Het proces tegen de Charlie Hebdo-verdachten

‘De slachtoffers zijn de grote afwezigen’

Dit najaar vond het proces plaats tegen de verdachten van de bloedige aanslag op Charlie Hebdo in 2015. Volgens medewerkers van het satirische Franse weekblad heeft ‘laf links’ het gevecht om de laïcité en de vrijheid van meningsuiting opgegeven.

‘Ik ben niet bang voor represailles. Ik heb geen kinderen, geen vrouw, geen auto, geen schulden. Het klinkt misschien een beetje hoogdravend wat ik ga zeggen, maar ik sterf liever rechtop dan dat ik moet leven op mijn knieën.’ (Charb, Le Monde, 2012)

Corinne Rey, Coco voor haar collega’s, had woensdag 7 januari 2015, op die ‘koude en grijze morgen’, eerst haar dochter naar de crèche gebracht. De cartooniste was, zoals zo vaak, haar toegangsbadge vergeten en belde naar hoofdredacteur Stéphane Charbonnier, alias Charb, die al achter zijn bureau zat, om haar binnen te laten. Ze had pannenkoekjes bij zich voor die eerste redactievergadering van het nieuwe jaar en het ging er vrolijk aan toe, vertelt ze tijdens haar getuigenis in de rechtszaal op 7 september 2020 in het gloednieuwe gerechtsgebouw bij de Porte de Clichy in Parijs. Het is de vierde dag van het zwaarbewaakte proces tegen de veertien verdachten van de bloedige terreuraanslagen in januari 2015 op de redactie van het satirische opinieweekblad Charlie Hebdo.

Tegen half twaalf ging Coco naar beneden om een sigaretje te roken toen ze voor de deur werd verrast door twee in het zwart geklede, bewapende mannen met bivakmuts. ‘We willen Charlie Hebdo, we willen Charb!’ Coco kreeg een wapen in haar rug geduwd. ‘Ze vroegen me de weg naar het kantoor te wijzen’, vertelt ze met schorre stem. Totaal verdwaasd vergiste ze zich en bleef staan op de eerste etage. Ze zakt door haar knieën en grijpt met haar handen naar haar hoofd, net als toen. ‘Ik was in deze positie, ik huilde: “Sorry, sorry.”’

Op een groot projectiescherm verschijnen de beelden van de bewakingscamera’s van het kantoor van Charlie Hebdo in de Rue Nicolas Appert in Parijs, beschrijft Coco’s collega Yannick Haenel die dagelijks op de website van Charlie verslag doet van dit megaproces dat ruim vijftig dagen zal duren. Het tribunaal, waar een vijfkoppige rechtbank, tweehonderd benadeelde partijen en een kleine honderd advocaten bij zijn betrokken, wordt ook op film vastgelegd. Als de moord op de redactie niet zo onherroepelijk tragisch was, zou Haenels verhaal lezen als een thriller. ‘De broers Kouachi verschijnen zo plots in beeld van de bewakingscamera dat sommigen van ons achteruitdeinzen in hun bank. Daar gaat Coco, in haar eentje op weg naar de afgrond. Ze duwen haar met de punt van hun kalasjnikov vooruit, we zien haar verbijsterde blik.’ Haar dochter gaat als een flits door haar hoofd, een van haar laatste gedachten voor ze als verdoofd op de tweede etage de toegangscode intoetst. De broers Kouachi sparen haar: ‘Geen grapjes, u hebt de profeet beledigd, we zijn al-Qaeda Jemen.’ Coco maakt trillend over haar hele lichaam voor de zoveelste keer die enkele minuten door van 7 januari 2015.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch journalist Angela Dekker over het Charlie Hebdo-proces. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

‘We hoorden twee klappen vanuit de hal beneden. Ik dacht dat een van de nieuwe verwarmingsradiatoren het had begeven’, schrijft de huidige hoofdredacteur van Charlie Hebdo, Laurent Sourisseau, beter bekend als Riss, in Une minute quarante-neuf secondes. Een minuut en 49 seconden, dat was het tijdsbestek waarbinnen de aanslag plaatsvond en is tevens de titel van zijn vorig jaar in Frankrijk verschenen boek. ‘We keken allemaal op toen de persoonlijke lijfwacht van Charb zijn pistool tevoorschijn haalde’, vervolgt Riss die vlak erna een man in het zwart in de deuropening zag staan. ‘Op dat moment begrepen we het.’ Gedurende een fractie van een seconde raakte zijn lichaam geheel in de greep van de angst. ‘Er was niet veel plaats in de krappe redactieruimte, behalve een open plekje rechts van me. Ik dook en ging languit (…) lag op mijn buik, mijn gezicht verstopt in mijn gekruiste armen. Ik was er klaar voor.’

