Moslimfundamentalisme

De slapende cellen van Europa

De Amerikaanse kritiek dat Europa moslimmigranten in de watten legt en daarmee islamitisch terrorisme in de hand werkt mag dan te ver gaan, feit is dat Europa onderdak biedt aan fundamentalistische groeperingen zoals al-Qaeda.

Zijn de Europeanen soft on islam zoals ze tijdens de Koude Oorlog soft on communism waren? Sinds 11 september zijn de meeste Europese hoofdsteden niet te vinden voor een «harde» aanpak van islamitische terroristen, Saddam Hoessein of de Iraanse ayatolla’s, terwijl ze evenmin lijken te beschikken over een alternatief. Washington toont tenminste daadkracht, al getuigt het Amerikaanse beleid inzake al-Qaeda, Irak of het moderne oorlogs recht misschien van weinig visie.

Amerikaanse commentatoren zoeken de verklaring in een analogie met de vroegere Sovjet-Unie. Ze wijten onze terughoudendheid aan de nabijheid van de Arabische wereld en de grote aantallen islamitische migranten op Europees grondgebied. In gezaghebbende Amerikaanse media zoals The Washington Post gaan stemmen op dat Europa buitengewoon naïef omgaat met zijn moslimmigranten. Onze veiligheid loopt gevaar omdat we een migratiebeleid voeren op humanitaire gronden en asielzoekers met radicale denkbeelden geen strobreed in de weg leggen. In Amerika krijgen nieuwkomers daarentegen te maken met een strenge immigratiedienst en een greencard-systeem gebaseerd op economische noodzaak. Migranten zouden daar veel nauwkeuriger worden doorgelicht en bewust gemaakt van hun grondwettelijke verplichtingen. Vervolgens worden ze gedwongen de taal te leren en hard te werken en niet, zoals in Europa, met «behoud van hun identiteit» in de watten gelegd.

In onze buitenlandse politiek zouden we ons laten leiden door angst voor de groeiende invloed van moslimmigranten, voor ontsporingen in de vorm van gettovorming, straat gevechten en aanslagen, maar ook voor conflicten met hun landen van herkomst, onze Arabische en andere islamitische handelspartners, met name de olierijke landen rond de Golf. Kortom, de nabijheid van het Midden-Oosten en Noord-Afrika zou ons verlammen. We prediken de dialoog omdat we niet in staat zijn krachtig en eensgezind op te treden met als gevolg dat Europa een ideale kweekvijver voor islamitisch terrorisme is geworden.

De islamofobe ondertoon van zulke verwijten is onmiskenbaar. Dat bleek al in de week na 11 september vorig jaar toen George Bush zich — al dan niet bij vergissing — liet ontvallen dat hij een nieuwe «kruistocht» wilde beginnen. Begin dit jaar zei minister van Justitie Ashcroft in een radio-interview: «De islamitische God eist van mensen dat ze hun zoon de dood in sturen. De christelijke God stuurt zijn eigen zoon om voor ons te sterven.» Maar twijfels over de Europese slagvaardigheid leven niet alleen in de christelijk-conservatieve hoek. «Kan Europa ondanks zijn immigranten zijn waarden behouden?» vraagt onderzoeker Andrew Reding van het progressieve World Policy Institute zich in een recent artikel af. Hij komt tot de slotsom dat «de Europese sociaal-democraten» te lang een «onverdraagzame islam» hebben getolereerd: «Terwijl Amerikanen zich enkel zorgen maken over incidentele aanslagen die hun fundamentele instituties niet in gevaar brengen, vrezen de Europeanen dat immigranten de klok van eeuwen sociale vooruitgang terugdraaien.»

Die zienswijze is niet van vandaag of gisteren. In The Clash of Civilizations (1997) beschrijft Samuel Huntington de islamitische migranten in Europa als een vijfde colonne die ons, westerlingen, verhindert «onze doelstellingen met betrekking tot wapenproliferatie, mensenrechten, immigratie en andere kwesties te realiseren». Andere auteurs, zoals de Britse hoogleraar internationale betrekkingen Barry Buzan, menen dat Europa om zowel geografische als demografische redenen de «frontlinie» van een komende koude oorlog tegen de islam vormt. En volgens de conservatieve Amerikaanse columnist Mark Steyn is het islamitisch terrorisme zelfs een regelrecht product van de Europese welvaartsstaat.

