Bert Alberts, de grootste liberaal van De Groene Amsterdammer

De sfinx van Blaricum

Na de oorlog vervulde de indoloog Bert Alberts voor De Groene Amsterdammer een gezichtsbepalende rol in het debat over Indië en Indonesië. ‘De Groene hoeft van niemand te leren hoe ze het politiek gebeuren van commentaar moet voorzien.’

Medium katern 2  pagina 8a
Alberts begin jaren tachtig in de tuin achter zijn huis in Blaricum © Hans Vermeulen

Onlangs vroeg iemand zich op de opiniepagina van NRC Handelsblad af waarom geen enkele Nederlandse schrijver ooit een ‘moedig standpunt’ had ingenomen inzake de koloniale oorlog in Indonesië tussen 1946 en 1950. Dat was een vraag gebaseerd op een ernstig gebrek aan kennis. Een citaat uit Luceberts beroemde Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia zou al afdoende moeten zijn als antwoord. Dat gedicht schreef de latere Keizer der Vijftigers ‘pas’ in december 1948, ten tijde van de ‘tweede politionele actie’, dat wil zeggen de laatste aanvalsoorlog, waarbij generaal Spoor Soekarno en Hatta gevangen liet nemen.

Maar al veel eerder had een andere, toen nog ongepubliceerde schrijver zich uiterst scherp uitgelaten over de laatste stuiptrekkingen van het Hollandse kolonialisme: de indoloog Bert Alberts (1911-1995), later bekend geworden onder zijn auteursnaam A. Alberts. Dat deed hij in De Groene Amsterdammer. Redacteur Anton Koolhaas had zijn vroegere Utrechtse studievriend in 1947 aangetrokken als medewerker. Alberts was een zeer kritische kenner. Van 1939 tot 1942 was hij als ambtelijk controleur werkzaam geweest op Madoera. Daarna zat hij tot lang na augustus 1945 gevangen in vijf Japanse kampen. In de gewelddadige Bersiaptijd was hij vrijwillig soldaat in de buurt van Bandung. En in 1946 werd hij als eerste luitenant gestationeerd in Batavia/Jakarta, waar hij zich bemoeide met de vordering van gebouwen voor het afbrokkelende Hollandse gezag. Hij onderhield ook contacten met Indonesische politici, besefte al snel hoe de werkelijke machtsverhoudingen lagen en was getuige van ‘schermutselingen’ rond de demarcatielijn bij Batavia/Jakarta.

In oktober 1946 vertrok Alberts per vliegtuig naar Nederland. Hij ging op verlof maar keerde nooit meer terug naar Indonesië. Als enige BB-ambtenaar nam hij halverwege 1947 ontslag, wat woede wekte en hem zijn pensioen kostte. Maar hij wist precies waarom. Omdat hij zeker wist midden in het geweld en het tegengeweld terecht te komen. Hij ging niet terug ‘om daar op de punten van gescherpte bajonetten te gaan zitten’.

Wie de Groene-jaargangen van 1947 tot 1953 doorneemt, de jaren waarin Alberts medewerker was, valt van de ene in de andere verbazing. Alberts heeft veel meer gepubliceerd over de Indonesische kwestie dan bekend is. Bovendien week zijn gefundeerde mening sterk af van de communis opinio in Nederland. Die luidde, simpel gezegd: Indië verloren, rampspoed geboren. Zijn eerste, nog ongesigneerde bijdrage is van 31 mei 1947 en heet ‘Alarmsein Pasoendan’. Aanleiding was het uitroepen van de zogenaamde deelstaat Pasoendan, als uitvloeisel van het deelstatenbeleid van landvoogd Van Mook. Dat beleid was in wezen een verdeel-en-heerspolitiek en een omsingelingspoging van de Republik Indonesia. Door ervaring wijs geworden waarschuwde Alberts ervoor niet met Hollandse laarzen dwars door Indonesische aangelegenheden te banjeren.