‘De voorspellingen van magiër Houellebecq’, luidde de tekst die week bij de spotprent op de voorpagina van Charlie Hebdo. Sigolène Vinson (1974), juridisch redacteur, kwam die ochtend binnen met een stapel van Onderworpen, Michel Houellebecqs nieuwe roman over het Frankrijk van 2022, na de overwinning van de presidentsverkiezingen door de partij van de Moslimbroederschap. De realiteit van die ochtend zou de fictie inhalen. ‘Allahoe Akbar’, hoorde Vinson en ze voelde een wapen tegen haar voorhoofd, vertelt ze aan de president van de rechtbank. ‘Ik dood geen vrouwen’, zei Chérif Kouachi, ‘maar u moet wel de koran lezen.’

Op het projectiescherm verschijnen foto’s in kleur van de redactieruimte na de slachtpartij. ‘Al die lichamen op de grond en geen enkel geluid’, aldus Haenel in zijn dagelijkse verslag. De namen van de tien slachtoffers worden opgenoemd: Tignous, Charb, Honoré, Wolinski, Bernard Maris, Franck Brinsolaro, Moustapha Ourrad, Elsa Cayat, Cabu, Michel Renaud.

In de Parijse rechtszaal verschijnt het hoofd van Saïd Kouachi, de oudste van de twee broers, op beelden van de bewakingscamera in de entree van het kantoor. Hij bewaakt de hal. Dan verschijnt Chérif, die zijn wijsvinger omhoog steekt, ze openen de deur en verdwijnen uit beeld. Eenmaal weer op straat schreeuwen de broers: ‘Allahoe Akbar, we hebben de profeet gewroken’, refererend aan de publicatie van de spotprenten van de profeet Mohammed in de Deense krant Jyllands-Posten, overgenomen door Charlie Hebdo in 2006. Charlie-tekenaar Cabu voegde er een cartoon aan toe van een geheel in het zwart gehulde, ineengedoken profeet die met de handen voor de ogen wanhopig uitroept: ‘Het is moeilijk geliefd te worden door idioten…’ Een storm van protest uit de islamitische wereld en de verwoesting van de burelen van Charlie door een brandbom in 2011 waren het gevolg. In 2015 werden de redacteuren zelf doelwit.

Het was een gecoördineerde actie. Aan de vooravond van de aanslag op Charlie Hebdo ontmoetten de broers Kouachi op een benzinestation hun ‘broeder’ Amedy Coulibaly, die op 8 januari een 26-jarige hulpagente in Montrouge doodschoot en met de woorden ‘Pak aan kontneuker!’ vuurde op een jogger die ontkwam. Op 9 januari, toen de broers Kouachi na een wilde achtervolging de directeur van een drukkerij even buiten Parijs in gijzeling hielden, drong Coulibaly de koosjere supermarkt Hyper Cacher bij de Porte de Vincennes binnen. Hij schoot vier mensen dood en nam zeventien anderen in gijzeling. Na vergeefse onderhandelingen met de politie openden de broers om 16.50 uur buiten het vuur op de antiterreureenheid gign die hen doodschoot. Twintig minuten later werd de supermarkt bestormd en vond ook Coulibaly de dood.

Na drie dagen terreur, waarbij in totaal zeventien slachtoffers vielen, gingen op 11 januari bijna vier miljoen geschokte Fransen de straat op. Overal hingen spandoeken en werden borden hooggehouden met de leus: ‘Ik ben Charlie’.

