De slaaf en de tiran

Vriendschap lijkt voorbehouden aan mannen. Vrouwen zijn er minder goed in. Herlezing van De vriendschap van Connie Palmen betekent een schok van herkenning.

Literaire vriendschappen tussen schrijfsters zijn zeldzaam. Ja, je had Betje Wolff en Aagje Deken, en Gertrude Stein en Alice B. Toklas, maar met terugwerkende kracht zijn dat liaisons à la Anna Blaman en hoe heet ze, zuster B. Even beklemmend als vernietigend. Er is er altijd één die de baas is en de ander de waterdraagster. Eén is het genius, de ander het publiek.

Omdat vrouwen moeten opereren in oorlogsgebied, maakt dat ze ook wat strategischer in hun allianties. Stel je toch voor, mijmerde een literatuurwetenschapster begin jaren tachtig vorige eeuw, dat Katherine Mansfield en Virginia Woolf elkaar waren tegen gekomen. De nuchtere waarheid is dat ze elkaar waarschijnlijk zo snel mogelijk voorbij waren gelopen. Sterker nog: misschien hebben ze dat gewoon wel gedaan. Henriëtte Roland Holst, Mary ­McCarthy, Susan Sontag: stuk voor stuk queen bees, florerend in mannengezelschappen, en niet echt ‘van de vriendinnen’. Toen Kristien Hemmerechts en Patricia de Martelaere beiden voor een literaire prijs waren genomineerd, zei Hemmerechts dat ze blij was dat er nog een vrouw was genomineerd, waarop De Martelaere zei: 'Ik niet. Ik ben graag de enige vrouw.’

Vriendschap lijkt voorbehouden aan mannen, omdat ze er een stuk ontspannener mee omgaan. Behalve concurrentie, en de daarmee gepaard gaande jaloezie, is er nog iets anders aan de hand. Vrouwen kennen niet de terughoudendheid die vriendschap vereist. Anders dan vrienden moeten vriendinnen bijvoorbeeld altijd van elkaar weten waar ze staan, op de ladder van intimiteit. Of ze wel echt elkaars beste vriendin zijn. Wat daarbij dan wel weer scheelt: het alleen maar benoemen als zodanig is meestal al voldoende. Waar vrienden zwijgend samen een balletje slaan, zijn vriendinnen er goed in elkaar met woorden bezig te houden. En te sussen.

Parole parole.

Vrouwen willen te veel inzake vriendschap, vond Nietzsche al. Dat te veel vertaalt zich in ofwel gedienstigheid of overweldigende hartstocht. De vrouw is (nog) niet tot vriendschap in staat, omdat al te lang in haar een slaaf en een tiran zijn schuilgegaan. Eigenlijk kennen vrouwen slechts de liefde.

Die slaaf-tirantheorie lijkt nog steeds wel een snaar te raken, zeker als je denkt aan hoe vriendschappen tussen vrouwen/meisjes beginnen. Daarover zijn overigens meer films gemaakt dan romans geschreven. La vie rêvée des anges, Heavenly Creatures, Ghost World, Water Lilies, My Summer of Love, Stella… Sterke, onvergetelijke verbeeldingen van de magie van de ontmoeting tussen twee tegengestelde naturen die in elkaar een onweerstaanbare fascinatie wakker maken, op het obsessieve af. Daarbij is er altijd één die de ander op het idee brengt. En één die de ander uiteindelijk verraadt. Net zoals dat in de liefde gebeurt.

De mooiste, en diepzinnigste, roman op dat gebied is nog steeds zonder twijfel De vriendschap van Connie Palmen. Een roman die precies twaalf jaar geleden verscheen en ter gelegenheid van deze boekenweek in een nieuwe uitgave verschijnt. Palmen won er de Ako Literatuurprijs mee. Herlezing van het boek, de 36ste druk, betekent deels een schok van herkenning, zo zeer blijkt een aantal scènes in het lezersgeheugen verankerd, en deels een verrassing. In het licht van haar latere werk, met name I.M. en het vorig jaar verschenen Logboek van een onbarmhartig jaar, is De vriendschap Palmens eerste, even genadeloze als zelf­bewuste studie naar 'het drama van de afhankelijkheid’. Het je niet kunnen voorstellen dat die ander er ooit niet zal zijn, het heerlijke en angstwekkende gevoel zelf zonder lichaam te zijn en dat de ander alles opknapt voor twee. Dat de geschiedenis zich lijkt te herhalen in het leven van de schrijfster, zegt iets over de intensiteit van haar thematiek, het verlangen gebonden en onafhankelijk tegelijkertijd te zijn. 'Ik ben dertig en ik heb nog nooit liefdesverdriet gehad’, schrijft de protagonist in De vriendschap. 'Dat komt omdat ik nog nooit een liefde heb gehad die ik niet zou kunnen missen. Sinds mijn tiende ben ik geen moment van de dag zonder de wetenschap dat ik altijd iemand heb en die iemand dat is Ara.’

'Ze heeft het mooiste gezicht dat ik ooit gezien heb’, denkt de tienjarige Kit simpelweg als ze de drie jaar oudere Ara op een dag op het schoolplein ziet staan. 'Ze stond er op een manier, zoals ik nog nooit iemand had zien staan, met een soevereine nonchalance: uitdagend, trots en onverschillig.’ De moeder van Kit heeft liever niet dat haar dochter omgaat met Ara. Ze vindt haar fors, nors en rijp. 'Volgens mij is dat helemaal geen leuk meisje.’ Kit weet beter: 'Ze maakte het lawaai dat ik dempte, ze schond de wetten waaraan ik me onderwierp, ze veroverde de ruimte waarin ik onzichtbaar probeerde te zijn en in het niet wilde verdwijnen.’ De slaaf heeft haar tiran gevonden.

