijl de Serviërs juist hun huizen verkopen en langzaam wegtrekken uit de streek.’