De solidariteit werd niet door iedereen gedeeld, moest Riss, die er met een verbrijzelde schouder van afkwam, ervaren. Charlie Hebdo voelde zich in de jaren na de aanslag in de steek gelaten. De eigen progressief linkse familie beschuldigde de krant van racisme, de redactie wees immers voortdurend op het gevaar van de radicale islam. Riss verweet op zijn beurt ‘laf links’ haar ‘excuuscultuur’, die voortkwam uit schuldgevoel over het kolonialisme van weleer en de discriminatie en de achterstandspositie van moslims in Frankrijk. Het boekje over de ongelukkige jeugd van de kansloze, reeds jong geradicaliseerde broers Kouachi van Edwy Plenel, voormalig communist en hoofdredacteur van het Franse online-nieuwsmedium Mediapart, ergerde hem mateloos. Net als de publicatie Wie is Charlie? van de linkse intellectueel Emmanuel Todd die beweerde dat de Fransen niet de straat op waren gegaan uit solidariteit met Charlie maar uit xenofobie; het weekblad zou overleven dankzij de islamofobie. Links weigert het radicale islamisme aan te pakken, stelde Charlie op zijn beurt.

De redactie, tegenwoordig gevestigd op een geheim adres achter dikke stalen, gecodeerde deuren met permanente bewaking, ontvangt nog dagelijks doodsbedreigingen. Marika Bret, hoofd personeelszaken, verblijft sinds de derde week van het proces op een onderduikadres. Voorheen voerde Charlie strijd tegen de kerk, de staat en politiek rechts, schreef Riss in zijn redactioneel commentaar van 6 januari, tegenwoordig ageren we tegen politiek links en een meute navelstaarders, ‘geobsedeerd door gendergelijkheid, huidskleur, minderheden, sub-minderheden en splintergroepen. Eén vloekwoord op Twitter en tienduizenden inquisiteurs zien je graag op de brandstapel.’ Hij voegde er met typische Charlie-ironie aan toe: ‘Uiteraard voor onze eigen bestwil.’

De humor mag niet altijd worden gewaardeerd. Charlie Hebdo stelt met een voor Franse begrippen bescheiden oplage van 55.000 exemplaren wekelijks serieuze, actuele onderwerpen aan de kaak. Het recente jubileumnummer ‘50 jaar Charlie’ laat zien dat het weekblad met zijn kritische blik op de uitwassen van alle religies van oudsher vooral een luis in de pels is van de Franse politiek.

‘De cancel culture, de nieuwe fatwa van links’, luidde de kop boven het artikel van 2 september 2020 over de afrekencultuur, de eigentijdse vorm van excommunicatie zoals de kerk die voorheen hanteerde. Oorzaak is volgens het artikel een justitie die met twee maten meet: racisme en seksisme worden gedoogd, terwijl er zwarte slachtoffers vallen onder politiekogels en het aantal verkrachtingen blijft stijgen. In naam van het goede, de #MeToo-beweging of de rechten van de lhbt-gemeenschap, worden Woody Allen en Roman Polanski persoonlijk getroffen, maar verliezen mindere goden hun werk of worden gedwongen zelfs hun leven te wissen. Zoals de Franse middelbare scholiere Mila overkwam na haar bericht op Instagram: ‘De koran is een religie van haat, de islam is shit.’ Ze kreeg meer dan dertigduizend doodsbedreigingen, ook uit niet-islamitische kring, en moest verhuizen.

'Charlie Hebdo' voelde zich in de jaren na de aanslag in de steek gelaten. De eigen progressief linkse familie beschuldigde de krant van racisme

De Parijse wethouder Cultuur Christophe Girard trad afgelopen zomer af na aanhoudende protestacties voor het stadhuis om zijn contact met auteur Gabriel Matzneff, naar wie een onderzoek gaande is in verband met pedofilie. De Franse feministe en instagrammer Dora Moutot maakte tijdens de coronacrisis een grap over de ‘gozers’ van IS, ‘dik tevreden’ over de verplichte mondkapjes. ‘Ze zijn gedwongen gesluierd, die sletten!?’ Moutot werd uitgemaakt voor witte neokoloniale racist en is haar volgers kwijt. De theaterlezing ‘Brief aan de huichelaars die het racisme voeden’, naar het postuum verschenen essay van Charb als antwoord op de critici die Charlie islamofoob en racistisch noemen, riep protest op bij studenten en kan alleen onder zware bewaking worden opgevoerd.