Mohammed Atta, Zaccarias Moussaoui en andere betrokkenen bij 11 september konden hun overval beramen op kosten van de Europese belastingbetaler, schrijft Steyn: «In de stinkende sociale woningbouw van Londen, Parijs, Frankfurt en Rotterdam krijg je van de overheid geld toe om de hele dag in je flatje te zitten en plannen te maken om de wereld te veroveren.» In de VS zouden moslimjongeren de handen uit de mouwen moeten steken en geen tijd hebben om te radicaliseren, laat staan dat ze door een weifelende overheid met fluwelen handschoenen worden aangepakt: «Amerika heeft miljoenen moslims, maar ze gooien geen brandbommen in synagogen en slaan geen joden in elkaar. En als ze dat wél deden, zou de politie niet de andere kant op kijken.»

Tot zo ver het schellinkje. Toch zit er een kern van waarheid in de verwijten. Het is een feit dat Europa een slagveld van conflicterende levensopvattingen is geworden. Niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk, getuige de etnische rellen en opstanden in de buitenwijken van Parijs, Londen en andere grote steden. De Europese samenleving is overwegend seculier, in tegenstelling tot de Amerikaanse, en in dat opzicht meer een smeltkroes dan de semi-theocratische Verenigde Staten. En het is, bovenal, waar dat Europa onderdak biedt aan islamistische groeperingen zoals al-Qaeda die het op de Verenigde Staten hebben voorzien, een feit dat de Amerikanen in het bijzonder verontrust. Zijn die groeperingen soms geen verlengstuk van ons eigen anti-amerikanisme?

In één opzicht gaat de redenering alvast niet op. De aanwezigheid van islamitische migranten heeft een groeiende invloed op de binnenlandse politieke agenda van de meeste Europese landen, maar de indruk dat ze daarom een machtsfactor vormen, is gezichts bedrog. Om te beginnen wordt hun aantal schromelijk overdreven. Naar schatting van de Europese bureaus voor statistiek bevinden zich in Europa twaalf miljoen islamieten, maar dat is volgens alle deskundigen natte vingerwerk. «Statistici nemen meestal het land van herkomst als criterium», zegt migratieonderzoeker Jeroen Doomernik. «Dan kom je uit op onzinnige getallen. Het CBS heeft dat gedaan voor Nederland; de conclusie was dat hier achthonderdduizend moslims wonen. Maar lang niet iedere Turk, Syriër of Palestijn is islamiet en onder prak tiserende moslims heb je weer zoveel uiteen lopende stromingen en tradities dat de eenheid ver is te zoeken.»

In Frankrijk heeft de islam een overheersend Noord-Afrikaans karakter, in Groot-Brittannië zijn de meeste moslims afkomstig uit Pakistan, India en andere voormalige Aziatische koloniën, terwijl in Duitsland meer dan twee miljoen Turkse gastarbeiders en hun nazaten hun stempel op de godsdienst drukken. In Griekenland zijn dat de etnische Albanezen, in Nederland en België vooral Marokkanen. Van een «Europese islam», zoals nagestreefd door intellectuele voor gangers als Tariq Ramadan en Mohammed Arkoun, is dan ook geen sprake. En zelfs de «nationale» versies van de islam maken binnen Europa geen vuist.

«Er is geen rechtstreekse invloed van Ankara op de Duitse buitenlandse politiek, van Rabat op de Nederlandse of van Tunis op de Franse buitenlandse politiek», zegt Jacques Waardenburg, islamoloog en hoogleraar te Lausanne. «Ik denk wel dat de aanwezigheid van bepaalde bevolkingsgroepen van invloed is op ons beleid jegens de landen van herkomst. De houding van de EU-landen tegenover Ankara is bijvoorbeeld aan het veranderen onder invloed van de Turkse migratie. En wanneer Joschka Fischer met zijn Turkse ambtsgenoot spreekt, houdt hij terdege rekening met de gevoelens van die twee miljoen Turken in zijn land. Ook al hebben ze dan geen stemrecht, toch kan hij het zich niet veroorloven hen voor het hoofd te stoten. Dat zou ten koste van de innere Frieden gaan.»

Moslimmigranten hebben dus hooguit een remmende invloed op het buitenlands beleid, een invloed die bovendien verschilt per land. Groot-Brittannië onderhoudt vanouds contacten met islamitische landen via het Gemenebest, maar het trekt zich in zijn Midden-Oostenbeleid nauwelijks iets van hen aan. Frankrijk daarentegen houdt in zijn Midden-Oostenbeleid al heel lang rekening met de Noord-Afrikanen binnen zijn grenzen, maar dat is meer een kwestie van nationaliteit dan van godsdienst. Waardenburg noemt het «onzinnig» om te spreken van een «islamitische component» in het Europees buitenlands beleid: «Het institutionele kader daarvoor is helemaal niet aanwezig. In sommige landen doen grotere islamitische organisaties moeite om erkend te worden en op beleidsniveau mee te praten, maar dat is meer een vrome wens dan werkelijkheid.»

