Onvoorspelbaar historicus

De sfinx De Jong

Tien jaar geleden, aan de vooravond van het vijftigjarig jubileum van het einde van de Tweede Wereldoorlog, zat ik op de bank bij dr. L. de Jong thuis in Amsterdam. Onderwerp van gesprek was – of liever: had moeten zijn – de kritiek die de schrijver van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog in de loop der jaren over zich heen had gekregen. De vraag was of hij zijn critici achteraf op sommige punten geen gelijk moest geven. Dit bleek geen gemakkelijke opgave, om het eufemistisch uit te drukken. Het was een beetje als bij de paus informeren of hij wel eens twijfelde over de Onbevlekte Ontvangenis en het dogma van de Goddelijke Drie-eenheid. «Het is allemaal precies zo gegaan als ik heb geschreven», sprak de rijksgeschiedschrijver, stuurs lurkend aan zijn pijp, terwijl ik de ene na de andere hopeloze poging deed kwesties als de affaire-Van ’t Sant, Aantjes, Weinreb en andere hete hangijzers uit zijn loopbaan als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in een nieuw daglicht te bezien. Het gesprek kenmerkte zich door de steeds langere stiltes die vielen. Toen ik uiteindelijk weer buiten op straat stond, viel er een loden last van me af, terwijl tegelijkertijd het bange besef groeide dat dit eigenlijk nauwelijks een bruikbaar interview was geweest.

Dr. L. de Jong was op zijn eigen manier een sfinx, ondoorgrondelijk, diep verscholen in zichzelf. De enige die toegang had tot zijn universum was hij zelf. Waarschijnlijk was het persoonlijk leed dat hij met zich meetorste daarvan de oorzaak. Het verlies van zijn ouders en zijn tweelingbroer – omgekomen in Vernichtungslager Sobibor, terwijl hij in Londen zat – was te groot om ooit nog onbevangen naar de wereld te kunnen kijken. Van de weeromstuit kroop hij in eigen schulp, wellicht zwaar gebukt onder schuldgevoelens, zoals die wel bij meer overlevenden van de shoah konden worden aangetroffen. Om die trauma’s te bestrijden werd De Jong zijn eigen psychoanalyticus. Aan het eind van zijn veertiendelige cyclus over de oorlog schreef hij een tamelijk onbarmhartig egodocument, Herinneringen (1993), waarin hij zichzelf op de divan legde en tot de conclusie kwam dat zijn onmetelijke werkdrift deels voortkwam uit jaloezie jegens zijn tweelingbroer Sally, over diens – onbekende – graf heen.

De Jongs Herinneringen werden door zijn critici – niet altijd even goed van begrip, laat staan gezegend door empathie – afgedaan als het zoveelste blijk van het egocentrische karakter van de historicus. Maar voor de vleesgeworden autoriteit die hij was, was het een verrassende, want niet noodzakelijke daad. Hoeveel historici – of journalisten – zouden in staat zijn hun eigen particuliere, in het onderbewustzijn verzonken schuldmotieven te benoemen en te delen met hun publiek? Inderdaad, bar weinig. Bij het opschrijven van zijn Herinneringen toonde de Jong zich wellicht van zijn meest onverschrokken kant.

De Jong zorgde nog een keer voor een grote verrassing toen hij enkele jaren geleden een akkoord sloot met Nanda van der Zee om zijn biografie te schrijven. Van der Zee had kort daarvoor haar boek Om erger te voorkomen gepubliceerd, waarna zij op voet van oorlog was komen te staan met de gehele fine fleur van ’s lands historici, van Jan Bank tot Cees Fasseur. De portee van Van der Zees studie was de medeschuld die het Nederlandse establishment – koningin Wilhelmina voorop – zou hebben gehad aan de georganiseerde moord op 120.000 joodse burgers van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het verwijt van Van der Zee was dat Wilhelmina door haar vlucht naar Londen het Nederlandse ambtelijk apparaat stuurloos had achtergelaten, zodat dat als een rijpe appel in de mand van de bezetter had kunnen vallen, en een niet te verwaarlozen partner werd bij de deportaties naar de gaskamers. Ook velde Van der Zee een hard oordeel over de passieve rol van de Nederlandse regering in ballingschap en over die van Radio Oranje, die volgens haar veel meer hadden moeten doen om de joodse burgers in Nederland te waarschuwen voor het gevaar dat zij liepen en dus onder te duiken in plaats van zich aan te melden voor deportatie.

