Bestrijding lerarentekort

De slag om de leraar

De ontwikkeling van het lerarentekort zal volgens de commissie-Rinnooy Kan de meest pessimistische voorspellingen overtreffen. Driekwart van het huidige lerarenkorps gaat het onderwijs verlaten. De jonge, goedgeschoolde leraar kan straks zijn school kiezen.

Deze week presenteerde de speciale commissie Leraren die in opdracht van het ministerie van Onderwijs onderzoek deed naar de bestrijding van het lerarentekort haar rapport. Onder voorzitterschap van Alexander Rinnooy Kan, die zichzelf omschrijft als een optimist, zocht die commissie naar oplossingen voor het dreigende tekort, de oplopende werkdruk en het dalende opleidingsniveau van leraren. In zijn zoektocht deed Rinnooy Kan een ontdekking waardoor zelfs zijn hart minstens één keer oversloeg: binnen zeven jaar verdwijnt driekwart van het lerarenbestand in het pensioensarchief of vertrekt naar het bedrijfsleven en de overheid.

Het advies van het rapport valt gemakkelijk samen te vatten: redden wat er te redden valt. Nederland bevindt zich in een uitzichtloze positie die eigenlijk vijftien jaar geleden al werd voorspeld. ‘Helaas niets nieuws’, aldus Rinnooy Kan. ‘Alle voorgaande rapporten stipten het dreigende tekort aan. Als de adviezen van die commissies waren opgevolgd, dan was de situatie minder ernstig geweest.’ Dit rapport vormt in zekere zin een herkansing. Alexander Rinnooy Kan: ‘Uit alle voorgaande rapportages zijn er drie uitgelicht: het rapport-Van Es (Toekomst leraarschap, 1993), Maatwerk voor morgen (uit 1999) en het rapport-Van Rijn (Investeren in mensen en kwaliteit, 2001). De huidige adviezen zijn voor een groot deel op deze verslagen gebaseerd. Van Es pleitte voor een professionelere school, Maatwerk voor morgen voor een sterker beroep en Van Rijn voor een betere beloning. Drie pijlers die door de politiek niet serieus genoeg genomen zijn. Als ook met de adviezen van dit rapport te lichtvoetig wordt omgesprongen, komt het Nederlandse onderwijs de komende decennia in volstrekte chaos terecht. We staan voorover gebogen aan de rand van de afgrond.’

‘Tot nu toe’, zegt Walter Dresscher, voorzitter van de Algemene Onderwijsbond (AOb), ‘heeft de overheid de problemen kunnen maskeren dankzij een downgrading van het personeel. Via speciale regelingen kunnen docenten met een lesbevoegdheid Engels ook Frans of Nederlands geven. Daarnaast worden er zogenoemde zij-instromers ingezet, die worden geplukt uit het bedrijfsleven. Zo creëer je een kunstmatige vergroting van het aanbod.’ Maar als op korte termijn een complete generatie leraren uitzwaait, wordt het onmogelijk dit tekort nog langer te verdoezelen. Rinnooy Kan: ‘Bij ongewijzigd beleid ontstaan er de komende jaren tekorten die oplopen tot drie procent in het basisonderwijs en twaalf procent in het voortgezet onderwijs. Om het concreet te maken: een tekort van twee procent betekent lesuitval.’

Er is, in de woorden van de minister van Onderwijs, sprake van een ‘gigaprobleem’. Het kabinet kondigde voor de zomer al aan geld vrij te maken voor kwaliteitsverbetering in het onderwijs, 150 miljoen euro dit jaar, oplopend tot 747 miljoen euro extra in 2011, maar dat geld is ook bedoeld voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten en de invoering van maatschappelijke stages. Minister Plasterk wil de aanbevelingen van de commissie volgen en jaarlijks anderhalf miljard euro extra vrijmaken om het salaris van leraren op te vijzelen. Zo denkt hij het vak aantrekkelijker te maken voor de huidige leraren en concurrerend met het bedrijfsleven. De extra loonschalen zouden bereikbaar zijn voor topdocenten in het bezit van een mastergraad; het verschil in beloning zou in sommige gevallen oplopen tot twintig procent.

De leraar, schaars goed in een competitieve markt, vaart er wel bij. Terwijl reguliere onderwijsinstellingen elkaar beconcurreren met bonussen, staan ook privé-scholen te trappelen om de gunsten van de docent. Dat lijkt goed voor de leraar, maar is een drama voor het onderwijs. Normaal gesproken zijn opleidingsgraad, ervaring en resultaten van de leerling de belangrijkste selectiecriteria voor scholen, maar onderwijsinstellingen selecteren niet meer in de eerste plaats op bekwaamheid, als wel op beschikbaarheid. Ze nemen wat ze kunnen krijgen. Zelfs een stagiair van een lerarenopleiding maakt een goede kans op het invullen van een reguliere vacature.

