Hoofdcommentaar

De sigarendoos van het cda

Voor het cda is de val van het eigen tweede kabinet-Balkenende in ieder geval geen verrassing geweest. Nog geen twee maanden na het fiasco van hun regeringsleider in de nacht van Cyaan Iris Mali hebben de christen-democraten hun programma en kandidatenlijst al klaar. Uit dit tempo spreekt zelfvertrouwen. Met het programma Vertrouwen in Nederland, vertrouwen in elkaar heeft de partij zich bovendien op klassieke bodem genesteld: tegen de staatsfetisjisten van de pvda én tegen de individualisten van de vvd. Niet de staat noch de enkeling maar de gemeenschap moet de macht krijgen. «De Nederlandse samenleving is een veelkleurig mozaïek. (…) Samenleven met al die verschillen kan echter alleen als we vertrouwen in elkaar hebben. Het fundament daarvoor ligt in de waarden die we delen. (…) Daarom is een gericht gezinsbeleid nodig», aldus het programma. En zo gaat het 68 pagina’s voort en verder.

Onderschat de electorale kracht van deze snaar (het gezin) niet. In de peilingen van Nova en De Hond mag de pvda dan weer wat uitlopen op de regeringspartijen, dat zegt geen snars. Zeker nu de vvd aan de vooravond van de verkiezingscampagne een instabiele indruk maakt – vernieuwing is leuk, kaalslag niet – is het cda alles behalve afgeschreven. Niet toevallig is het programma tégen de pvda toegesneden. Door de aow onaangeraakt te laten – het woord komt twintig keer in het programma voor, meestal voorzien van het epitheton «gehandhaafd» of «ongewijzigd» – houdt het cda de pvda in het defensief.

Wouter Bos kan onvermoeibaar uitleggen dat de christen-democraten aan de voordeur de enveloppe met staatspensioen weliswaar ongeschonden blijven afleveren, maar dat ze aan de achterdeur de poen via duurdere zorg weer komen ophalen, dat de stabiele aow-uitkering van het cda zelfs geen sigaar uit eigen doos is als die partij het basispakket van de ziektekosten gaat scheren of de splitsing van de staatsverzekering awbz doordrukt. Maar hoe vaker Bos dat herhaalt, hoe meer aandacht hij vestigt op het eigen gescharrel met de details van de door zijn pvda voorgenomen «fiscalisering van de aow».

Bos kan slechts hopen dat de verwarring over de vraag of de «vergrijzing» extra maatregelen vereist, doorettert. cda-econoom Lans Bovenberg, die dat anders dan de partijtop wel denkt, is zijn belangrijkste bondgenoot. Want aan dat andere hamerstuk van het cda is voor de pvda veel minder eer te behalen: de bureaucratie.

Ach ja, bureaucratie. Wie geld zoekt in het publieke domein, roept heel stoer bureaucratie en gaat ervan uit dat de burger vervolgens klappend langs de kant staat. Het woord bureaucratie komt in het verkiezingsprogramma van het cda negenmaal voor, meestal in combinatie met de woorden «overbodig» en «veel», gevolgd door de oplossingen «minder» en «verdwijnen». Het meest drastische plan van het cda is om slechts één op de vier ambtenaren die met pensioen gaan, te vervangen. Dat klinkt veelbelovend. Ruim veertig procent van de circa 120 duizend bureaucraten in dienst van de rijksoverheid is vijftig jaar of ouder. Dat zijn toch mooi 35 duizend staatsklerken minder tegen het jaar 2020. In de «financiële bijsluiter» van het cda heten dat «uitverdieneffecten», het omgekeerde van de «inverdieneffecten» waarmee de pvda van Joop den Uyl indertijd de baten en lasten vaak kloppend wist te krijgen. Deze christen-democratische rekensom is de komende vier jaar goed voor 2,5 miljard euro besparingen. «Straffen worden in het algemeen zo uitgevoerd dat er een stevige prikkel is om het leven te beteren», aldus de tekst als het gaat om criminaliteit. Met die daadkracht kan het cda ook de ambtenaren te lijf.

Maar zal het ook zo gaan? Nee! Hoe meer er tegen de bureaucratie wordt gestreden, des te harder die groeit, zij het buiten het zicht. Het ontbureaucratiseren van de maatschappij is simpelweg een hopeloze opgave.

Natuurlijk kan de regering het eigen personeelsbestand terugdrukken of kan een gemeente de plantsoenendienst opheffen. Net zo goed is het mogelijk om departementen te verbieden om ambtenaren die zich na een proces van outsourcing hebben geprivatiseerd, als consulent terug te huren tegen een onvoorzien uurtarief. Maar het venijn blijft in de staart zitten. Een vergunning meer of minder zet geen zoden aan de dijk. De Nederlandse maatschappij laat zich alleen in schijn dereguleren.

Sinds de overheidsbureaucratie de oorlog is verklaard, zo’n tien jaar geleden, heeft de bureaucratie zich namelijk verplaatst. Ten eerste omdat de vrijemarkteconomie die Nederland is geworden, meer en meer marktmeesters vereist. Op afstand van de staat is een woud van «autoriteiten» ontstaan: van de Opta die de kpn in de gaten moet houden tot de afm die de «durfkapitalisten» aan de beurs bespiedt. Ten tweede omdat de overheid allerhande uitvoeringstaken heeft «uitgeplaatst»: van de NS die hun eigen spoorboekje kunnen samenstellen tot het cwi dat de uitkeringen aan werklozen verstrekt.

Al deze «agentschappen» en «zelfstandige bestuursorganen» (zbo’s) zijn simpelweg bureaucratische instellingen. En ze groeien. Het personeelsbestand van de Informatie Beheergroep (lesgeld en studiebeurzen) is sinds 2004 met zeven procent gegroeid. Het Korps Landelijke Politiediensten (geloof het of niet, deze staatsdienst, de nationale politie in statu nascendi, is een zbo) is sinds 2001 met ruim 27 procent gegroeid. En de Rijksdienst voor het Wegverkeer betreurt het in zijn jaarverslag over 2005 dat de «begrote groei van 1381 naar 1423 fte is blijven steken op 1384 fte», waarbij fte staat voor «full time equivalent».

Het is zelfs nog gekker. Niemand weet in Nederland hoeveel mensen er bij de agentschappen en zelfstandige bestuursorganen werken. Zelfs de Raad voor het Openbaar Bestuur moet op zo’n eenvoudige vraag, die zelfs Cees van der Hoeven in zijn hoogtijdagen bij Ahold dacht te kunnen beantwoorden, het antwoord schuldig blijven.

De kwestie is te ingewikkeld. Maar niet voor het cda dat in zijn programma suggereert dat de kist sigaren zo vol is dat er nog ongemerkt wat rokertjes zijn uit te delen.