Hoofdredacteur Riss gaat onder permanente politiebewaking door het leven, maar is zijn strijdlust niet verloren. Onder de kop ‘Dit alles om dit?’ toonde de voorpagina opnieuw de cartoons van Mohammed met zwarte tulband in de vorm van een granaat met brandende lont, en de profeet omringd door een halve maan en middenin het oog een ster bij wijze van kogelschot. De reden voor de herpublicatie is terug te lezen in een toelichting van de redactie. ‘De tekeningen horen voortaan tot de geschiedenis die je niet mag herschrijven en ook niet wissen.’ Jonge Fransen zouden het proces niet begrijpen als ze deze tekeningen, sinds 2006 niet meer gepubliceerd, niet zouden zien. Deze niet opnieuw publiceren zou getuigen van politieke of journalistieke lafheid, meent de redactie. ‘Willen we leven in een land dat zich kan bogen op een grote, vrije en moderne democratie en dat er tegelijkertijd van afziet zijn diepste overtuiging te onderstrepen? Wat ons betreft niet.’ De krant gaf een opsomming van ‘25 jaar dreiging’ vanuit radicaal islamitische hoek met bovenaan de fatwa in 1989 tegen Salman Rushdie en ergens onderaan de moord op Theo van Gogh in 2004.

De publicatie bracht een nieuwe reeks aanslagen teweeg, aangemoedigd door een oproep van al-Qaeda op sociale media tot een individuele jihad in Frankrijk. Op 25 september 2020 hakte een jonge Pakistaan voor de deur van de voormalige burelen van Charlie Hebdo in op twee medewerkers van een mediabedrijf. Drie weken later onthoofdde een achttienjarige Rus van Tsjetsjeense origine de leraar Samuel Paty omdat deze in zijn les over de vrijheid van meningsuiting de cartoons van Mohammed had getoond.

President Emmanuel Macron reageerde met een emotionele toespraak. ‘Waarom werd Samuel Paty gedood? (…) Hij was geen vijand van het geloof, hij had de koran gelezen, hij respecteerde zijn leerlingen, onafhankelijk van hun geloofsovertuiging. (…) juist daarom werd Paty gedood. Hij belichaamde de Republiek die elke dag in de schoolklas weer opnieuw wordt geboren, de vrijheid die wordt overgebracht en zich voortplant op school. (…) Wij zullen alle kansen bieden die de Republiek verplicht is aan haar jeugd zonder enige vorm van discriminatie.’

Macrons betoog sloot naadloos aan op zijn wetsvoorstel tegen het ‘islamistisch separatisme’, de militante islam, waaronder het salafisme dat zijn eigen wetten boven die van de republiek stelt. De wet beoogt de versterking van de laïcité, de scheiding tussen kerk en staat, de aanpak van de radicale islam en het haatzaaien via sociale media. De moskee van Pantin, bekend om zijn radicaal-islamistische gedachtegoed, werd gesloten, er dreigt een verbod op salafistische moslimorganisaties en tot slot zullen alleen in Frankrijk opgeleide imams hun ambt mogen uitvoeren.

De Turkse president Erdogan reageerde als door een wesp gestoken. Hij betitelde het ‘antimoslimprogramma’ als ‘islamofobie’. Macrons verdediging van de vrijheid van meningsuiting stond voor hem synoniem voor steun aan godslasteraars als Charlie Hebdo. Erdogan haalde er de voorpagina mee van het eerstvolgende nummer. In T-shirt en onderbroek tilt hij met zijn tong uit de mond verlekkerd de rok van een gesluierde vrouw op waaronder haar blote billen tevoorschijn komen. ‘O jee, de profeet’, luidt het bijschrift.

Na de daaropvolgende aanslagen in Nice en Wenen klonk opnieuw kritiek, deze keer uit Franse hoek. ‘Er zijn grenzen aan de vrijheid van meningsuiting’, zo verklaarden twee bisschoppen. De afkeuring kreeg zelfs een intercontinentale dimensie met de reactie van de Canadese premier Trudeau: ‘We zijn onszelf verplicht om met respect voor elkaar te handelen en diegenen met wie we een planeet en maatschappij delen niet arbitrair of onnodig te kwetsen.’ Het redactionele commentaar van Riss was kort maar krachtig: ‘Bij Charlie weten we dat al heel lang.’

