25 jaar na de val van de Muur

De slag om de laatste symbolen

Zelfs 25 jaar na de val van het communisme staat het ex-Oostblok nog vol beelden en monumenten uit de communistische tijd. Over de toekomst ervan wordt soms heftig gediscussieerd. Rusland kijkt over alle schouders mee.

Medium muur1

De 79-jarige Valentin Startsjev – vitaal, keurig gekapt, gymschoenen – is net terug van een tv-interview. De kunstenaar geldt als een van de grootste beeldhouwers van Bulgarije, vooral dankzij zijn monumenten en standbeelden uit de tijd van het communisme. Het bekendste daarvan is het ‘monument voor dertienhonderd jaar Bulgarije’ in het hart van Sofia, gebouwd in een periode waarin de communistische partij van Bulgarije een nieuwe meer patriottische lijn uitzette. Het land zou in 1981 zijn dertienhonderdste verjaardag groots vieren, met een immens Nationaal Paleis voor Cultuur en in het park ervoor een monument. Startsjev, die zijn kunsten al eerder had vertoond met een beeld van Lenin, mocht de klus klaren.

Hij werkte als een bezetene. ‘Vijf maanden kreeg ik; voor vijf figuren van zesenhalve meter hoog.’ Het beeld moest voltooid zijn vóór het twaalfde congres van de Bulgaarse Communistische Partij. Startsjev redde het. Tijdens de opening kwam Ljoedmila Zjivkova, de invloedrijke dochter van de Bulgaarse dictator Zjivkov, naar hem toe. ‘Ze zei: “Dit is wat ik wilde zien”’, vertelt de kunstenaar trots. Maar omdat het monument zo rap in elkaar was gezet vielen er na een paar dagen al stukken beton vanaf. En vanwege zijn obscure vormen noemden de hoofdstedelingen het ding stiekem ‘sedmoaglen petochoej’, wat zoiets betekent als de zevenhoekige penis met de vijf eikels. Startsjev kan er niet om lachen. ‘Simpele zielen zonder gevoel voor kunst.’

Het werd 1989 en dictator Zjivkov moest het veld ruimen. De Bulgaarse Communistische Partij verbrokkelde. Het monument onderging eenzelfde lot. Straatarme Roma zaagden ijzer uit het staketsel. Blikjes, flessen en plastic rommel hoopten zich op in de plooien van de ‘penis’. Het restant van het beeld barstte bij elke wintervorst verder. De gemeente Sofia plaatste een hek om het object om voorbijgangers en spelende kinderen te beschermen tegen vallende tegels, maar liet het krakkemikkige kunstwerk voor wat het was: een relikwie uit voorbije tijden.

De val van het communisme in 1989 maakte de ontelbare hoeveelheid communistische symbolen op de straten van Oost-Europa in één klap overbodig. In de Roemeense hoofdstad Boekarest sloopte een kraandrijver het gigantische Lenin-beeld voor het gebouw van het Casa Presei Libere. Oost-Duitsers zaagden het negentien meter hoge roodgranieten standbeeld op de Leninplatz in Oost-Berlijn in moten. Overal in Oost-Europa sloegen woedende burgers de symbolen van het communisme aan gruzelementen. De ‘gelukkigen’ kregen een plekje in beeldenparken voor toeristen. In Grutas Park bijvoorbeeld (bijgenaamd ‘Stalin World’) in Litouwen, Memento Park in Boedapest, of Park Muzeon in Moskou.

