Systeemgeweld in de jeugdzorg

De slachtoffers van morgen

Het rapport van de commissie-De Winter over decennia van fysiek en psychisch geweld in de jeugdzorg moet de politiek alarmeren. Want nog steeds is er sprake van verwaarlozing. Nu door ernstig bureaucratisch onvermogen.

Tieners in een slaapkamer van een internaat. Jaren zestig, plaats onbekend © Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad / ANP /Fotograaf onbekend

Wrang, het is moeilijk een ander woord te bedenken voor het feit dat de ene dag minister Blok van Buitenlandse Zaken nog eens benadrukt dat de regering niet van zins is IS-kinderen en hun ouders uit de detentiekampen van Koerdische strijders te repatriëren, terwijl de dag erna twee ministers, Hugo de Jonge en Sander Dekker, diep door het stof gaan voor de behandeling van kinderen van onmaatschappelijke gezinnen gedurende een groot deel van de twintigste eeuw. Waar de kinderen van zogenaamde asociale gezinnen lange tijd als een potentieel crimineel gevaar voor de samenleving werden gezien en met harde hand de les van het fatsoen moesten worden bijgebracht, worden de kinderen van IS-strijders nu gezien als mogelijke terroristen die we liever kwijt zijn dan rijk. En waar De Jonge en Dekker nu volop spijt betuigen dat we dat de kinderen nooit hadden mogen aandoen en dat het nooit meer mag gebeuren, laat de regering waar zij deel van uitmaken Nederlandse kinderen aan hun lot over, opnieuw omdat hun ouders niet deugen. Misschien is wrang nog een te vriendelijke typering daarvoor.

De Jonge en Dekker namen in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag het eindrapport in ontvangst van de Commissie Onderzoek naar Geweld in de Jeugdzorg. Een ongemakkelijk verhaal, zo vatte commissievoorzitter Micha de Winter, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Utrecht, het rapport samen, want gedurende de twintigste eeuw was een groot deel van de aan de overheid toevertrouwde kinderen aan de niet zelden aan sadisme grenzende willekeur overgeleverd van mensen die hun veiligheid, vertrouwen en bescherming moesten bieden.

Er is de nodige publiciteit over geweest, maar echt heel verrassend waren de bevindingen van de commissie niet. De brancheorganisatie van jeugdzorgaanbieders, Jeugdzorg Nederland, had haar excuses dan ook al klaarliggen voordat het rapport openbaar werd. Er is immers de afgelopen twee decennia een niet-aflatende stroom van verhalen op gang gekomen over misstanden in de wereld van de kinderbescherming, niet alleen in Nederland, maar eigenlijk in alle westerse landen. De rapporten van de commissie-Samson (2012) en de commissie-Deetman (2013) confronteerden ons land met de schokkende feiten dat seksueel misbruik in de jeugdzorg op een aanmerkelijk grotere schaal voorkwam dan ingewijden dat tot op dat moment voor mogelijk hadden gehouden.

Daarmee kwam de deksel van de doofpot en nu velt de commissie-De Winter een snoeihard eindoordeel: het toepassen van geweld is eigenlijk nooit weggeweest uit de jeugdzorg. Was het geen fysiek geweld, dan was het wel psychisch of onderling geweld, waar geen rem op stond. Van de tweehonderdduizend kinderen die sinds de Tweede Wereldoorlog naar schatting onder het beschermingsbewind van de overheid zijn gebracht heeft tien procent vaak tot zeer vaak geweld meegemaakt, slechts een kwart meldt nooit met geweld geconfronteerd te zijn. Dat is een trackrecord dat tot langdurige bescheidenheid zou moeten leiden.

Kinderen bij wie het eten in de mond werd gepropt, ook als het eten zichtbaar bedorven was

Voorzitter De Winter schrijft in zijn voorwoord dat hij de verhalen ‘zo schokkend en zelfs zo buitenissig’ vond dat hij zich ‘aanvankelijk nauwelijks kon voorstellen dat dit echt gebeurd kon zijn’. Kinderen die voor het aanzicht van de hele groep hun natte onderbroek in de mond gepropt krijgen om zo het bedplassen af te leren. Of met de riem afgeranseld werden, elke dag dat het weer gebeurde. Dan wel buiten moesten staan met het laken totdat het droog was. Kinderen bij wie het eten in de mond werd gepropt als zij hun bord niet leegaten, ook als het eten zichtbaar bedorven was.