Charlie-medewerker literatuur Philippe Lançon, wiens kaak er tijdens de aanslag werd afgeschoten en die een motorische stoornis heeft in zijn handen, verscheen niet in de rechtszaal. Zijn getuigenis werd voorgelezen en is terug te vinden in zijn boek Deflard (2020). In een van zijn columns memoreerde Lançon de roman Duivels (voorheen Boze geesten) van Dostojevski, het verhaal over een samenleving die, machteloos door haar slechtheid en lafheid, onderuit wordt gehaald door revolutionairen, een stel imbecielen en fanatici, aangevoerd door een leider die niet wordt gedreven door een ideologie maar door de wil tot destructie. De wereld van 2020 is anders dan het Rusland van 1870, erkent Lançon, toch ziet hij een overeenkomst. ‘Er zijn vandaag de dag nogal wat mensen die uit zijn op vernietiging en net als in de roman van Dostojevski zijn er heel wat loopjongens en reactionairen.’

Op de 39ste procesdag, maandagochtend 19 oktober, is vanaf de perstribune via een livestreamverbinding met de rechtszaal te zien hoe de verdachten, ieder vastgeklonken aan een bewapende militair met bivakmuts, de rechtszaal binnenkomen en plaatsnemen in twee glazen boxen aan weerszijden van de rechtszaal. Elf verdachten zitten in de beklaagdenbank, drie zijn nog steeds voortvluchtig.

De moordenaars, de twee broers Kouachi en Amedy Coulibaly, zijn bij de aanslagen omgekomen. Nu moet duidelijk worden in hoeverre de veertien verdachten, wier namen tevoorschijn kwamen uit de telefoons van de daders, hand-en-spandiensten – de levering van geld, auto’s en wapens – hebben verricht, oftewel in hoeverre ze hebben deelgenomen aan een terroristische organisatie. De meeste verdachten hebben tussen 1 en 7 januari 2015, de week voorafgaand aan de aanslagen, contact gehad met Amedy Coulibaly. Hij beschikte over liefst zeventien telefoons, waarvan één speciaal bestemd was voor de broers Kouachi die de aanslag op Charlie pleegden. De gesprekken waren niet te achterhalen, maar wel is duidelijk dat de verdachten verschillende keren tussen Frankrijk en België hadden gereisd. De ‘België-Ardennen-lijn’ voert naar een cafébaas, tevens garagehouder, en een manusje van alles die getuige hun strafblad stelen, helen of handelen in drugs.

Tijdens de verhoren in de rechtszaal spreken de verdachten elkaar tegen, komen ze terug op eerdere verklaringen of kunnen ze zich niets meer herinneren. Twee uur voor de aanslag op Charlie Hebdo stuurden de broers Kouachi een laatste sms-bericht naar verdachte Metin Karasular (50), vader van vijf kinderen in Charleroi. Zijn vriendin runt zijn café met achterin een illegale gokruimte waar hijzelf graag de dag aan de pokertafel doorbracht. ‘Ik heb niets gezien’, verklaart de hoogblonde Roemeense vriendin tegenover de rechters. Haar baas runde ook een garagebedrijf, al was hij geen mecanicien: ‘Ik had een assistent.’ Hij begrijpt nog steeds niets van de oude ‘verroeste’ wapens die zijn zoon vond in zijn garage en die mogelijk zijn gebruikt bij de aanslagen.

Zijn vriend, Michel Catino, de bijna zeventigjarige grijsaard naast hem in de glazen kooi, met wie hij de lange procesdagen dommelend doorkomt, bekent met zijn auto een grote tas naar Parijs te hebben gebracht. Maar hij kende de inhoud niet en wilde die ook niet kennen. Wapens? Hij herinnert het zich niet. Het transport ging volgens hem om ‘een bankbiljetje’ voor het casino. Na de aanslag verbleef hij vijf dagen onafgebroken aan de pokertafel in het casino van Charleroi. ‘Nee, ik eet dan niet’, zegt hij desgevraagd, ‘ik was verslaafd.’