Je zou denken dat er niets meer over is. Maar nee, nog steeds is Oost-Europa bevolkt met standbeelden en monumenten uit de communistische tijd. Sommige zijn zo kolossaal dat weghalen een godsvermogen kost. Aan andere neemt niemand aanstoot, vaak omdat onduidelijk is wat ze nu eigenlijk voorstellen. En er zijn monumenten die er nog staan omdat er geen consensus is over hun lot. Zoals het monument van Valentin Startsjev. Anno 2014 is het niet meer dan een karkas van ijzer en beton met her en der een hoekige figuur. Tot verdriet van de maker, die zijn werk helemaal niet ziet als een lofzang op het communisme, omdat het gemaakt is in de jaren tachtig, toen kunstenaars meer de vrije hand kregen dan in de stalinistische jaren daarvoor. De figuur van de arbeider in de constructie symboliseert dan ook de opbouwers van het land, zoals elke staat die heeft gehad. ‘Een schrijver is ook een arbeider, een intellectueel ook. Het gaat hier niet om de arbeider uit de arbeidersklasse van het socialisme. Nee, ik zou dit nu ook zo doen.’ Zijn monument is kunst en moet dus in de oude staat gerestaureerd worden. Dat is ook de mening van de bonden van kunstenaars en architecten. Die zien in het beeld een kunstwerk van een gerenommeerd kunstenaar dat ‘toevallig’ in de communistische tijd gebouwd is, maar dat de grootsheid van de Bulgaarse cultuur uitbeeldt.

Al jaren is er echter gedoe rond het monument. Eerst was niet duidelijk wie de eigenaar was: een ministerie? En zo ja, welk? Of toch het stadsbestuur? In 2001 werd besloten dat de gemeente Sofia de gelukkige bezitter was. De toekomst van het monument leidde vervolgens tot verhitte discussies tussen diverse wethouders. Democratische politici – ‘anticommunisten’ – wilden er zo snel mogelijk vanaf; oud-communisten zijn nog altijd trots op het kunstwerk en wilden het restaureren. Een derde groep wilde het ding eenvoudigweg neerhalen omdat het monsterlijk lelijk is. De gemeente koos jarenlang uit geldgebrek voor de makkelijkste variant: laten staan.

tot inwoners van Sofia zich een paar jaar geleden actief met de ‘penis’ gingen bemoeien. De burgerbeweging Transformatori schreef een wedstrijd uit voor kunstenaars en architecten die een nieuwe bestemming voor het monument mochten verzinnen. Het resultaat was onder meer een lichtshow op het karkas van het beeld of een hoge draaiende glijbaan. In navolging hiervan schreef ook de gemeente een wedstrijd uit. Een jury kiest volgende maand een winnaar. Maar eigenlijk is al duidelijk dat die niets mag maken. In de tussentijd is Pejo Kolev, inwoner van de stad, namelijk met een opnieuw uit de kast gehaald plan gekomen dat de gemeente ook wil bekijken. Op de plek van het monument stond tot 1980 een pantheon voor de gevallen soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. In opdracht van de communistische partij maakte het pantheon destijds plaats voor het Cultuurpaleis en de ‘penis’. Maar de panelen waarop de namen van de gevallen soldaten geschreven staan, bleven bewaard. En waarom niet die terugzetten in een nieuw pantheon in plaats van de ‘penis’, opperde Kolev. Met een Facebook-actie verzamelde hij in een mum van tijd zo’n 4500 handtekeningen.

Kolevs plan voor een pantheon mag populair zijn, helemaal onomstreden is het niet. ‘Je zou zo’n monument kunnen zien als een vorm van revanchisme ten opzichte van het socialistische monument voor dertienhonderd jaar Bulgarije’, zegt architect Bojka Kadreva, hoofd planning in de publieke ruimte van de gemeente Sofia en sinds kort verantwoordelijk voor het beeld. ‘Dat is daar immers neergezet op de plek van een monument voor echte helden: soldaten die omkwamen in de oorlog, echte mensen met namen en gezinnen.’ Zij ziet, en met haar de gemeente, graag een ‘gebalanceerde discussie’ over het communistisch verleden en de toekomst van de symbolen die daaraan herinneren. ‘Iedereen mag deelnemen: intellectuelen, maar ook voetbalfans’, zegt Kadreva. Diverse andere grote monumenten in Sofia uit die tijd staan immers ook op de rol om te worden aangepakt. ‘Misschien kan de oplossing die wij zo vinden voor dit monument toegepast worden op communistische monumenten in heel Bulgarije.’