Dit leidt tot een tragische paradox: terwijl de marktpositie van de leraar door schaarste sterk toeneemt, daalt zijn effectieve marktwaarde door niveauverlaging.

De concurrentiestrijd om de leraar binnen het reguliere onderwijs is echter al langer aan de gang. Walter Dresscher: ‘Sinds het ministerie scholen vrijheid van beleid verschafte, zijn er mogelijkheden ontstaan om excellerende leraren binnen te houden of aan te trekken. Er zijn scholen die een deel van hun budget spenderen aan hogere lonen, maar omdat dat weer ten koste gaat van de secundaire voorwaarden, zoals klassengrootte en faciliteiten, zijn zij in de minderheid. Vaak hechten scholen meer waarde aan de werkomgeving dan de leraren.’ Kortom: op de korte termijn zien de klaslokalen er een stuk fraaier uit, maar de kwaliteit van de leraar voor het bord wordt steeds dubieuzer. De verlaging van niveau is over de hele linie voelbaar. De universiteiten beklagen zich nu al over de instroom vanuit het voortgezet onderwijs; het eerste jaar wordt steeds meer besteed aan het ‘bijspijkeren’ van studenten.

Rinnooy Kan vreest het moment dat ouders het heft in eigen hand nemen: ‘Mijn grootste zorg is dat verontruste, vermogende ouders op eigen houtje de school van hun kind gaan financieren en met dat geld de beste leraren werven. Dat zal ten koste gaan van de kwaliteit van scholen in de probleemwijken. Lesgeven in deze wijken is zwaar en de kans bestaat dat de leraren liever uitwijken naar een school met minder werkdruk of meer geld.’ De kwaliteitskloof die nu al tussen deze wijken heerst, wordt daardoor nog groter.

Het particuliere onderwijs is voor de leraar een verleidelijk alternatief. Zo langzamerhand zijn de privé-scholen hun negatieve imago – rijke uitgerangeerde leerlingen zouden er een diploma kunnen kopen – kwijtgeraakt. De particuliere sector groeit en heeft het keuzepakket sterk uitgebreid. Voorheen werden vooral examenjaren aangeboden, tegenwoordig worden op diverse privé-scholen lessen verzorgd vanaf de brugklas. Het stijgende aanbod leidt tot meer vraag naar goede leraren en met die goede leraren zou de privé-school ook voor de leerling een aantrekkelijk alternatief kunnen zijn.

Of de privé-school in de toekomst een geduchte concurrent wordt van het reguliere onderwijs blijft voor Aalt Prins, directeur van het particuliere Stebo-college in Amsterdam, onzeker. Volgens Prins is het maar de vraag of privé-scholen profijt hebben bij het tekort: ‘De privé-sector krijgt geen subsidies van het Rijk en wordt volledig bekostigd met geld van de ouders. Als het de minister van Onderwijs lukt om jaarlijks anderhalf miljard extra vrij te maken voor een salarisverhoging, dan zal het privé-onderwijs daarin mee moeten. Dat betekent dat wij meer collegegeld moeten vragen, anders lopen de leraren bij ons weg.’

Volgens Prins is een hoger salaris niet de ultieme oplossing: ‘Uiteenlopende onderzoeken hebben aangetoond dat een dergelijke injectie een beperkte houdbaarheid heeft. De gemiddelde docent kiest niet voor het geld, maar omdat hij er plezier aan beleeft om met leerlingen te werken. Dat is de belangrijkste arbeidsvoorwaarde. In dat opzicht kan het particuliere onderwijs de concurrentie gemakkelijk aan.’ Immers: particuliere scholen hebben een kleinschalig karakter. Waar reguliere scholen vaak 1400 leerlingen tellen, is tweehonderd leerlingen op een privé-school al veel. Leerlingen krijgen er meer persoonlijke aandacht, voor vele leraren een aanlokkelijke en stimulerende omgeving.

Een dergelijke werkomgeving zal in het reguliere onderwijs niet snel ontstaan. Het is nu al duidelijk dat de voorstellen van de commissie-Rinnooy Kan meer geld vergen dan de anderhalf miljard euro waarvoor minister Plasterk zich nu sterk maakt. En dan nog valt te betwijfelen of de injectie de werkomgeving op reguliere scholen zo verbetert dat deze aanlokkelijk blijft voor de kieskeurige leraar. Want, alle voorgestelde adviezen ten spijt: de toekomst blijft onvoorspelbaar. De commissie-Van Rijn, die in 2001 haar advies voor het onderwijs uitbracht, rekende niet op een recessie; belangrijke investeringen in het onderwijs bleven toen uit vanwege bezuinigingen. Ook Rinnooy Kan twijfelt: ‘Het is lang niet zeker of de noodmaatregelen uit het rapport het tekort zullen dragen. Bottom line is dat iedereen zich moet realiseren wat er aan de hand is.’