En dan is er ook nog een briefje, gevonden bij garagehouder Karasular thuis, waarop een prijslijst van explosieven, ontstekingsmechanismen, magazijnen en munitie voor kalasjnikovs. Het handschrift is van Ali Riza Polat, die op een van zijn zes mobiele telefoons tweehonderd gesprekken met Karasular heeft gevoerd. Polat zit in de glazen box aan de overkant. Polat en Karasular zijn geen vrienden, blijkt uit de scheldkanonnade van Polat: ‘Je bent een groot stuk stront.’

Hoe moet je de waarheid achterhalen bij terroristen die vluchten in de mystiek en zich niet ontvankelijk verklaren voor onze rechtspraak?

Polat (35) heeft de zwaarste aanklacht: deelnemen aan een terroristische organisatie en medeplichtigheid aan de misdaden van 2015. Hij zou de belangrijkste man zijn geweest in de wapenleveranties aan de broers Kouachi en Amedy Coulibaly. Er stonden liefst 478 telefoontjes met Coulibaly op een van zijn zes telefoons geregistreerd. Polat ontkent en gaat zo tekeer dat een box-genoot papiertjes in zijn oren stopt. Hij vloekt, tiert, bedreigt de onderzoeksrechter en jammert over zijn treurige jeugd, waarin hij geen beroep heeft geleerd en al jong in de gevangenis belandde. Hij weidt uit over zijn passie voor geld, luxe en vliegreizen, maar een overtuigende verklaring over het lijstje van zijn hand met de bestelling van wapens blijft uit. Voor zijn telefoon die uitsluitend bestemd was voor het contact met Willy Prévost in de box aan de overkant heeft Polat geen andere verklaring dan: ‘Hij heeft me erin geluisd.’

Prévost (34), groot, sterk en met een kaalgeschoren hoofd, is afkomstig uit een van de troosteloze voorsteden van Parijs waar hij op jonge leeftijd de vier jaar oudere aanslagpleger Coulibaly leerde kennen. ‘Ik was zijn kleine jongen uit de buurt.’ Coulibaly was de baas in hun ‘vriendschap’, vertelt Prévost. Toen hij eens weigerde een drugstransport te doen en de actie mislukte, eiste Coulibaly dertigduizend euro van Prévost. Het was immers zijn schuld. Coulibaly sloeg hem met een honkbalknuppel in elkaar. Prévost deed geen aangifte. ‘Onmogelijk, dan word je familie gepakt.’ Prévost verbleef tijdens de aanslagen in 2015 uit angst voor Coulibaly bij een ‘vriend’.

Christopher Saibou is opgeroepen als getuige en verschijnt in een smetteloos lichtgrijze trainingsoutfit waarop in handgeschreven letters de merknaam Endless staat geschreven. Hij is net als Prévost 34 jaar oud, maar oogt jonger door zijn fragiele voorkomen en zijn schuchtere antwoorden. Overdag hingen de twee meestal rond in de buurt van het winkelcentrum en dronken ze wat, vertelt Saibou, met zijn handen in elkaar gestrengeld op zijn rug. Prévost was doodsbang voor Coulibaly. Bij Saibou thuis brachten ze de tijd door met gamen en shit roken. De vriendschap tussen Saibou en Prévost is voorbij, stelt Prévosts advocaat: ‘Wat verwijt u hem?’ Prévost heeft overspel gepleegd met zijn vrouw, fluistert Saibou nauwelijks hoorbaar. En ja, het kwam hem ter ore toen hij in de gevangenis zat.

‘Achter die leegte, op enkele kilometers afstand van dat muurtje tussen twee flats waar ze met elkaar babbelen of zwijgen, zit een wereld van geweld’, aldus Yannick Haenel in zijn verslag voor Charlie Hebdo. Natuurlijk worden er dingen verzwegen en doet ieder zichzelf voor als slachtoffer, maar op de sociale armoede blijft het antwoord uit, meent hij. ‘De Franse samenleving mag hen mogelijk geen vergeving schenken, zij heeft dit voortgebracht. Op een dag zal de republiek, altijd haantje de voorste om zichzelf te prijzen, de schade die ze heeft aangericht nader moeten onderzoeken.’