Gevraagd naar haar eigen standpunt is Kadreva fel. ‘Dit is een monument van het totalitarisme.’ Haar opa belandde vanwege zijn monarchistische ideeën in een ‘heropvoedingskamp’ en moest met blote handen stenen graven in een steengroeve. Thuis werd daar nooit over gepraat, maar zij had als jong meisje op het gymnasium al dubbele gevoelens bij het monument van Startsjev. ‘We waren verplicht om bij de opening te zijn.’ Toen ze ging studeren aan de universiteit voor architectuur was Startsjev toevallig haar docent. ‘Absoluut goede beeldhouwer’, zegt ze. Daar gaat het niet om. Zij stond erbij toen een helikopter in 1991 de communistische rode ster van het partijhuis takelde. ‘Wat waren we gelukkig.’ Ze zwijgt even. ‘Iedereen heeft zijn persoonlijke geschiedenis met het communisme. Dat is een van de redenen waarom we geen compromissen kunnen sluiten als het gaat om het communistisch erfgoed.’

Maar een dialoog is noodzakelijk, meent ze. En dat geldt zeker voor dit beeld, waarover ‘huichelachtig’ wordt gepraat. ‘Niemand is eerlijk, ze verschuilen zich achter patriottisme en esthetiek. Dat is wegrennen van het echte probleem.’

Medium muur2

De discussie over het communistisch erfgoed dat nog overeind staat leeft in bijna alle Oost-Europese landen. Veel Oost-Europeanen denken met weemoed terug aan het communisme als een tijd waarin het veilig was, iedereen werk had en de gezondheidszorg gratis was. Een tijd bovendien waarin je je beste vrienden leerde kennen via pionierskampen en brigades. Tegen het licht van de huidige economische crisis en geopolitieke spanningen is het niet vreemd dat al het ‘leuks’ uit de socialistische periode wordt uitvergroot. Toch heeft die nostalgie niet zozeer met het communisme te maken, meent emeritus hoogleraar Raymond Detrez, dé kenner als het gaat om Oost-Europa. ‘Voor veel mensen is het verleden tevens hun jeugd. Ze zijn niet zozeer verknocht aan het communistisch systeem, maar hebben heimwee naar vroeger. Hoe dat vroeger er ook uitzag.’

Het zijn vooral gewiekste politici die met deze communistische sentimenten aan de haal gaan. Zo werd Bulgarije deze zomer geteisterd door overstromingen. Een van de oorzaken daarvan is het slechte onderhoud van de stuwmeren. ‘Dit had nooit kunnen gebeuren in de communistische periode’, riep een politicus van de Bulgaarse Socialistische Partij. Om meteen een pleidooi te houden voor de heropbouw van het mausoleum van Georgi Dimitrov dat in 1999 werd opgeblazen. Dimitrov was de eerste communistische leider van Bulgarije, en zijn opa.

Niet alleen socialisten, ook nationalisten gebruiken communistische symbolen als politiek wapen. Ze proberen het communistisch verleden te ‘externaliseren’, zoals Tatiana Zjoerzjenko, politiek wetenschapper van de Universiteit van Wenen dat al in 2007 in een artikel noemde. ‘Ze presenteren het communisme als een vreemd fenomeen dat door een buitenlandse macht – de Sovjet-Unie – opgelegd is buiten hun wil om.’

En dat heeft zo zijn weerslag op Rusland, de enige echte erfgenaam van die Sovjet-Unie. Het is niet zo, aldus Detrez, dat Russen massaal terugverlangen naar die communistische tijd. ‘Maar ze verlangen wel terug naar het gevoel onderdaan te zijn van een invloedrijke grootmacht.’ En Vladimir Poetin maakt gebruik van dat verlangen. Met de opmars van pro-Russische rebellen in Oost-Oekraïne kreeg de beeldenstrijd zo een nieuwe dimensie. Een standbeeld van Lenin is niet meer alleen een symbool van het communisme, maar verbeeldt tevens de band met Rusland. Om die reden velden Oekraïense nationalisten sinds begin dit jaar het ene na het andere Lenin-beeld in West-Oekraïne. In het oosten konden pro-Russische burgers het Lenin-beeld in het hart van Charkov nog enige tijd redden, maar ook daar viel eind september het vijftig ton wegende bronzen monument.