De handelsbetrekkingen lijken van meer invloed te zijn op de verwijdering tussen Europa en de VS. In 1998 bedroeg de handel van de Europese Unie met Noord-Afrika zeventig miljard euro, de Amerikaanse 46 miljard. In 1995 begon de Unie met het Barcelona Proces, een samenwerkingsverband met twaalf Noord-Afrikaanse landen dat moet uitmonden in een vrijhandelszone. Daarnaast sluit de EU steeds meer bilaterale handelsverdragen met Noord-Afrikaanse en Arabische landen. De Perzische Golf is nog altijd goed voor zeventig procent van de Europese olie en wanneer Turkije tot de Unie toetreedt, grenst het verdragsgebied zelfs rechtsreeks aan Golfstaten. Het Europese toenaderingsbeleid tot het zich geleidelijk democratiserende Iran, dat sterk afwijkt van de Amerikaanse krachttaal over Teheran als onderdeel van de «As van het Kwaad», is dan ook in ons welbegrepen eigenbelang.

Ook op een dieper niveau zijn de landen ten noorden en ten zuiden van de Middellandse Zee tot elkaar veroordeeld. Europa vergrijst en kampt met groeiende tekorten op de arbeidsmarkt. Het Midden-Oosten en de Noord-Afrikaanse landen bevinden zich midden in een bevolkingsexplosie. Aangezien hun stagnerende economieën de aanwas niet kunnen absorberen, ontstaat er een onderlaag van ambitieuze maar kansloze jongeren met alle sociale en politieke ontwrichting van dien. Een recent UNDP-rapport over de Arabische wereld schetst de context waarin deze ontwikkeling kan worden tegengegaan: niet door nieuwe ontwrichtende oorlogen, maar door het soort regionale en internationale samenwerking waarin de EU het voortouw heeft genomen.

Het verwijt dat Europa moslims de ruimte geeft om zich te ontwikkelen tot terroristen houdt daarentegen stand: het merendeel van de gewelddadige islamisten blijkt zich op Europese bodem te organiseren en voor te bereiden op de strijd tegen Amerika. In een special van The Economist van 10 augustus over moslims in Europa wordt gesteld dat al-Qaeda-leden in Europa «actiever» zijn dan in de VS. Volgens FBI-directeur Robert Mueller is Europa in veel opzichten een betere uitgangsbasis voor het opzetten van extremistische cellen. Dat heeft vooral te maken met de geografie van de Europese Unie: terroristen kunnen makkelijk Europa in en uit rijden, vliegen, lopen of desnoods zwemmen. De buitengrenzen zijn tamelijk «doorlaatbaar» en de interne bewegingsvrijheid is sinds het Schengengverdrag groot. Zij kunnen voorts comfortabel en onzichtbaar een bestaan opbouwen in de diverse Europese samenlevingen.

Daar staat tegenover dat alle 11 september-daders de VS zijn binnengekomen en er maanden of zelfs jaren onopvallend hebben gefunctioneerd. Kennelijk biedt de veel anoniemere Amerikaanse samenleving ook alle ruimte aan radicalen om onopvallend op te gaan in het dagelijks leven. En de VS vormen zelf evengoed een rekruteringsgrond voor islamisten, zoals de Srilankaanse onderzoeker Rohan Gunaratna aantoont in zijn boek Inside al-Qaeda: Global Network of Terror (2002), waarvoor hij meer dan vijf jaar diepgaand en soms riskant onderzoek deed.

De aanhang beperkt zich niet tot postmoderne afzwaaiers als de Amerikaanse Taliban-krijgsgevangene John Walker Lindh, afkomstig uit het liberale Marin County in Californië. Gunaratna: «De steun voor al-Qaeda in de VS is aanzienlijk. Bin Laden geeft de voorkeur aan gefortuneerde islamieten die dankzij hun geld, netwerken en Amerikaans burgerschap de beweging grote diensten kunnen bewijzen.»

