De sheherazade van boekelo

Hij schrijft onvermoeibaar voort, maar zijn lezerskring kalft af. Zijn boeken lijken slechts besteed aan zeer geoefende en professionele lezers. Deze vrijdag viert Willem Brakman zijn 75ste verjaardag. Gesprek met een schrijver uit noodzaak.
AAN ZIJN WERK ligt het niet. Dat is goed. ‘Ik ken geen slechte boeken van mijzelf. Dat zou ik weten, als dat zo was.’

Dus zijn er andere oorzaken voor het gebrek aan interesse, zoals bijvoorbeeld een interview met een slechte foto. ‘Ik heb een moeilijk te fotograferen gezicht. Dat hoofd van Mulisch scheelt een aantal drukken. Dat is een intelligente en goed gesneden kop, met de suggestie: uit dit hoofd kan geen slechte tekst komen. Terwijl ik van mezèlf foto’s ken die huiveringwekkend slecht zijn. Ik heb mezelf gezien als grijnzende Chinees. Een lach die nergens op leek. Vroeger dacht ik: o, onbelangrijk, men kijkt door de materie heen naar het wezen. Maar zo is het niet.’
Begin jaren tachtig hoefde Brakman zich niet te bekommeren om een rare grimas. De P.C. Hooftprijs 1980, toegekend voor zijn gehele oeuvre, gaf de wind in de rug. Nieuwe boeken beleefden herdrukken en oud werk kwam weer beschikbaar. Maar dat is lang geleden. Zijn oeuvre is in de tussentijd in omvang verdubbeld en een herdruk kan de schrijver zich niet meer heugen. De huidige oplagen benaderen die van een debuutroman. 'Ik zou mijn publiek graag wat uitgebreid willen zien, maar niet in die dimensies die men op het ogenblik zo bejubelt. De hoogte van de oplage bepaalt de kwaliteit niet. Het enige wat ik wil, is dat er althans een publiek is dat wèl in mijn werk doordringt.’
Een nieuwe onderscheiding zou weer wat leven in de brouwerij kunnen brengen. Maar welke? De F. Bordewijkprijs kreeg hij al in 1979 en de Constantijn Huygensprijs lijkt een gepasseerd station. 'Anton Korteweg vertelde me eens: wie de P.C. Hooftprijs heeft gehad, kan niet meer de Constantijn Huygensprijs krijgen. Dat vind ik dwaas. Ook jammer, ik kan dat niet ontkennen. Als ik zeg: de P.C. Hooftprijs is de hoogste prijs, dan vind ik eigenlijk dat daar een soort bevestiging van moet komen later, op een of andere wijze.’
De jaren negentig brachten hem wel de Brakman Kring, een gezelschap van ongeveer tachtig getrainde en trouwe lezers. 'Van die belangstelling geniet ik, dat vind ik heel plezierig. Ik weet dat er wel eens snerend over wordt gedaan, alsof het een naaikringetje is, maar het heeft echt niveau.’
IN ZIJN BUNGALOW in Boekelo staan ze in de kast: de twee dissertaties over zijn werk. De bekroning van een jarenlange academische belangstelling en een stortvloed aan afstudeerscripties. Gemengde gevoelens heeft Brakman over de universitaire leeswoede. Zeker, hij is vereerd met de Brakman-exegese. Tegelijk beseft hij dat de academisering van zijn werk lezers weghoudt van de boeken. 'Ja, ik geloof dat het funest is.’