Op zijn beurt bemoeit ook Rusland zich met de discussie over het behoud en onderhoud van beelden in ex-Oostbloklanden. Hoewel de meeste Lenin-standbeelden al zijn gesneuveld, staan veel monumenten ter ere van het sovjetleger nog fier overeind. En wie zo’n monument iets aandoet, krijgt met Moskou te maken, zoals de inwoners van Estland in 2007 ontdekten. Toen de regering van deze ex-sovjetrepubliek opdracht gaf het monument van de sovjetsoldaat in Tallinn te ontmantelen reageerde Moskou furieus. Het Russische parlement dreigde met sancties en het verbreken van diplomatieke relaties. Voor- en tegenstanders gingen met elkaar op de vuist en er viel een dode. In de dagen erna omsingelde Nasji, de jeugdorganisatie die Vladimir Poetin eert, de Estse ambassade in Moskou. In een poging de band met Rusland te herstellen liet de Estse regering het monument weer opbouwen in een buitenwijk van Tallinn, maar de actie heeft een pijnlijk litteken achtergelaten.

Medium muur3

Bulgarije is dus gewaarschuwd. Het land was van alle ex-Oostbloklanden het hechtst bevriend met de Sovjet-Unie en staat vol monumenten voor het sovjetleger. Een van de grootste prijkt in een park op loopafstand van het beeld van Startsjev. Boven op het keurig onderhouden monument kijken een soldaat en een boerin stoer uit over Sofia, aan hun voeten rukt het leger op. Sinds de democratie haar intrede deed, hielden zowel voor- als tegenstanders van het communisme er regelmatig demonstraties, onder meer voor het neerhalen van het enorme monument. Begin dit jaar schilderden onbekenden de noest kijkende sovjetsoldaten op een van de reliëfs blauw en geel, de kleuren van de Oekraïense vlag. Jeugdleden van de communistische partij poetsten de verf er diezelfde nacht nog ijverig af. Niettemin reageerde de Russische ambassade fel. Sindsdien rijdt elke dag een politiewagen rond het monument. Bulgarije wil de hechte politieke en economische banden met Rusland niet op het spel zitten.

Bojka Kadreva van de gemeente Sofia zou graag zien dat ook dit beeld onderwerp wordt van een maatschappelijk debat. Maar voorlopig is dat niet aan de orde. ‘Dit is een zeer scherpe discussie die Bulgaren bijna instinctief uit de weg gaan, helemaal nu Rusland botst met de EU.’ In plannen voor de herindeling van het park eromheen noemt de gemeente het beeld zelfs helemaal niet. ‘Dat onderwerp ligt nog veel te gevoelig.’ Voorlopig vestigt ze haar hoop op het monument voor dertienhonderd jaar Bulgarije. ‘Als we daar een goede dialoog over op gang kunnen brengen, kan dat een generale repetitie zijn voor een discussie over de monumenten voor het sovjetleger.’

Op het plein voor de ‘penis’ zit een groepje skaters te roken. Wat te doen met het monument? Ze halen hun schouders op. Maakt niet uit, zegt een jongen met een zwarte muts en gaten in zijn oren. Misschien een mooie skatebaan, oppert zijn buurman. De duimen gaan omhoog. Voorlopig is dat een utopische wens. Valentin Startsjev heeft een advocaat in de arm genomen. ‘Als ze het monument omverhalen, klaag ik ze aan’, zegt hij strijdlustig. Nee, die vijf-penis staat er nog wel even. Net als de rest.


Hellen Kooijman en Guido van Eijck zijn samenstellers van Het Oostblokboek: Een reis langs de sporen van het communistische verleden dat deze week verschijnt bij Nieuw Amsterdam


Titoland

Tito is gedegradeerd. Waar hij vroeger pontificaal aan de straat stond vóór het historisch museum in het stadje Užice is hij nu verbannen naar het parkeerterrein áchter het gebouw. Maar zijn zelfverzekerde blik is er niet minder om. En behalve een brutale duif hier en daar voelt niemand zich geroepen het beeld te bekladden.

Vergeleken met de landen van het Oostblok heeft voormalig Joegoslavië een zachte breuk gemaakt met het socialisme. Helikopters en dynamiet bleven achterwege om de symbolen van het arbeidersparadijs naar de mesthoop van de geschiedenis te verbannen. De meeste beelden konden blijven, zij het slecht onderhouden, dan wel verbannen naar minder prominente plaatsen.