Alle gewone spelletjes, alle andere kinderen behoren onmiddellijk tot een andere, kinderachtige orde. Het is het begin van een aftasten, een hofmakerij, waaraan Kit zich uitlevert en voorgoed beseft: 'Machteloosheid, afhankelijkheid en weerloosheid zal ik altijd verbinden met liefde en geluk, altijd.’ Maar dan wel de ultieme manier vindt om het definitief aan te leggen met het object van affectie: een tekening voor haar maken. En dan nog, natuurlijk, daar ook het tekortschietende van beseffen. 'Hoezeer ik me er ook op verheugd had dat ze die tekening zou zien, opeens was mijn schaamte groter en was ik bang dat ze het belachelijk zou vinden, zo'n tekening met onze aaneengeklonken namen erop. Het was niet eens een echte tekening. Ik kon veel beter. Ze keek me een beetje verbaasd aan, maar stopte de tekening ongezien in de zak van haar jas. Daarna draaide ze zich om, doorkruiste met ferme passen de hal en liep naar buiten zonder naar mij om te kijken. Het was de gewoonste zaak van de wereld dat ik achter haar aanliep tot we het muurtje bereikten en dat ik me naast haar opstelde toen ze daar ging staan, zoals ze er vanaf de eerste dag stond.’

Wat volgt is de geschiedenis van een vriendschap/liefde die zo'n twintig jaar aanhoudt. Ook als er jongens ten tonele verschijnen, houdt het verbond stand, of in ieder geval het verlangen naar het verbond. De roman eindigt met een brief van Kit aan 'liefste Ara’, waarin ze zich uitput zichzelf te verklaren, haar besluit toelicht filosofie te studeren, probeert de angst van Ara te bezweren dat ze aan het veranderen is - 'ik moet veranderen, het kan niet anders’ - haar liefde voor 'Thomas’ te verexcuseren, 'het drama van de afhankelijkheid’ eens en vooral te beschrijven.

Pas nu ik heel rustig die laatste bladzijden opnieuw overlees, zie ik wat de schrijfster doet. Ze vraagt toestemming dit boek te mogen schrijven. Kennelijk heeft ze het er al over gehad, met 'Ara’, en was die er niet bepaald gerust op.

'Wat mijn boek betreft, zou ik willen dat je van gedachte veranderde. Ik kan je niet beroven van iets wat jij niet bezit. Mijn geschiedenis van ons behoort jou niet toe. Het is als de brieven die ik je stuurde: al die vellen papier zijn van jou, de inhoud blijft van mij. Over deze wonderlijke verbintenissen wil ik schrijven, meer niet.

Het is weer laat geworden.

Ik ga slapen, Ara.

Ik hou van je.

Zonder jou ben ik minder waard.

Als ik nu mijn wijsvinger in de lucht steek, doe jij dan ginder hetzelfde?’

De pech, als dat triviale woord hier op z'n plaats is, van deze roman is dat hij verscheen in de slag­schaduw van de plotselinge dood van Ischa Meijer, de geliefde van Palmen. Nog net kon een tekst van hem, over vriendschap en familie, als motto worden meegegeven aan de roman die eigenlijk al bij de drukker lag. Des te meer pech omdat De vriendschap het relaas is van een allesverzengende vriendschap die door dit plotselinge drama, uiteindelijk niet alleen in de roman, maar nu ook in real life een ding van behapbare proporties dreigde te worden, iets van voorbijgaande aard, iets wat het veld had geruimd voor een grotere, nóg verzengender liefde.

'Help mij dit boek weer naar de levenden te krijgen’ of iets dergelijks luidde de kop boven het interview van Elisabeth Lockhorn met Palmen in de best verkochte Opzij ooit. Maar natuurlijk ging dat gesprek vooral over rouw en verdriet en dood, en niet over de pas gepubliceerde roman. Wat ik me ervan herinner: dat Palmen zegt dat ze geen fantasie heeft, en dat haar broers het niet altijd leuk vinden wat ze schrijft. Dat haar vader de liefste man was, of in ieder geval de meest goeiige.

Zoals in De vriendschap over het gezin wordt geschreven - de rituelen van de maaltijden, de zorg om de al dan niet blowende broers, de migraine van de moeder - is in feite de voorbode van alle liefdesromans die Palmen nog gaat schrijven. Het verlangen naar absoluutheid, dat de ander álles is, dat zelfs een auto die afgedankt gaat worden tot in al zijn onderdelen gekust en bedankt moet worden. Noem het hysterie, het is wel een consequent soort hysterie.

'Ara en ik konden ons niet voorstellen dat we ooit niet bij elkaar zouden zijn. Ik zei tegen haar dat niemand mijn lichaam zo rustig kon maken als zij en zij zei dat ze altijd in mijn woorden wilde wonen.

Dat kwam goed uit.

Meestal waren ze ook voor haar bedoeld.’

In dat 'meestal’ schuilt dan al de angel, de voorbode van het onontkoombare verraad.

Voor anderen zal ze gaan schrijven, over anderen zal ze gaan schrijven. Anderen zullen net zo hard altijd in haar woorden willen wonen.

Parole parole.

De schrijfster wint het van de vriendschap.