En dan is er nog het positieve oordeel van die andere categorie 'beroepslezers’: de recensenten. 'Ik heb over kritieken nooit te klagen gehad. Maar het zijn juist de gùnstige kritieken die mij de das omdoen. Als ze schrijven: “moeilijk, maar alleszins de moeite waard”, of: “een taalfeest voor kenners”, dan betekent dat de ondergang van een boek. Want wij leven in een leescultuur die zich aanpast aan ons culturele niveau: alles moet met een druk op de knop afroepbaar zijn. Terwijl een van de grote charmes van de literatuur is, dat iets fascineert zonder dat daar direct de oplossing tegenover staat. Er is niets mooiers dan dat de geest zichzelf tot het uiterste inspant om in zijn macht te krijgen wat eigenlijk aan de macht van de geest ontsnapt. In de literatuur wordt men ook geconfronteerd met dat wat misschien wezenlijk is voor de realiteit van ons bestaan, die niet gebonden is aan een oplossing maar aan de pógingen om iets op te lossen. Een goed boek is niet geschreven om het einde, maar het einde is de weg die je hebt afgelegd.
Dat vind ik de hoogste vorm van lezen. Maar die vorm geldt niet meer in deze tijd, waar een verwachtingspatroon zo snel mogelijk moet worden ingevuld, waar zinnen niet langer mogen zijn dan vijf woorden, waar het altijd moet gaan om modieuze onderwerpen en waar je absoluut maar dan ook absoluut geen enkel raadsel meer in een boek aantreft. Het is een boekske in een hoekske.
Het gemiddelde boek van deze tijd behoort niet alleen tot de kunstindustrie maar ook tot de vermaakindustrie. En daar valt de literatuur weg. Dan blijft er nog een refugium over, een soort natuurreservaat waarin de geest zichzelf nog ontmoet in zijn uiterste dimensie. En daar leef ik, op die plek in de cultuur waar een van zijn hoogste vormen overwintert. De rest is puin, verstrooiing.
Neem deze woongemeenschap. De mensen hier weten alles van elkaar. Ze weten ook dat ik een schrijver ben. Ze zijn altijd zeer verguld als er een mooie kritiek staat, maar vragen nooit: wat is dat voor een boek? Dat komt niet in hun hoofd op.’
'Een verwend lezer is een verwaarloosd lezer’, gaf hij als motto mee aan zijn essaybundel over literatuur De jojo van de lezer (1985). Een schrijver die werkelijk aandacht besteedt aan zijn lezers, vergt het uiterste. Brakman was niet altijd veeleisend. In zijn beginjaren rolde hij ook nog voor de luie lezer de loper uit. Zijn debuutroman Een winterreis (1961), die werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, prijkt nog altijd op literatuurlijsten van middelbare scholieren.
Gaandeweg kwam de kentering en kreeg de vormproblematiek meer nadruk. De vertellers werden tomeloos en onbetrouwbaar, zodat de lezer niet meer weet waar hij aan toe is. Het taalgebruik werd extravagant. En met het literaire erfgoed werd steeds vrijer omgesprongen, zoals in De bekentenis van de heer K. (1985), dat een soort weerspiegeling is van Kafka’s Der Prozess.
Bovendien ging Brakman steeds vaker voortborduren op eigen werk. Oude romanfiguren werden bijvoorbeeld weer tot leven gewekt, zodat het oeuvre met terugwerkende kracht tot een eenheid werd gesmeed. De ontwikkeling in de boekenreeks is niet een ontwikkeling in de tijd, zoals bij Marcel Proust, maar de wording van een steeds dichtere samenhang. 'Daardoor ontstaat als het ware een boventijdelijke totaliteit. Ik geef mijn teksten de grootst mogelijke dichtheid door allerlei perspectieven. Het is één grote samenhang, ook de verhalen die verteld worden in verhalen. Ik creëer een dichtgeknoopt weefsel dat dwingt tot een betekenis.’
De oerbron van dit schrijven moet worden gezocht in Brakmans jeugd. 'Ik heb altijd heimwee gehad naar het enorme ervaringsvermogen dat ik had als kind. Dat heimwee heeft zich ontwikkeld tot een bepaalde vorm van denken. Niet het rationele denken maar een heel ander denken dat minder formeel is, minder abstract en dat het impulsieve omvat, het spontane, dat wat nou eens niet door begrippen te omvatten is maar er altijd aan ontsnapt. Dat denken heb ik in de loop van al die boeken ontwikkeld. Zodat ik bewuste en onbewuste elementen een rol kan laten spelen. En de moed kan opbrengen om bepaalde thema’s tot een extreem te leiden.’