Radicaal breken met de wereld van vóór 1989 deed Joegoslavië op een andere manier. De federatie van landen werd uiteengerukt in een bloedbad dat honderdduizenden levens kostte. Het socialistische karakter van de federatie was in zekere zin bijzaak. Joegoslavië viel buiten het Warschaupact, het socialisme werd niet opgelegd vanuit Moskou. Het voelde niet als een buitenlandse bezetting.

Tito heeft dan ook in veel opzichten de implosie van Joegoslavië overleefd. Grotendeels verbannen uit het openbare leven zijn er nog steeds veel mensen die hem een warm hart toedragen. Het wordt beschouwd als ongevaarlijk dagdromen. Nu de bestanddelen van Joegoslavië eigen staten zijn geworden is Tito’s motto van eenheid en broederschap geneutraliseerd. Reken niet op unanieme waardering, maar je kunt in de landen van voormalig Joegoslavië een ergere faux-pas begaan dan rondlopen met een portret van Tito. Zo verrees vorig jaar plots een beeld van de maarschalk in de Macedonische hoofdstad Skopje. Tot heftige polemieken leidde het zeker, maar het werd niet direct gesloopt.

Joost van Egmond

Pretpark DDR

Het is de Russen door Helmut Kohl zelf beloofd. Na de val van de Muur bezwoer de eerste bondskanselier van het verenigde Duitsland dat de sporen van de DDR niet weggemoffeld zouden worden. De militaire begraafplaats Treptower Park voor de gesneuvelde sovjetsoldaten bij de slag om Berlijn in 1945 is in 2004 nog keurig gerenoveerd. President Vladimir Poetin was eregast bij de heropening.

Toch is het niet vanzelfsprekend dat de iconen uit de DDR-tijd behouden blijven. Hevige discussie ging vooraf aan de sloop van het Palast der Republik. Officieel werd dit gesloopt wegens asbest, maar veel Oost-Berlijners kunnen het niet verkroppen dat op de fundamenten van het symbool van de succesvolle DDR uitgerekend het Pruisische stadskasteel wordt herbouwd.

Het benoemen van de duistere kant van de DDR blijft vaak lastig. Veel Oost-Duitsers voelen zich persoonlijk aangevallen door de Besserwessis, de betweters uit het westen. Zo wordt nog altijd volop gediscussieerd of de DDR wel een Unrechtsstaat was. Tegenover dit debat staan de cijfers uit 1989. Toen werkte één op de vijftig DDR’ers voor de Stasi. Ter vergelijking: in de Sovjet-Unie was dat één op de 583. Het onrecht is nog zichtbaar in de Stasi-gevangenis Hohenschönhausen. Maar waar de slachtoffers van het nazisme worden herdacht op een centrale plek ontbreekt een gelijkwaardige tegenhanger voor de slachtoffers van het communisme. Vorig jaar klonk nog een pleidooi voor een monument in hartje Berlijn. ‘Zelfs in Moskou staat er een, waarom bij ons niet?’ aldus het comité dat de kwestie aanhangig maakte.

Bertus Bouwman

IJzige rust in Polen

De relatie tussen Polen en Rusland is ijzig en dat is goed voelbaar als het gaat om monumenten. Vooral die ter nagedachtenis aan de soldaten van het Rode Leger. Volgens Moskou kwamen ze als bevrijders, de Polen zien dat anders. De meeste gevallen sovjetsoldaten rusten vredig in de Poolse aarde. Maar die rust is breekbaar, zo laten drie incidenten uit de afgelopen jaren zien. Bij de bouw van de tweede metrolijn in Warschau moesten de ‘vier slapers’ worden verplaatst, het oudste monument voor de sovjetbevrijders. Eenmaal verdwenen rees de vraag naar een alternatieve locatie voor het monument. De meeste Warschauers vinden weliswaar dat het ding terug moet, alleen niet in hun eigen straat. En dus liggen de bronzen bevrijders, gerestaureerd en wel, te wachten op de uitkomst van de discussie.