Anderen hadden het over ‘jappenkampen’, Alberts nooit en te nimmer. De kampen vormden een antikoloniale leerschool. Dit lazen verbijsterde Groene-abonnees: ‘Terwijl in de Japanse concentratiekampen verscheidene Nederlanders tot een intelligenter en waardiger levenshouding werden bekeerd – men heeft hun aantal wel eens onderschat – hebben tal van andere Nederlanders aan die evolutie niet kunnen meedoen.’

Na de eerste grootscheepse militaire aanval op de Republik (Operatie Product, 21 juli 1947) vergelijkt Alberts die gewelddadige actie met de tot niets leidende Tiendaagse Veldtocht in 1831 van koning Willem I tegen het opstandige Brussel, die ook was bedoeld om ‘orde en rust’ te herstellen. En weer schrokken veel Groene-lezers van Alberts’ bijtend sarcasme en zegden hun abonnement op: ‘Indië, juist. Verkeerden onze financiën in 1839 in een deplorabele en chaotische toestand, we zijn er weer bovenop gekomen, dankzij de “batige saldi” die Indië ons in de volgende jaren opleverde. Hebben de heren, die thans in Indonesië recht en orde herstellen uit verantwoordelijkheidsgevoel jegens de… enz. ook nog een dergelijke goudbron achter de hand? Dàn zou hun optreden althans nog (financiële) zin hebben.’ Zo visionair werd er in Nederland door niemand over de koloniale oorlog geschreven.

En Alberts hield niet op en liet zich niet de mond snoeren. Hij wist werkelijk waar hij het over had. Artikel na artikel analyseerde én attaqueerde hij, tegen de grote stroom in, de hopeloze Hollandse politiek. Nederlands-Indië bestond niet meer, maar Romme en Drees wisten het nog niet. Na de tweede militaire aanval op de Republik (Operatie Kraai, 18 december 1948) verschenen Alberts’ messcherpe hoofdartikelen en commentaren op de voorpagina van De Groene. Nederland onderschatte de vrijheidsdrang van de Indonesiërs. En de jarenlange diplomatieke schermutselingen hadden alleen maar mist veroorzaakt. De Britten hadden in India en Pakistan afscheid genomen. En Nederland? Alberts had aan één zin voldoende: ‘De Nederlandse soldaten gingen niet, zij kwamen.’

Wat niemand meer weet is dat Alberts in De Groene een cruciale rol vervulde in het naoorlogse debat over Indië en Indonesië. In februari 1949 kondigt hij een kritische brief aan van een Nederlandse officier, over de beroerde militaire toestand op Java. Die schokkende brief leidt tot heftige beroering, tot slappe Kamervragen en een ontwijkende regeringsverklaring van Drees. Daarin geeft hij toe dat zich ‘excessen’ hadden voorgedaan maar dat die geen routine waren. Een halve eeuw lang zullen álle Nederlandse kabinetten deze leugen herhalen. Eén citaat uit de officiersbrief volstaat: ‘De troepen hebben (…) de opdracht zo weinig mogelijk gebruik te maken van de vuurwapenen en (natuurlijk officieus) om geen gevangenen te maken. In de gevechtsrapportjes kom je dan zinnetjes tegen als: bij de telefooncentrale werden twee man slapend aangetroffen, die met slag- en stootwapenen werden afgemaakt. Ik heb er persoonlijk bij gestaan, dat een van onze hoofdofficieren, die vermoedelijk de Willemsorde zal krijgen, voor de bezetting van Djokja, zich er tegenover generaal Spoor lachend op beroemde dat een van onze groepen een troep van 200 slapende T.N.I.-ers had aangetroffen, die met de bajonet aan de baleh-baleh werden geprikt! Dat vonden ze allebei prachtig.’