DE LEZER die zich waagt in het Brakman-universum, stort zich in een avontuur. Ook voor de schrijver blijft de afloop tot het laatst ongewis. 'Ik werk nooit met een schema, zoals Vestdijk dat deed. Voor mij is schrijven dag in dag uit: wat nou? Dat is een soort van schrijven waarin de geest maximaal aanwezig is. Daar vind je ook de grote verrassingen, de invallen. Het is de enige vorm van schrijven waarbij ik me niet verveel.’
Toen hij nog praktizerend bedrijfsarts was in Enschede schreef hij altijd en overal. Zelfs tussen twee keuringen door. Sinds zijn pensionering hecht hij aan regelmaat. Elke ochtend bezoekt hij zijn werkkamer, ook op zon- en feestdagen. Nu en dan schrikt mevrouw Brakman op van een harde lach want de 'gekste verteller van de Nederlandse literatuur’, zoals criticus Willem Kuipers hem ooit typeerde, heeft nog altijd schik in zijn missie. ’s Middags klimt hij vaak op de fiets, vergezeld van een notitieboekje. 'Fietsen is zeer inspirerend, omdat dan een zekere fysieke onrust onder de pannen is en de geest vrij. Vrijer, zwaartelozer dan wanneer je in de houding van Rodin op een stoel zou zitten. Want, daar ben ik van overtuigd, dan komt er geen enkele gedachte. Maar als ik heel prozaïsch fiets, en hier is de omgeving schitterend, kan ik mij langzamerhand steeds meer verdiepen in de moeilijkheden met een roman of een essay. De trefwoorden schrijf ik op.’
De gelukzaligen luidt de titel van Brakmans nieuwe roman, die binnenkort verschijnt. Het boek werd, zoals de overige 41 titels, geschreven met balpen en potlood, één keer met de vulpen en twee keer met de schrijfmachine. Brakman hecht aan het oude handwerk, een tekstverwerker is aan hem niet besteed. Jarenlang vervaardigde hij de getypte versies op een Remington uit de jaren twintig. 'Dat was een soort carillon. Tegen een weerstand ín schrijven is belangrijk. Ik kon dat beleven aan die Remington. Iemand die tekst hakt in een steen kijkt wel uit om onnodige woorden te gebruiken.’
Een onwillige halszenuw, waardoor zijn linkerhand niet meer optimaal functioneert, dreef hem naar de elektrische schrijfmachine. 'Dat is voor mij een uiterste, want aan een tekstverwerker begin ik nooit. De blik naar voren is niet de blik naar beneden. Als ik naar beneden kijk, kijk ik een gebied in waar ik thuis ben. Als je werkbladen ziet van Vestdijk of van Proust, dan zie je dat die mensen naar beneden kijkend zich als het ware steeds dieper waagden in dàt gebied dat ik niet aarzel om het gebied van het innerlijk te noemen. Als ik naar beneden kijk, dan komt er wat. Maar kijk ik in dat rotscherm, dan komt er niks.’
Het typen van de laatste versie beschouwt hij als een feest. 'Zoals iemand die fijn dineert het lekkerste tot het laatst bewaart, zo is het ook met schrijven. Bij de laatste versie komen de verrukkingen van het schrijven. Al het denkwerk is achter de rug, al het gepuzzel, alle onzekerheden, de doffe momenten als er niks komt. Al het werk is gedaan en het enige wat er dan overblijft, is ervan te genieten. Er ontstaat dan op vele plaatsen glans en schittering: een woord erbij, een woord eraf. Dat is het mooiste van het schrijven.
En daarna komt dan de rotste periode, want als het afgelopen is, ben ik mijn huis kwijt. In de zes, zeven maanden dat ik een roman schrijf, woon ik in dat boek. Ik ben een slechte slaper, maar ik heb één troost: als ik niet kan slapen, kan ik mijn boek in. Er ligt altijd een notitieboekje naast mijn bed.’