Discussie was er vorig jaar ook in Gdańsk. Beeldend kunstenaar Jerzy Szumczyk plaatste ’s nachts een monument voor de honderdduizenden, meest Duitse, vrouwen die verkracht werden door de sovjetbevrijders. Het beeld ‘Komm Frau’ dat een verkrachtingsscène voorstelt, prijkte één nacht lang naast een sovjettank die al decennialang op zijn sokkel staat. Het beeld werd ijlings verwijderd. De Russische ambassadeur in Warschau was woedend: ‘Dit is een belediging voor de nagedachtenis van de zeshonderdduizend sovjetsoldaten die vielen voor de vrijheid en onafhankelijkheid van Polen.’

Even woedend was Moskou in mei van dit jaar. Onbekenden voorzagen een monument voor sovjetgeneraal Ivan Tsjernachovski van een rood opschrift: ‘Weg met het communisme’, met daarbij het symbool van het strijdende Polen. Tsjernachovski vocht onder meer tegen de Poolse ondergrondse in het huidige Litouwen. Een delegatie uit de nabijgelegen Russische enclave Kaliningrad zegde haar bezoek aan het monument af. In plaats daarvan bezochten ze de 31.000 gevallen sovjets die vredig rusten op het kerkhof van Braniewo.

Ekke Overbeek

Vergeten in Tsjechoslowakije

Vergeten is ook een vorm van herinneren, schreef Milan Kundera ooit, en het is een kunst die de Tsjechen en Slowaken uitstekend verstaan. Want wie anno 2014 in het voormalige Tsjechoslowakije op zoek gaat naar bombastische monumenten uit de communistische tijd komt bedrogen uit. De vele gedenktekens die de eeuwige vriendschap met de Sovjet-Unie verkondigden, verdwenen na de Fluwelen Revolutie als sneeuw voor de zon. Of kregen een creatieve make-over, zoals de sovjettank die door de kunstenaar David Černý roze werd overgeschilderd. De talrijke standbeelden van communistische helden werden afgevoerd naar depots waar ze, niet te bezichtigen voor publiek, nog steeds liggen opgeslagen. Het beruchtste communistische monument in Tsjechoslowakije was trouwens al ver voor de val van de Muur verdwenen. Het reusachtige Stalin-beeld dat sinds 1955 over Praag uitkeek, werd in 1962 door de communisten zelf opgeblazen.Zo groots en massaal als de Praagse demonstraties van november 1989 waren, zo bescheiden zijn de monumenten die aan deze Fluwelen Revolutie herinneren. Het bekendst is de plaquette met uitgestrekte handen die het vredesteken maken, aangebracht op de plek waar op 17 november 1989 demonstrerende studenten en de oproerpolitie hard met elkaar in botsing kwamen. Kunstenaar-activist Roman Týc voegde er twintig jaar na dato kortstondig twee groepen handen aan toe: eentje die de Hitlergroet brachten, voorzien van de datum 17 november 1939, en een die hun middelvingers uitstaken, gedateerd op 17 november 2009.

Týc is verbitterd, en hij is de enige niet. Ondanks de materiële welvaart leeft er in Tsjechië een wijdverbreid gevoel dat er na 1989 iets is fout gelopen: neem de eindeloze corruptieschandalen die de Tsjechische politiek teisteren, of de opmerkelijke stugheid van de Tsjechische communisten, nog steeds goed voor tien tot vijftien procent van de stemmen. De altijd pragmatische Slowaken maken zich minder druk over de spoken uit het verleden. Communisten spelen er politiek geen rol van betekenis. Maar hoge Russische gasten – nu belangrijke handelspartners – worden met alle egards ontvangen op de opgeknapte sovjet-erebegraafplaats Slavín in Bratislava.

Filip Bloem


Beeld: (1) Sofia, monument voordertien honderd jaar Bulgarije van Valentin Startsjev anno nu (Nadezh da Chipeva). (2) Sofia, monument voor het sovjetleger. Onbekenden schilderden begin dit jaar sovjetsoldaten in de kleuren van de Oekraïense vlag (Nadezh da Chipeva). (3) Sofia, het monument van Valentin Startsjev in de jaren tachtig.