Het neemt allemaal niet weg dat Europa zowel kweekvijver als operatiegebied van anti-Amerikaanse moslimgroeperingen is. Het plan voor de aanslagen van 11 september werd niet voor niets uitgebroed in Londen, voorbereid in Hamburg en acht weken vóór de fatale datum beklonken op een «terroristentop» aan de Spaanse kust. Het verhaal van die topontmoeting in Taragona is de vrucht van tien maanden Spaans politieonderzoek, waaruit onder meer blijkt dat Mohammed Atta, zijn voornaamste medewerker Al-Shehhi en andere toekomstige kapers en samenzweerders regelmatig in Spanje topoverleg voerden met een coördinator van al-Qaeda, de Jemeniet Ramzi Binalshibh. Nu van Atta, Mous saoui en andere kapers en al-Qaeda-leden de levensloop stukje bij beetje uit getuigenverhoren kan worden gereconstrueerd, blijkt dat ze vrijwel allemaal korter of langer in West-Europa hebben verbleven en dat het zwaartepunt van de organisatie en rekrutering in Londen lag.

De Franse binnenlandse veiligheidsdienst DST, gepokt en gemazeld in de strijd tegen fundamentalistische Algerijnse en Tunesische terroristen, wist dit al langer. De dienst heeft meer dan tien jaar tevergeefs gewaarschuwd voor de gevolgen indien westerse overheden de dreiging van deze gestaag groeiende netwerken niet serieus namen. In 2000 waren Londen en Washington eindelijk bereid tot nadere samenwerking; te laat om de aanslagen van 11 september te voorkomen, maar op tijd om het complot althans achteraf te kunnen ontrafelen.

In juli 2001 werd in Dubai de 36-jarige Algerijn Djamal Beghal aangehouden terwijl hij op een vals Frans paspoort van Pakistan naar Europa terugreisde. De DST kreeg toestemming hem te verhoren en ontdekte al gauw zijn ware identiteit.

Beghal werd hard aangepakt, sloeg door en verried talloze namen en operationele details van zijn organisatie. Beghal bleek persoonlijk terroristen als Moussaoui en Richard Reid te hebben gerekruteerd en doorgestuurd naar Afghaanse trainingskampen. Op grond van zijn aanwijzingen konden de Europese veiligheidsdiensten in de nasleep van 11 september een heel netwerk oprollen dat zich uitstrekte over Spanje, Italië, Groot-Brittannië, Frankrijk, België en Nederland.

Zo bezien kun je de Amerikaanse redenering ook omdraaien: zonder Europese hulp zouden de VS machteloos staan tegenover al-Qaeda. Gunaratna: «Europa ligt nu eenmaal dichter bij het Midden-Oosten. De Europeanen hebben er veel meer ervaring mee dan de Amerikanen, ze zijn beter ingelicht over de Arabische wereld en ze zijn realistischer.»

Het spoor leidde uiteindelijk naar Londen, in het bijzonder de Finsbury Park-moskee die in de jaren negentig als een soort magneet diende voor islamistische activisten. Momenteel wijzen de veiligheidsdiensten in Washington, Parijs, Berlijn en hoofdsteden in het Midden-Oosten ronduit naar Groot-Brittannië als «draaischijf» van islamitisch terrorisme. De cijfers lijken het te bevestigen. Twee mannen uit Tipton en één uit Londen worden momenteel vastgehouden in Camp X op verdenking van lidmaatschap van al-Qaeda. Tijdens de gevechten in Afghanistan stierven tenminste drie Britse moslims aan de zijde van de Taliban. De moordenaar van de Amerikaanse journalist Daniel Pearl bleek een 27-jarige Brit te zijn, Omar Saeed Sheikh, afkomstig uit de Londense wijk Wanstead en afgestudeerd aan de London School of Economics.

Richard Reid, de man die in december een transatlantische vlucht wilde opblazen met behulp van de roemruchte «Amsterdamse bomschoen» en eveneens Londenaar, is tegelijk met Moussaoui in Afghanistan opgeleid. In de zwaarbeveiligde Belmarsh-gevangenis zitten inmiddels zoveel «Binmen» vast dat er een hele vleugel naar hen is genoemd. Twee maanden terug maakten de Britse veiligheidsdiensten bekend dat ze jacht maakten op nog eens vijftig door al-Qaeda getrainde moslim strijders, merendeels kinderen van Pakistaanse migranten, die na de val van de Taliban naar Groot-Brittannië waren teruggekeerd.