DE LAATSTE ZIN van De gelukzaligen - 'Hoe ingewikkeld was toch alles’ - zou een mooie afronding kunnen betekenen. Maar aan stoppen denkt hij niet. Schrijven is voor Brakman geen keus maar noodzaak. Lezers of geen lezers. 'Sheherazade moest praten, vertellen, anders zou ze ter dood worden gebracht. Iets dergelijks heb ik ook. Als ik niet zou schrijven, zou in elk geval díe vorm van leven ophouden waar ik veel waarde aan hecht. Daar mag ik niet aan denken.’
'Onze binnenwerkelijkheid’
DE REDACTEUR - Dichter Jan Kuijper is sinds midden jaren zeventig de vaste redacteur van Brakman bij uitgeverij Querido.
'Als ik twee zinnen lees, weet ik dat het van jou is’, voegde hij de schrijver ooit toe. Door Brakmans eigen stemgeluid heeft de redacteur het niet makkelijk. 'Ik blijf het moeilijk vinden, want je moet je als redacteur instellen op die bijzondere stijl. Je moet werken in het stijlregister van Brakman. Dat doe ik heel terughoudend. Het is geen herschrijven. Noem het een retouche.’
Kuijper typeert zichzelf als 'een groot liefhebber’ en het oeuvre als 'realisme van het zielenlandschap’. In één zin: 'Het werk gaat niet over de ons omringende werkelijkheid maar over onze binnen-werkelijkheid.’
DE DOCENT - Al meer dan twintig jaar geeft Gerrit Jan Kleinrensink Nederlands aan het Hendrik Pierson College in het Gelderse Zetten. Eind jaren zestig kreeg hij van een vriend Het godgeklaagde feest cadeau. 'Ik was niet meteen razend enthousiast, maar ik wilde wel meer lezen van Brakman.’ Het was het begin van een tijdrovende verslaving.
Inmiddels geldt Kleinrensink, die voorzitter is van de Brakman Kring, als een kenner. 'Ik wil weten waar het over gaat en daar kom je bij Brakman niet gauw achter. Bij herlezing word ik steeds weer verrast. En daardoor ga je meer begrijpen van een boek. Met herlezen kan ik, zonder mij te vervelen, langdurig bezig zijn. En dat geldt bij mij lang niet voor alle auteurs.’
DE RECENSENT - Het eerste boek dat Tom van Deel voor Trouw recenseerde, was Kind in de buurt (1972). Daarna sloeg hij geen titel meer over. Al die tijd oordeelde hij positief over het werk, zodat Brakman hem eens omschreef als 'mijn ideale lezer’. Van Deel waardeert vooral de humor. 'Ik ken geen enkele schrijver die zo ontzaglijk animerend en geestig kan vertellen. De lichtvoetigheid, het smakelijke vertellen - daar moet ik altijd vreselijk om lachen. Het genieten neemt toe naarmate je achter een boek nog meer boeken van Brakman kunt denken. Het is net of elke nieuwe titel alle eerdere boeken een beetje heeft opgegeten. Neem buurvrouw Paap, die keert steeds weer terug. Daarom benijd ik de mensen niet die er nú nog in willen stappen, want dat is een hele toer.’
DE HOOGLERAAR. Ton Anbeek, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden, heeft tot nu toe vier, hooguit vijf boeken gelezen van Brakman. Daar zal het wel bij blijven. 'Er zijn mensen die hem de hemel in prijzen. Maar ik vind het gemummel van een oude man die zijn gebit uit heeft en niet meer kan ophouden. Brakman breit elk jaar een boek. Maar als je er één gelezen hebt, ken je ze allemaal. Het is allemaal van dezelfde zogenaamde grappigheid. De interviews lees ik ook niet meer, want die zijn van een afgrijselijke pompeusheid. Men waardeert Brakman vooral omdat hij met opzet niet-realistisch is. Maar het gaat bij hem alleen om het vertellen van een verhaal en niks anders. Ik vind dat een oninteressante vorm van postmodernisme.’