Advocate Isabelle Coutant-Peyre is ervaren in het verdedigen van terroristen. Onder hen Ilich Ramírez Sánchez, alias Carlos, bekend van de gijzeling in 1975 van de opec-ministers in Wenen en tevens de man met wie de eigenzinnige advocate in 2001 een religieus huwelijk is aangegaan. Intussen zit Carlos een levenslange gevangenisstraf uit. Net als haar cliënt Polat heeft Coutant-Peyre veel, zij het meer beschaafde, woorden nodig als ze tijdens het proces herhaaldelijk wijst op het gebrek aan ‘zekerheden’ in het dossier. Het blijkt dan ook buitengewoon lastig om te bewijzen dat de verdachten de radicale islam aanhingen en op de hoogte waren van de ophanden zijnde jihadistische aanslagen.

Nu mag deelnemen aan een zaak waarbij de kans op een aanslag groot is tot een veroordeling voor terrorisme leiden, maar wat de verdachten absoluut niet willen is een veroordeling voor deelneming aan een jihadistische aanslag.

De Koerd Metin Karasular beroept zich op zijn volk dat Islamitische Staat heeft verslagen. ‘Hoe kan ik aan deze al-Qaeda-aanslag hebben meegewerkt?’ Ali Riza Polat, ook een Koerd, is gelovig maar ontkent zijn radicalisering. ‘Daar wil ik de bak niet voor in’, krijst de man die al ruim vijf jaar in voorarrest zit vanuit de glazen box. De afgeluisterde telefoon van zijn moeder vertelt iets anders. Hij zou zich dagenlang biddend hebben opgesloten in zijn kamer en haar voor ongelovig en pervers hebben uitgemaakt.

Nezar Mickaël Pastor Alwatik (35) kan niet ontkennen. Hij leerde Coulibaly ooit kennen in de gevangenis van Villepinte. Alwatik hoorde tot de ‘sekte van de wasserij’ waar Coulibaly de leiding had. Ze deden wedstrijdjes in het uit het hoofd opzeggen van zo veel mogelijk soera’s, koranverzen. Tijdens het strijken van de was stak Coulibaly de loftrompet over de sharia. ‘Ik zag er geen kwaad in’, bekent Alwatik, ‘destijds sprak iedereen erover om in Syrië te gaan vechten tegen Bashar.’ Zijn dna-sporen zijn op de wapens van Coulibaly aangetroffen. ‘Ik zag ze bij toeval in diens achterbak liggen.’ Zijn hang naar IS verklaart hij door zijn persoonlijke situatie: ‘Shit.’

Coulibaly stelde Alwatik voor aan een vrouw, een salafiste, met wie hij trouwde om zijn zieke moeder een plezier te doen. Inmiddels is Alwatik gescheiden van deze ‘integriste’. Deze door hem ‘verstoten’ Chaineze Hamouche, gehuld in boerka en met een bril die ook nog haar ogen verhult, ontmaskert haar ex-man vervolgens in een lang betoog als een gedreven jihadist. Niet zij is de integriste, maar hij, blijkt uit haar verhaal over een etentje in huize Coulibaly; een ‘sekte’ waar de jihad werd gepredikt en naar bloedige video’s werd gekeken, waar tal van antisemitische uitspraken klonken en aanslagen werden gerechtvaardigd. Kortom, ze bevuilden de islam.

Ook het verhoor met al-Qaeda-strijder Peter Cherif (38), die sinds zijn uitlevering door Djibouti in 2018 in een Franse gevangenis zit, geeft niet het nodige bewijs. Hij zou de opdrachtgever zijn van de aanslagen in 2015, meer weten over de financiering ervan en is hiermee de belangrijkste verdachte in dit proces. Een van de broers Kouachi zou in 2011 met zijn hulp naar een al-Qaeda-trainingskamp zijn gegaan en beide broers hebben hem in 2014, het jaar voor de aanslag, in Jemen opgezocht. Om veiligheidsredenen verschijnt de oud-jihadist niet in de rechtszaal maar wordt hij verhoord via een livestreamverbinding vanuit de gevangenis. Zijn ogen zijn door zijn gebogen, kaalgeschoren hoofd niet te zien. De rechters en advocaten stellen hem vragen, maar veel meer dan vrome woorden uit de shahada, de islamitische geloofsbelijdenis, komen er niet uit zijn mond.