Klappen, vernedering, opsluiting, isolatie. Het dramatische daarvan was vaak niet eens het geweld zelf, maar het feit dat de kinderen op geen enkele manier ergens gehoor kregen, dat ze in een omgeving die hun veiligheid en warmte had moeten bieden – en waar ze veelal terechtgekomen waren omdat anderen hadden beoordeeld dat hun thuismilieu dat niet kon bieden – dat ze daar op zichzelf, in eenzaamheid werden teruggeworpen en niemand meer hadden. Dat gegeven heeft vele levens langdurig verwoest, daarover laat het eindrapport geen misverstand bestaan.

Bijna duizend ex-pupillen zijn op de radar van de commissie gekomen en hebben hun verhalen verteld. Velen, vaak inmiddels dik de vijftig gepasseerd, deden dat voor het eerst. Al die jaren hebben ze het weggestopt. Ontegenzeggelijk raakt dat ook aan de belangrijkste functie van zo’n onderzoekscommissie: erkenning van de slachtoffers en letterlijk gehoor geven aan hun verhalen. Dat is ook meteen de eerste aanbeveling van De Winter cum suis. Deze kinderen zijn in de steek gelaten, de overheid heeft gefaald en staat bij ze in het krijt.

Of dat tot een ruimere financiële schadevergoeding leidt, daarover deden de ministers geen uitspraken. Daarover zal de komende maanden zeker nog het nodige te doen zijn. Tot nu toe was van ruimhartigheid in deze geen sprake. De Jonge en Dekker beloofden alleen beterschap, zodat ‘de kinderen van vandaag niet de getraumatiseerden van morgen zijn’ (De Jonge) en we ‘rechtdoen aan de slachtoffers van gisteren om de slachtoffers van morgen te voorkomen’ (Dekker).

Het meest dramatische? Dat de kinderen op geen enkele manier ergens gehoor kregen

Maar gaat dat ook lukken? Het eerste wat daarvoor nodig is, is dat de overheid nog eens heel goed reflecteert op haar eigen rol in de geschiedenis. Tot diep in de twintigste eeuw kenmerkte deze zich door een bewuste afzijdigheid. Tot in de jaren tachtig hebben non-interventie, terughoudendheid, niet in de autonomie van instellingen willen treden het overheidsoptreden gekenmerkt. Vanaf de Tweede Wereldoorlog, de periode dus die door de commissie-De Winter uitgebreid is onderzocht, is er door verlichte geesten in de kinderbescherming op aangedrongen om paal en perk te stellen aan het particuliere amateurisme dat in de kinderbescherming welig tierde.

Begin jaren vijftig onderzocht een commissie onder leiding van de hoogleraar Koekebakker 36 inrichtingen en kwam tot een onthutsende conclusie. De medisch-hygiënische verzorging was onvoldoende. De accommodaties lieten te wensen over. Inrichtingskinderen bleken lichamelijk minder goed ontwikkeld dan leeftijdsgenoten die niet in een tehuis zaten. Een ruime meerderheid van het lokale personeel had geen opleiding genoten. Groepsleiders functioneerden vooral als opzichters, als hoeders van orde en rust. Bij voorvallen of spanningen konden zij weinig anders dan overgaan tot harde sancties, straffen, isoleren of het toepassen van geweld. Sterker, hardhandigheden hoorden – dat was de overtuiging van het personeel – bij dit soort jongeren. In de sociale lagen van de samenleving waar zij doorgaans uit afkomstig waren werd geen andere taal gesproken.