Nederland wilde het níet weten maar Alberts ging door. In het Groene-kerstnummer van 1949 schreef hij een zeer persoonlijk en antikoloniaal ‘Afscheid van Nederlandsch Indië’. Daarin was hij meedogenloos over de hypocriete ‘ethische politiek’ die Den Haag een halve eeuw lang had gevoerd. De week daarop streek hij voor de zoveelste keer tegen veel Hollandse haren in: hij hield een pleidooi pro Soekarno. Dat kostte De Groene weer de nodige abonnees, onder wie veel cpn-stemmers die mordicus tegen ‘communistenmoordenaar’ Soekarno waren. In 1951 deinsde Alberts er niet voor terug om oorlogspremier P.S. Gerbrandy elegant maar hard aan te vallen op zijn koloniale blindheid en besluiteloosheid ‘die de zaken overzee in hoge mate stinkende’ maakten na de Tweede Wereldoorlog.

Medium katern 2  pagina 7a
Alberts (links), Hella Haasse (midden) en programmamaker Jan van Hillo (rechts) ter voorbereiding van een NOS-documentaire over koningin Juliana, 1973 © Van Oorschot

Voor De Groene was Alberts’ betrokkenheid en vasthoudendheid maar ook zijn fijne, literaire en scherpe pen de reden hem in 1953 te vragen redacteur te worden. Het is niet overdreven te zeggen dat het aanbod van Groene-voormannen Sem Davids en Rients Dijkstra Alberts’ redding betekende. In brieven aan zijn leermeester professor Gerretson (de dichter Geerten Gossaert) had hij het over zijn lege bestaan gehad als directiesecretaris. Achter dat bestaan zonder duidelijke richting schemerde zijn oorlogstrauma: na vijf Japanse kampen, honger en ziekte woog hij in augustus 1945 nog maar 78 pond. In latere interviews heeft hij daar nooit met een woord over gesproken. Hij was eerder luchtig en laconiek over zijn kampleven. Het achterste van zijn tong liet hij niet zien. Daarom werd hij wel de sfinx van Blaricum genoemd (vanaf 1968 woonde hij met zijn veel jongere vrouw Fientje Blijboom aan de rand van dit Gooise dorp).

Hij viel de premier hard aan op zijn koloniale blindheid ‘die de zaken overzee in hoge mate stinkende’ maakte

Twaalf jaar lang is Alberts (buitenland)redacteur van De Groene geweest. Hij had een onvoorstelbare productie. Weken waarin hij minstens vijf artikelen schreef, zoals gebruikelijk vaak niet ondertekend, waren geen uitzondering. Hij heeft vele duizenden stukken voor de krant geschreven. Een bloemlezing daaruit zou een prachtig boek opleveren dat een belangrijk deel van de Groene-geschiedenis zou weerspiegelen. Een als journalist vermomde partijpoliticus (zoals Han Lammers) is Alberts nooit geweest. Een duizendpoot was hij zeker. De baanbrekende opmaakredacteur Joke Reynders, tegenwoordig wonend in Frankrijk, noemde hem in 2015 in een telefoongesprek met mij nog steeds de ‘grootste liberaal’ van de links-libertaire Groene. Iedereen vond hem zeer aardig en innemend, al vond men zijn drankzucht soms wat zorgelijk.

Hij kwam in vele gedaantes tot de lezer. Als journalist die wekelijks verslag deed van mondiale actualiteiten in Afrika, Azië en Latijns-Amerika en soms ook de Sovjet-Unie en omstreken als Sem Davids vakantie had; als commentator gericht op de Derde Wereld; als schrijver van Indië-memoires; als historicus gefixeerd op het revolutiejaar 1848; als schrijver van korte verhalen; als milde criticus van historici als Robert Fruin en Jan Romein en van dichters en schrijvers als Multatuli, Geerten Gossaert, Anton Koolhaas, Leo Vroman, A. Roland Holst, William Faulkner, Emile Zola en vele anderen én van Indische volksverhalen en poëzie; als Amsterdamse stadskroniekschrijver en bos- en parkexpert; als columnist.