Ook Nederland is geen oase van godsdienstvrede. Op 13 september 2001 pakte de Rotterdamse politie al enige moslimextremisten op die van plan zouden zijn geweest aanslagen te plegen op de Amerikaanse ambassade in Parijs en op de Navo-basis Kleine Brogel, net over de Belgische grens ten zuiden van Valkenswaard, waar tien Amerikaanse kernbommen opgeslagen zouden liggen. Het is niet duidelijk of ons land aan een ramp is ontsnapt, aangezien de basis streng wordt bewaakt en de verdachten kennelijk niet verder kwamen dan het vervalsen van paspoorten en creditcards. Volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) behoren ze tot de radicale beweging Takfir wal Hijra, die deel uitmaakt van het internationale netwerk van al-Qaeda. Vrijdag zijn op last van de AIVD opnieuw zeven verdachten aangehouden die Nederlandse moslimjongeren zouden hebben gerekruteerd voor Bin Ladens trainingskampen. Ook de aan al-Qaeda verwante Algerijnse beweging Groupe Salafiste pour la Predication et le Combat lijkt in ons land actief te zijn.

Zo blijkt elk land zijn eigen al-Qaeda-cellen, terroristische «slapers», dubieuze financiers en islamistische liefdadigheidsinstellingen van Saoedische oorsprong te hebben. Kennelijk sluimert het gevaar van radicalisering overal in Europa, zowel onder laaggeschoolde als goed opgeleide moslims. In dit verband is van belang dat Amerika een andere migrantenpopulatie kent dan Europa: de vier tot zes miljoen Amerikaanse islamieten zijn hoger opgeleid en beter geïntegreerd, niet in de laatste plaats omdat ze voor minstens de helft zwarte bekeerlingen zijn. Ze beschikken over eigen media en krachtige organisaties die belangrijke symbolische overwinningen afdwingen, bijvoorbeeld het recht van moslimvrouwen om mét hoofddoekje op hun paspoortfoto te staan. Hetzelfde geldt voor de Amerikaanse Arabieren, die weer lang niet allemaal islamitisch zijn, maar wel banden onderhouden met landen en groeperingen in de Arabische wereld.

In Europa bestaat de migrantenpopulatie grotendeels uit laaggeschoolde of zelfs ongeletterde migranten, wier confrontatie met de moderne wereld en in het bijzonder de seculiere samenleving veel harder is. Volgens Hans Jansen, universitair docent Arabische taal en islam, heeft de tweede generatie allochtonen grote moeite met haar identiteit: «Sommigen kunnen inderdaad gevoelig zijn voor een ‹achterneef van een achterneef› uit het moederland die hen met overtuigingskracht helpt met hun identiteitsprobleem. In de VS integreer je makkelijker dan in Europa. Letterlijk hoor je mensen in Amerika zeggen: ik ben eerste generatie Amerikaan, terwijl je bij ons hoort zeggen dat ze derde generatie Turk zijn. Dat is psychologisch gezien een groot verschil. Amerika is bovendien veel meer een christelijke gemeenschap. Mijn intuïtie zegt dat het verschil inderdaad een grote rol speelt, maar hardmaken kan ik dat niet.»

Maar waarom lijkt Europa vooral te fungeren als transithaven voor terroristen die een appeltje te schillen hebben met de VS? Hun inspiratie moet je niet hier zoeken, maar in hun vaderland en in de Amerikaanse interventies in het Midden-Oosten en de Golf, zegt Nico Landman, docent Arabische, Perzische en Turkse talen en culturen. Hij noemt de Zesdaagse Oorlog in het Midden-Oosten in 1967 «de grote klap». Een hele generatie Arabische leiders voelde zich in de steek gelaten door het Westen. Landman: «Leiders die seculier hadden gedacht, gingen toen zoeken naar religieuze alternatieven. Twee andere gebeurtenissen hadden een katalyserende werking: de Iraanse revolutie in 1979 en meer recent twee wisselingen van leiderschap; de verkiezingen van Sharon en Bush hebben de broze Israëlisch-Palestijnse verhouding in een neerwaartse spiraal gebracht.»

Allemaal waar, zegt Gunaratna, maar dat neemt niet weg dat die conflicten ook op Europees grondgebied worden uitgevochten: «Het ontbreekt de Europese publieke opinie aan het vereiste gevoel van urgentie. Europese regeringen blijven soft on terrorism zolang er geen grootscheepse aanslagen van al-Qaeda tegen Europeanen plaatsvinden. Al-Qaeda weet dat en ontziet om die reden Europese doelen. Misschien moeten er eerst meer Europeanen sterven voordat jullie de terreurgroepen op eigen bodem eens goed aanpakken.»