De commissie-Koekebakker was zo geschokt dat zij liet weten dat het specialiseren tussen de verschillende vormen van tehuizen (waarover ze advies moest geven) geen zin had als niet eerst de basiskwaliteit op orde zou worden gebracht. Maar veel verder dan wat opleidingseisen voor het personeel kwam dat niet. Uiteindelijk bracht de commissie alsnog in 1959 een advies uit om de kinderbescherming te reorganiseren, maar ook dat bracht in overheidsverband nauwelijks iets teweeg. Elke gedachte aan modernisering en vernieuwing liep stuk op de oerkrachten van de verzuiling, waar zeker in christelijke kringen een diep wantrouwen werd gekoesterd naar alles wat rook naar staatspedagogiek.

Gevolg was wel dat de vele kindertehuizen, Nederland telde er eind jaren vijftig ruim tweehonderd, ongemoeid hun gang konden gaan. Ze werden bestuurd door lokale notabelen voor wie de tradities en gebruiken van hun geloofsgemeenschap belangrijker waren dan de inzichten van de moderne pedagogiek. Het woord van God (‘Wie zijn kind liefheeft, spaart de roede niet’) legde hier doorgaans meer gewicht in de schaal dan de bijbel van Spock, die inmiddels bij normale gezinnen al lang een plaats in de boekenkast had gekregen. Zo kon het internaatsgeweld tot ver in de jaren zestig voortduren. Nergens stond geschreven dat kinderen geslagen, vernederd en gestraft mochten worden, maar niemand voelde zich geroepen om voor deze groep kinderen, veelal afkomstig uit zwakkere milieus, in het krijt te treden. En de overheid keek toe en liet het gebeuren.

Gemeenteambtenaren letten vaak meer op de centen dan op de kinderen

Dat verandert vanaf 1970, als de opstandige tijdgeest ook de kinderbescherming bereikt. Kritische medewerkers brengen Het Roze Pamflet naar buiten, waarin zij de regenteske verhoudingen in de kindertehuizen hekelen, hun beklag doen over de slechte werkomstandigheden en concluderen dat jongeren simpelweg niet geholpen worden in de tehuizen. Ex-pupillen en sympathisanten richten de Belangenvereniging Minderjarigen (BM) op die zich opwerpt als vakbond voor rechteloze tehuisjongeren en zich zet aan een hele reeks zwartboeken en bezettingen om de misstanden, de willekeurige isolatiepraktijken in de inrichtingen aan de kaak te stellen.

Het duurt meer dan tien jaar voordat de BM ook echt als gesprekspartner erkend wordt. Directeuren van tehuizen verbieden de BM simpelweg op hun terreinen in contact te treden met de daar ondergebrachte jongeren. De overheid schuift meer geld naar de tehuizen, er komen psychologen en psychiaters op de loonlijst, maar is er bepaald niet op uit om de particuliere macht van de instellingen te breken. Het blijft een lappendeken aan instellingen, die min of meer hun eigen pedagogische gang mogen gaan. Sterker, als een van de instellingen onder kritiek kwam te staan of er onrecht aan de orde was – zoals dat in Zetten het geval was, waar de BM al in 1974 te hoop was gelopen tegen het isolatie- en medicatieregime van psychiater Finkensieper – was de keuze tussen de leiding van de instelling aan de ene kant en de lastige en moeilijk opvoedbare kinderen aan de andere kant snel gemaakt.

Wat wel veranderde was het interventieregime in de tehuizen. De disciplinering via de roede en de riem werden ingeruild voor groepsgesprekken, individuele behandelingen en medicatie, met de isoleercel als last resort. Het militaire karakter met openbare bestraffingen maakte plaats voor het regime van groepsprocessen. Het geweld verschoof van begeleiders naar onderling geweld tussen de jongeren, zowel fysiek als seksueel. Bovendien werd na het rapport van de commissie-Samson duidelijk dat in de nieuwe een-op-eenrelaties tussen psychiaters/psychologen/groepsleiders nogal eens de grenzen van het seksuele werden overschreden. Kinderen die met liefdeloosheid werden opgevoed werden ertoe aangezet om hun warme en intieme gevoelens met een hulpverlener opnieuw uit te vinden. Dat was weliswaar iets anders dan een knal voor je kop, een openbare vernedering of dagenlang strafcorvee, maar in feite was het een nog intensere vorm van geweld; een die diepe sporen in lichaam en geest achterliet.

En wie niet meedeed, lastig was, tegendraads was of opstandig wachtte nogal eens een rustgevend pilletje of opsluiting in de isoleer. Psychiater Finkensieper gebruikte in deze jaren jonge pubermeiden in de inrichting in Zetten voor farmacologische experimenten met kalmerende middelen. Hij publiceerde erover in erkende tijdschriften. Niemand legde hem een strobreed in de weg. Terwijl in alle lagen van de samenleving zo’n beetje alles democratiseerde en emancipeerde ging dat aan de groep jonge bewoners van instellingstehuizen voorbij.

Kaders voor jeugdzorg zijn niet helder, er is een wildgroei aan hulp, instellingen vallen om

Het is overigens niet zo dat de overheid niets deed. Zij probeerde vanaf de jaren zeventig bestuurlijk greep te krijgen op de uiteenlopende instellingen en tehuizen. Er zette zich een stoet aan werkgroepen, interdepartementale commissies en adviesgroepen in beweging die zich allemaal bogen over andere structuren. Het wegstoppen van kinderen in tehuizen moest tot een minimum worden beperkt, op papier verschenen woorden als ‘regie’, ‘toegang’ en ‘ambulant’. In 1984 nam de regering het standpunt in dat hulp ‘zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moest plaatsvinden. Dit ‘zo-zo-zo’-beleid, althans het streven daartoe, werd verder bepalend voor de Nederlandse jeugdzorg, vaak nog aangevuld met ‘zo tijdig mogelijk’ en ‘zo goedkoop mogelijk’.

In 1989 kwam daar een wettelijk kader voor, in de vorm van de Wet op de jeugdhulpverlening, waarin jeugdzorg naar het provinciale of grootstedelijke niveau werd gedecentraliseerd. Maar echt tot een samenhangend geheel wilde het niet komen. Verschillende geldstromen creëerden verschillende routes en schotten. De jeugdzorg bleef verdeeld over een vrijwillig deel (geld van het ministerie van vws), een justitieel deel (uithuisplaatsingen, ondertoezichtstellingen, geld van het ministerie van Justitie) en dan konden kinderen en hun ouders vaak via de huisarts ook nog een beroep doen op de jeugd-ggz, een route die gefinancierd werd door de zorgverzekering. Niet het soort problemen bepaalde de aard van de hulp, maar de plek waar kinderen toevallig terechtkwamen. Eind jaren negentig werden er een soort hubs bedacht, verdeelknooppunten in de jeugdzorg in de vorm van zeventien Bureaus Jeugdzorg.

Maar ook dat bleek niet echt te werken. Instanties werkten langs elkaar heen, ingewikkelde gezinnen werden overlopen door verschillende hulpverleners, huisartsen bleven kinderen rechtstreeks doorverwijzen naar de jeugd-ggz, die een ongekende groei doormaakte. Er gingen steeds minder kinderen naar tehuizen, die vrijwel allemaal zijn opgedoekt, maar des te meer werden er daardoor ambulant begeleid. In het eerste decennium van deze eeuw verdubbelde het aantal kinderen dat jaarlijks in behandeling was van 125.000 naar 250.000.

Jeugdzorg blijft een onsamenhangend geheel, dat steeds meer geld opslokt. In die situatie kiest de overheid de weg van de minste bestuurlijke weerstand: decentraliseren. Op 1 januari 2015 wordt de jeugdzorg, na aftrek van 450 miljoen euro aan bezuinigingen (en korting van bijna twintig procent op het budget) overgeheveld naar de kleine vierhonderd gemeenten, met als zo-zo-zo-gedachte dat gemeenten dichter bij de mensen staan en in wijkgerichte kinder- en jeugdteams effectiever kinderen en gezinnen kunnen helpen.