Om erger te voorkomen was een polemisch werk. Ook De Jong zelf kreeg in het boek de nodige verwijten toebedeeld. Maar in het spervuur van kritiek dat Van der Zee vervolgens te verduren kreeg – Wilhelmina-biograaf Fasseur beschuldigde haar zelfs van het napraten van nazi-propaganda – hield De Jong zich opvallend stil. Opvallend, daar De Jong – «Oranje Loe», zoals zijn bijnaam luidde – altijd was opgetreden als beschermheer van Wilhelmina. In een interview met Vrij Nederland merkte De Jong ooit op dat hij de blik van de overleden vorstin altijd over zijn schouders voelde als hij aan het schrijven was. Zelf noemde hij dat «de stem uit de grafkelder». Kortom, De Jong had een diepe band met Wilhelmina, tot over het graf heen, en het zou in de lijn der verwachtingen hebben gelegen als hij na het verschijnen van Om erger te voorkomen het voortouw had genomen in het contraoffensief tegen Van der Zee. Maar het tegendeel gebeurde. Toen De Jong twee jaar na het verschijnen van het boek Van der Zee uitnodigde om zijn biografie te schrijven, kwam dat bij vriend én vijand als een volkomen verrassing. Natuurlijk, Van der Zee had eerder een veelgeprezen biografie geschreven van De Jongs grote leermeester Presser, maar met Om erger te voorkomen had zij zich in één klap «buiten de orde» begeven. Moest dan uitgerekend aan haar de boekstaving van leven en werk van het symbool van het historische establishment overgelaten worden, vroeg men zich in het hoofdkwartier van het Niod wan hopig af.

Het werd nog erger. Het was niet Van der Zee maar De Jong die het initiatief had genomen voor de onderhandelingen. Kennelijk voelde De Jong zich zeker genoeg van zijn zaak om een van zijn radicaalste critici zijn grafschrift te laten schrijven. Was het een provocatie richting zijn oud-collega’s bij het Niod? Een staaltje bravoure van een oude man die weet dat zijn dagen zijn geteld? Of wilde De Jong er iets anders mee uitdrukken? Maar wat dan?

Helaas, we zullen het nooit weten. Zoals bekend leed de De Jong-biografie van Nanda van der Zee voortijdig schipbreuk. De biografe in spe weigerde een verklaring te tekenen dat zij, om gebruik te kunnen maken van het archief van De Jong bij het Niod, haar pennenvruchten voor publicatie zou voorleggen aan de directie van het instituut. Daarmee was de biografie van de baan. De opdracht ging vervolgens naar Elsbeth Etty, die uiteindelijk echter ook bedankte voor de eer.

De biografie van dr. L. de Jong moet nu worden geschreven door een historicus van de Rijksuniversiteit Groningen, die daar vier jaar de tijd voor zal hebben, in het kader van een promotieonderzoek. Momenteel is de werving van de meest geschikte onder de dertig kandidaten in volle gang, aldus directeur Hans Renders van het onlangs opgerichte interuniversitaire Biografie Instituut, die zitting zal hebben in de begeleidingscommissie, naast iemand van de leiding van het Niod. Maar is het niet een beetje jammer, een dergelijk zwaarwichtig project overlaten aan een onbeschreven blad aan de historici-boom? Renders: «Ik vind van niet. Het is juist een voordeel, vind ik. Van de bekende historici weten we allemaal al wat zij van De Jong vinden. Nu kunnen we ons nog laten verrassen.»