Lezers van zijn romans, zoals De bomen, De vergaderzaal, De honden jagen niet meer of De vrouw met de parasol kunnen zich die Alberts als journalist – geïnformeerd, historisch, analytisch, fel – waarschijnlijk nauwelijks voorstellen. Zelfs Wouter Gortzak, tussen 1964 en 1973 Groene-redacteur, had er moeite mee. Nadat Alberts in 1995 de P.C. Hooftprijs had gekregen, keek Gortzak terug op Alberts’ jaren bij De Groene. Hij zag hem eerder als schrijver onder de journalisten, maar vroeg zich af of hij ook krantenman was onder literatoren. De letterkundigen hadden alleen maar oog voor zijn romans en verhalen en negeerden zijn journalistieke verleden. Gortzak gaf toe dat hij het ook niet wist. Alberts bleef voor hem ongrijpbaar, raadselachtig, een sfinx.

Van hem had Gortzak het vak niet geleerd, wel van Sem Davids. Hij probeerde zich Alberts voor te stellen als vragen stellende verslaggever tijdens een persconferentie, maar hij zag dat beeld niet voor zich. ‘Wel zie ik hem rondlopen en toekijken. Verbaasd vooral, geïnteresseerd natuurlijk, maar steeds op veilige afstand. De ironie als scherm tussen de buitenwereld en zichzelf. Kijken, overdenken, vergelijken, relativeren, een prachtig stuk schrijven’ (De Groene, 24 mei 1995). En toch, alleen al Alberts’ gefundeerde en hartstochtelijke stellingname vóór Indonesië en Soekarno weerspreekt Gortzaks blik op Alberts als een afstandelijke, nogal onthechte journalist.

Han Lammers, later wethouder in Amsterdam en prominent pvda-politicus, werd begin jaren zestig door Alberts bij De Groene betrokken, eerst als Nieuw Guinea-specialist. In zijn necrologie van Alberts (De Groene, 10 januari 1996) blikt Lammers terug op zijn samenwerking met hem. Lammers’ visie wijkt af van die van Gortzak. Sterker, hij presenteert Alberts als een drijvende kracht achter De Groene en een gezichtsbepalende redacteur. De boeken met zijn Indische en Parijse memoires (Namen noemen en De Franse slag), die Alberts begin jaren zestig uitdeelde, zagen zijn collega’s ‘als een vrucht van arbeid die in de marge van de journalistiek werd verricht’. De krant stond voorop.

‘Alberts was er een voorbeeld van dat een journalist is en niet ontstaat’, schreef Lammers. ‘Hij wordt hooguit ontdekt. Alberts zou een zeer nauwgezet verslaggever zijn geweest, met veel gevoel voor hoor en wederhoor. Hij is echter meteen in het gilde van de commentatoren terechtgekomen. Dat betekende niet dat hij te deftig was voor gewoon handwerk: redigeren, koppen maken, aan het steen staan. Hij stond vaak garant voor de eerste pagina. Die werd als laatste in elkaar gezet, zodat nog net wat actualiteiten konden worden meegenomen. Hij was altijd benieuwd naar de nieuwe krant, en ook naar wat anderen ervan vonden. Naar de wekelijkse komst van de prent van Opland keek hij zich verkneuterend uit, en hij wreef zich in de handen als zijn verwachtingen werden bewaarheid. Dat was meestal zo.’ Lammers vond het frappant dat zulke uiteenlopende persoonlijkheden als de partijloze communist Sem Davids en de partijloze liberaal Bert Alberts de onderlinge vrede wisten te bewaren als ze politiek controversiële onderwerpen in de krant bespraken.