Dat pakt niet goed uit, zoveel is inmiddels wel duidelijk. Dichter bij de mensen worden door wijkteams eerder meer dan minder problemen opgehaald, die met aanmerkelijk minder geld moeten worden aangepakt. Er ontstaat een oerwoud aan tariefstellingen, aanbestedingen en betaalsystemen. Gemeenteambtenaren letten vaak meer op de centen dan op de kinderen. Sterk gespecialiseerde instellingen moeten eindeloos soebatten bij gemeenten om geld. Overal ontstaan nieuwe bureaucratische lagen die zich met elkaar in overal verschillende verantwoordingssystemen moeten zien te verstaan. Er ontstaan wachtlijsten voor complexe hulp. De nood is zo hoog dat minister De Jonge na brandbrieven van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (vng) en wethouders van de partijen die de regeringscoalitie vormen bij de voorjaarsnota dit jaar al zo’n vierhonderd miljoen heeft losgepeuterd bij zijn collega van Financiën. Overigens niet met de erkenning dat er wellicht weeffouten zijn gemaakt in de Jeugdwet die de decentralisatie regelde, maar met een oproep aan de jeugdzorg om nu echt te veranderen.

Heeft dit iets met de commissie-De Winter van doen? Op het eerste gezicht niet natuurlijk, en De Jonge en Dekker zullen zeker hun wenkbrauwen optrekken als er een verband wordt gesuggereerd. Maar wie de geschiedenis van de veranderingen in de jeugdzorg van de afgelopen dertig jaar in ogenschouw neemt kan weinig anders concluderen dat hier opnieuw een vorm van verwaarlozing van kinderen aan de orde is. Niet een verwaarlozing in de vorm van militaire opvoedingspraktijken, zoals in de jaren vijftig. Geen verwaarlozing door onvoldoende toe te zien op de kwaliteit van de jeugdzorg en de rechten van kinderen zoals dat in de jaren zeventig en tachtig aan de orde was. Maar een vorm van verwaarlozing op basis van wat je met een gerust hart systeemgeweld zou kunnen noemen. Het onvermogen om kinderen met serieuze problemen die hulp te bieden waar ze recht op hebben en die wel beschikbaar is. Ze worden niet langer geslagen met de roede of de riem of misbruikt door een psycholoog of psychiater, maar door een bureaucratisch systeem aan hun lot overgelaten.

Dat is niet alleen de schuld van de gemeenten, die onvoldoende competent zouden zijn. Dat is een te gemakkelijke conclusie. Het systeemgeweld is voortgebracht in een decennialange geschiedenis waarin de overheid niet in staat is geweest om heldere kaders te creëren voor de jeugdzorg, met een eenduidige financiering en een goede verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten en bovenregionale jeugdzorgaanbieders. De huidige Jeugdwet is grenzeloos. Niemand weet waar de zorgplicht van de gemeente begint en waar die ophoudt. Er is een wildgroei aan lichte hulp: therapie met paarden, huiswerkklassen, mindfulness voor kinderen.

Maar tegelijkertijd komen vormen van specialistische zorg in de knel, dreigen instellingen om te vallen, trekken grote zorgaanbieders als de William Schikker Groep zich terug uit regio’s. Eigenlijk is niet de jeugdzorg gedecentraliseerd, maar het onvermogen van de landelijke overheid om een effectief stelsel neer te zetten, en je hoeft geen futuroloog te zijn om te voorspellen dat daar kinderen het slachtoffer van worden. Zij zijn de gedupeerden van een nieuw soort machteloosheid: het kafkaëske vermogen om het mogelijke onmogelijk te maken.

Daar ligt dan ook het verband met de resultaten van de commissie-De Winter. Het rapport gaat in hoofdzaak over het falen van de overheid. De Jonge en Dekker projecteren dat falen vooral op het verleden dat achter ons ligt. Zij hadden zich echter ware helden van de terugtocht getoond als zij de moed hadden gehad om dat falen ook op het heden en de toekomst te richten. Nu lopen ze de kans om over vijf, tien, vijftien jaar als falende bestuurders in de publieke beklaagdenbank terecht te komen van een nieuwe commissie Geweld in de jeugdzorg. Niet alleen omdat ze de kinderen van IS-strijders ten onrechte en te lang aan hun lot overlieten, maar vooral ook omdat ze weigerden lessen te trekken uit de vele signalen die tot hen kwamen. Zoals dat in het verleden ook steeds het geval was.