De sfinx keert terug naar het uitgehongerde Haïti

Port-au-Prince - Voor veel Haïtianen beëindigde de ontvoering van de democratisch gekozen president Jean-Bertrand Aristide in 2004 in één klap de hoop op een beter bestaan. De kleine, felle priester was de eerste politicus die hun taal sprak - Creools - in een land waar de elite zich uitdrukt in het koloniale Frans. Na zeven jaar ballingschap keerde de president vorige week terug, drie dagen voor de presidentsverkiezingen: deus ex machina.
In de filmschool in Port-au-Prince staan we met z'n allen te dringen om een klein televisietoestel met live-beelden van zijn aankomst. Op het vliegveld betuigt Aristide zijn liefde voor Haïti, vergelijkt hij zijn terugkeer met de Haïtiaanse onafhankelijkheid in 1804 en beklaagt hij zich erover dat hij uitgesloten werd van de presidentsverkiezingen. Mijn studenten, een nieuwe generatie van verslaggevers en fotojournalisten, voert dagelijks heftige discussies over de noodzaak van nieuw leiderschap, economische groei, en de giftige invloed van buitenlandse hulp. De huidige presidentskandidaten noch Aristide worden gezien als vernieuwende krachten. Maar het noemen van Aristide leidt tot ongemakkelijkheid. Cadet, een bedaarde oudere student, moet regelmatig hard lachen. Hij vertelde me ooit dat zijn oom was vermoord door de chimères, de bendes die door president Aristide waren bewapend in een laatste poging om stand te houden tegen rechtse terreurgroepen. Was zijn oom politiek actief? ‘Nee, maar hij had wat geld’, antwoordde Cadet flegmatiek.
Het sfinxachtige gelaat van de loensende Aristide brengt herinneringen terug aan de chaotische nadagen van zijn bewind, februari 2004. Er heerste chaos in Haïti. De burgerij had genoeg van de onveiligheid, de corruptie en het financiële wanbeheer. In het Montanahotel, waar de laatste buitenlandse journalisten verbleven, was ik ’s nachts bij een ontmoeting tussen een groepje ex-militairen en een man die zei een Indiase goeroe te zijn die vrede kwam stichten. De goeroe was omringd door CIA-achtige figuren met knopjes in hun oor. Champagne vloeide en de goeroe bestelde prostituees voor de militairen. Mogelijk was dit het cruciale moment waarop een Amerikaanse geheime dienst de rebellie tegen Aristide kwam steunen.
Enkele dagen later, in het grijze ochtendlicht, tuurden we op het dak van het hotel naar het vliegtuig dat opsteeg met Aristide - van zijn bed gelicht door Amerikaanse militairen. We waren er niet rouwig om. De chimères hadden overal wegen afgezet. Dronken schreeuwend met rode ogen en maaiend met hun machinegeweren beroofden ze je van je apparatuur en geld. De droom dat Aristide de man was die gerechtigheid zou brengen op dit uitgehongerde en ontwrichte eiland was voorbij.
Zondag waren de verkiezingen in een vreemd stil Port-au-Prince. Veel Haïtianen bleven thuis uit angst voor intimidaties en schietpartijen. De honderdduizenden Haïtianen in tentenkampen zal het sowieso onduidelijk zijn geweest hoe dit verkiezingscircus hen zou verlossen van hun ellende. Maar een land zo arm en geknecht als Haïti kan niet leven zonder de hoop op een Messias. Aristide was dat: de enige leider die Haïtianen trots maakte op hun land en vergelding beloofde voor alle vernederingen. Zijn terugkeer moet voor velen bitterzoet zijn. Als een ontmoeting met een oude vlam, wanneer je opeens weer weet waarom het uitging.