Verborgen in minstens tien Groene-jaargangen zitten Alberts’ fascinerende herinneringen aan Nederlands-Indië, die in 1962 sterk bewerkt in boekvorm verschenen. In het kerstnummer van 1953 stond zelfs een ‘nagekomen’ hoofdstuk uit Alberts’ romandebuut De bomen: ‘De koning uit de Blauwbaardskamer’. De prozaschrijver Alberts laat zich zien in verhalen die lang niet allemaal in boekvorm zijn verschenen. Achter een van die onbekende vertellingen – die hij in 1950 ondertekende met een bescheiden ‘A.’ – schuilt een liefdesdrama dat Alberts zijn leven lang heeft verzwegen: ‘De Parisienne en het Marshallplan’. Het decor is een terras aan de rue Soufflot in Parijs. Een naamloze Fransman, de ik-figuur, wordt verliefd op een vrouw, maar zij negeert hem. Zijn minnaarskwaliteiten blijken weinig voor te stellen als het erop aankomt. Besluiteloosheid en sloomheid doen hem uiteindelijk de das om.

Het plotje is eenvoudig: twee Amerikanen strijken neer op het terras bij de verliefde Fransman. Het gesprek gaat over de vrouw, die aan een tafeltje in hun buurt gaat zitten. De directe reacties van de Amerikanen liegen er niet om: ze is als een portret van Degas en ze zou ‘boudoir talent’ hebben. De Pernod drinkende ik beheerst zich. Na het vertrek van de Amerikanen bedenkt de verliefde Fransman dat hij ‘haar als een Franse offerande’ had willen aanbieden, als deel van het Amerikaanse Marshallplan voor West-Europa.

De dag erop keert de vrouw terug naar het terras en kijkt de ik-figuur even peinzend aan voordat ze gaat zitten. ‘Ik besloot nog een kwartier te wachten. In dat ene kwartier is de liefde in mij opgebloeid en gerijpt. Ik geloofde in haar, ik geloofde in mezelf en ik wilde me niet haasten.’ Maar net voordat hij naar haar wil toe gaan duikt een van de Amerikanen op. Beide mannen drinken wat en de Amerikaan zegt: ‘She certainly is some woman.’ Waarna hij resoluut op haar af stapt, haar begroet en zijn grote handen om haar armen legt. ‘Hij tilde haar bijna op uit haar stoel en zo gingen ze samen weg. Toen ze langs me kwamen, zwaaide hij nonchalant in mijn richting. Ze keek naar hem op. Ze keek lachend naar hem op. Ach, ik wist wel dat zij zo kon lachen.’ Et voilà, de passieve Fransman trekt aan het kortste eind.

Dat overkwam Bert Alberts ook, in 1938 in Parijs toen hij daar stage liep bij het ministerie van Koloniale Zaken. Hij was hopeloos verliefd op Liesbeth Dobbelmann, het jonge zusje van zijn Apeldoornse hbs-vriend Louis Dobbelmann. Maar zij werd zwanger van een ander, een getrouwde Franse beeldhouwer. Het enige wat gentleman Alberts kon doen was haar, een ongetrouwde zwangere vrouw, een aanbod doen: trouwen. En ze gingen inderdaad eind 1938 zogenaamd in ondertrouw, in Den Haag, hoewel die manoeuvre bij de Burgerlijke Stand aldaar alleen Alberts’ initiatief was. Maar van een huwelijk kwam niets terecht omdat Liesbeth Dobbelmann een ongewisse toekomst in Indië niet zag zitten.

Alberts had zich vastgelegd. Hij móest in september 1939 naar Nederlands-Indië als aspirant-controleur. Hij had geen keuze meer, zij wel. Die dramatische liefdesaffaire zou zijn hele leven lang nadreunen, tot in zijn laatste roman De vrouw met de parasol (1991).

‘Niet zelden kon men hem op woensdag in alle vroegte aantreffen aan een tafel bij het raam van café Scheltema’

Alberts trad in vele gedaantes op in zijn krant, want er was ook nog Andries Bestebloem. Die columnist van De Groene schreef in 1954 ‘Brieven uit IJdijke’. Achter dit lieflijke pseudoniem zat de kersverse redacteur Bert Alberts. IJdijke stond voor Amsterdam. Bestebloem omschreef zichzelf als een oudere, rustige, redelijke en ouderwetse man, een eenvoudig commerçant met een flexibel kantoorleven buiten de spits, een chauvinistische Amsterdammer en een ‘liberaal van de oude stempel’. Zijn thema was het politiek-sociale leven in de hoofdstad: het openbaar vervoer, poëzie in de gemeenteraad, concurrentie met andere steden, de forens, standsuitbreiding (Osdorp) en stadsgeschiedenis (de door de illegale cpn geïnitieerde Februaristaking van 1941).

Medium katern 2  pagina 5
Alberts in zijn werkkamer bij De Groene Amsterdammer, jaren zestig. Foto gemaakt door Philip Mechanicus © Philip Mechanicus

Een van de columns is opmerkelijk omdat daarin een zekere Dalem opduikt, een naam die pas twintig jaar later terugkeert maar dan in Alberts’ bestsellerroman De vergaderzaal. Bestebloem blijkt via zijn Haagse koopmansfamilie te maken te hebben met de oprichting van de Utrechtse Jaarbeurs, die ook een piepkleine subsidie van honderd gulden krijgt van de Amsterdamse Kamer van Koophandel. Een beledigende fooi?

‘Onze burgemeester heeft gelijk. Als wij in IJdijke een beurs willen houden, dan behoort men in Domwijk [Utrecht] te zeggen: O, juist, wilt U in IJdijke onze klanten zien verschijnen? Jongens, vort! Naar IJdijke. En we verbieden jullie om hier terug te komen, voor je in IJdijke bent geweest. Dit is ware eerbied, verschuldigd aan de hoofdstad des lands. En wat die honderd gulden betreft, ik zal daar gauw eens over moeten gaan spreken met mijn vriend Dalem, die in het bestuur van de IJdijkse Kamer van Koophandel zit. Zijn ze dol geworden? Kunnen we hier ons geld niet beter gebruiken?’

Na de overpeinzingen maakt Bestebloem een Nescio-achtige wandeling ‘langs de buitenzijde van de oudste stad’ en ziet hij het verleden opdoemen dankzij de dreigende stadswallen en een wachttoren. Alberts zou in de loop der jaren vele van die wandelingen aan de rand van de uitdijende stad in zijn weekblad optekenen. Een bloemlezing daaruit zou een gedetailleerd en pittoresk beeld van Amsterdam en omstreken rond 1960 opleveren.

Eind 1976 blikte de pas gepensioneerde rijksambtenaar Bert Alberts in zijn eigen weekblad terug op honderd jaar De Groene Amsterdammer. Hij ging specifiek in op de eerste naoorlogse jaren, toen de Indonesië-kwestie de gemoederen verhitte en de Koude Oorlog hoog oplaaide. In januari 1952 had een aantal Nederlanders een vredesbeweging gesticht: de Derde Weg. Zij zagen dat de massa zich achter het ‘vrije Westen’ schaarde en dat een kleine minderheid de voorkeur gaf aan het ‘Oosten’. De beweging deed een beroep op hen die naar beide kanten onafhankelijk wilden blijven. Zij wees wel op de ‘fasciseringstendentie’ van het militarisme. Het Derde Weg-manifest stond begin 1952 in De Groene en een begeleidend commentaar onderschreef die politieke gedachtegang. De krant zou de alternatieve beweging ‘als die van een wapenbroeder’ volgen.

Alberts’ commentaar als deskundige die toen op de eerste rij zat is geestig. Nooit had hij bespeurd dat De Groene na 1952 in woord en daad de Derde Weg had bewandeld. Het wapenbroedervoornemen had, wist hij, alleen ‘in de redactionele hoofden en harten plaatsgevonden’. Het blad ging gewoon op de oude voet verder, dat wil zeggen dat ‘De Groene van niemand hoefde te leren hoe ze het politiek gebeuren van commentaar moest voorzien’. Waarop Alberts met een anekdote kwam over een Amerikaanse correspondent die Nederlandse krantenredacties bezocht. Eenmaal op de Groene-burelen formuleerde de Amerikaan het als zijn overtuiging dat de andere bladen met ‘sneaking admiration’ naar het oudste weekblad keken…

Toch broeide er in de Koude Oorlog wat op die burelen, voor Alberts’ vriend Anton Koolhaas een reden om ontslag te nemen. Het blad was hem te ‘crypto-communistisch’ geworden, althans, die indruk heerste bij veel buitenstaanders. Wat was de werkelijke koers? De krant weigerde alleen maar in het grote koor van rabiate anticommunisten mee te zingen. De Groene-toon was ook niet systematisch anti-Amerikaans. Toch een beetje de Derde Weg? Niet echt, het blad paste er slechts voor in rigide Oost-West-sjablonen of zwart-witschema’s te denken.

Eén voorbeeld volstaat. In het najaar van 1948 was er in Madioen op Java een communistische opstand uitgebroken. Die werd hard aangepakt door Soekarno. De Groene (lees: Alberts) bleef consequent achter de Republik Indonesia en haar onafhankelijkheidsstreven staan. De Moskou-getrouwe cpn echter – die in de jaren dertig nog de leus ‘Indië los van Holland, nu!’ had gevoerd – stemde eind 1949 tegen de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië vanwege het neerslaan van de Madioen-opstand en de anticommunistische koers van Soekarno. Ook in de jaren vijftig en zestig bleef Alberts in zijn commentaren welwillend tegenover de Indonesische staatsman staan.

Parool-voorman en ex-cpn’er Frans Goedhart vond een van Alberts’ artikelen over de moeizame verhouding tussen Nederland en Indonesië nota bene een ‘communistische’ strekking hebben. De liberaal Alberts sloeg hard terug door fijntjes te wijzen op de blinde rancune die heerste onder veel ex-gestaalde kaders. Alberts een communist? De Groene-redactie was verbijsterd over die pavloviaanse aantijging van Goedhart.

In zijn necrologie somde Han Lammers op waar Alberts zoal over heeft geschreven in zijn eigen weekblad en hoe breed hij georiënteerd was, al zei hij in interviews dat de politiek hem au fond niet interesseerde. ‘Een paar voorbeelden: Nieuw Guinea, de oorlog in Vietnam, de Algerijnse kwestie, ja of nee blijvende deling van Duitsland, het gaullisme, de Navo, het fascisme in Portugal, Griekenland, de Koude Oorlog, Latijns-Amerika, Cuba, de opkomst van de eeg. (…) Doorgaans deed hij dat bij onze opmaakredactrice Joke Reynders in haar werkhok. Niet zelden kon men hem op woensdag in alle vroegte aantreffen aan een tafel bij het raam van [café] Scheltema, naast het Algemeen Handelsblad, waar De Groene Amsterdammer gezet en gedrukt werd. Daar zat Bert Alberts volop als de krantenman die hij ook is geweest.’

Die gedaante van de schrijver A. Alberts is te lang onzichtbaar gebleven. Het wordt tijd om dat eenzijdige beeld te corrigeren en tegelijk te benadrukken dat de van nature zeer bescheiden Bert Alberts veel belangrijker en gezichtsbepalender voor De Groene Amsterdammer is geweest dan journalistiek en literair Nederland jarenlang enigszins gemakzuchtig heeft aangenomen.


Dit artikel is speciaal geschreven voor _De Groene en gebaseerd op Leven op de rand: Biografie van A. Alberts. _Deze biografie door Graa Boomsma verschijnt op 16 februari bij Van Oorschot