CharlieHebdo-verslaggever Haenel noemt de scène ‘onverdraaglijk’ omdat het ‘onze onmacht’ toont, ‘alsof we de oorlog hebben verloren’. Hoe moet je de waarheid achterhalen, vraagt hij zich af, bij terroristen die vluchten in de mystiek en zich niet ontvankelijk verklaren voor onze rechtspraak? ‘Wij houden van de dood zoals jullie van het leven’, aldus de historische woorden van Osama bin Laden. ‘Onze absolute liefde voor het leven staat hier lijnrecht tegenover’, schrijft Haenel. ‘We moeten de confrontatie met Peter Cherif niet aangaan met woorden, dat frustreert ons, maar met onze opvatting van de vrijheid. Dat is ónze mystiek, ons heiligdom zonder religie. Alleen de vrijheid heeft de macht om zich superieur te verklaren en haar opposant te overwinnen.’ Haenel heeft de nacht schrijvend doorgebracht en bij het opkomen van de zon besluit hij met de woorden: ‘Vrijheid doet pijn, maar is het enige geluk.’

7januari 2015, de redactieruimte van CharlieHebdo. Na het vertrek van de broers Kouachi overzag Sigolène Vinson het bloedbad en herkende ze Bernard Maris, met zijn verbrijzelde hersenen, enkele minuten eerder nog zo ‘intelligent, menselijk en vol humor’. Ze herinnert zich de schipperstrui van hoofdredacteur Charb, wiens hoofd na drie kogels met een snelheid van zevenhonderd meter per seconde was opgegaan in de vloer. Journalist Fabrice Nicolino leefde nog, Vinson knielde naast hem in het bloed en bevochtigde zijn gezicht met een theedoek terwijl zijn botten uit zijn benen staken. Philippe Lançon had zijn wang in zijn hand, ‘als een kind dat op een fout was betrapt,’ vertelt ze geëmotioneerd.

Lançon brengt, chronisch vermoeid, zijn dagen doorgaans door in bed waar hij zijn gedachten laat gaan over zijn huidige drijfveren: ‘De oude seculiere, kritische humanist, overtuigd van de tragische (en komische) ambivalentie van de mens, bevindt zich op dit moment op een oude lekke schuit, een schietschijf tussen Scylla en Charybda’, schreef hij in een recente column. Essentieel is, denkt hij, de toon van zijn krant. ‘Charlie gaat door met het willen lachen of glimlachen in een wereld waarin velen, vooral op links, niet meer willen lachen en al helemaal niet om zichzelf. Een wereld waarin woede en sarcasme regeren, veel meer dan de satire, een wereld waarin het menselijk bestaan geleidelijk wordt verward met het slachtofferschap.’

Hoofdredacteur Riss zal de redactieruimte mogelijk nooit verlaten, schrijft hij in Une minute quarante-neuf secondes. Toen hij na de aanslag over het lichaam van Charb moest heenstappen, vermeed hij de aanblik van zijn vermoorde collega. Hij verbood zichzelf de horreur van dat abattoir te zien, dat zijn oren hem al hadden doen begrijpen. Als je een krant leidt, is elke kwestie politiek, verklaarde hij tijdens zijn getuigenis in de rechtszaal. ‘De gedachte aan de dood is het begin van de moraal (…) de verschrikkingen mogen de feiten niet vertroebelen.’

In zijn hoofdredactioneel commentaar van 2 september, de eerste procesdag, schreef hij over zijn verwachtingen: ‘Dit proces zal geen eind maken aan de haat die sinds 2015 haar onverbiddelijke kruistocht voortzet. Ook niet aan de angst. We schamen ons niet voor onze haat en angst. Ze zullen ons helpen nieuwe beproevingen te doorstaan in het gevecht tegen het obscurantisme dat met terreur heeft gepoogd ons tot slaaf te maken. (…) De grote afwezigen in dit proces zijn nog altijd de slachtoffers. De moord op de journalisten en tekenaars van Charlie Hebdo had tot doel hun overtuiging uit te wissen, hun beschaving, hun talent.’


Op 2 november werd verdachte Polat ziek, hij bleek besmet met het coronavirus, net als drie medeverdachten in zijn box. Het proces is tot nader order verdaagd. Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten