De VVD vergrijpt zich aan de Eerste Kamer

De slaperdijk van de rechtsstaat

Volgens VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra staat de Eerste Kamer het kabinet maar in de weg en kan ze beter worden opgedoekt. Maar tegenover de nerveuze Tweede Kamer, fulltime in de schijnwerpers, is een instituut met afstand tot de waan van de dag onmisbaar.

Medium ek

Het debat over het functioneren van de Nederlandse democratie doet Piet Hein Donner soms denken aan Procrustes, de herbergier uit de Griekse mythologie die op pijnlijke wijze de lengte van zijn gasten aanpaste aan het bed dat hij hun ter beschikking stelde. Waren ze te kort, dan rekte hij met geweld de ledematen uit, waren ze te lang, dan zette hij zonder aarzelen de bijl in zijn clientèle.

Op vergelijkbare wijze, afhankelijk van de politieke mode van het moment, cirkelt het debat over de democratie volgens Donner vaak om één invalshoek. In de bijdrage van de vvd aan dit debat is die blikvernauwing evident. Alles wat de liberalen de laatste jaren in de sfeer van staatkundige vernieuwing hebben geopperd, van proefballon tot voldragen initiatieven, heeft het verlangen naar krachtdadig handelen als motief. De democratie moet een efficiënte besluitvormingsmachine worden, directer en sneller dan nu. Naar die maat wil de vvd het bestel aanpassen, gelijk Procrustes zijn gasten.

Loek Hermans, de vvd-fractieleider in de Eerste Kamer, laat over dat motief ook geen misverstand bestaan. Het gaat hem om het behoud van een ‘krachtige bestuurlijke lijn’, zei hij in de toelichting op zijn initiatief voor een staatscommissie die het nut van het tweekamerstelsel gaat onderzoeken. Zijn geestverwante collega in de Tweede Kamer, Halbe Zijlstra, was eerder al uitgesproken over het werkelijke doel van die operatie, toen hij zei dat de Eerste Kamer beter kan worden opgedoekt als zij het kabinet telkens in de weg staat.

SP-senator Tiny Kox doorzag het opzetje. Wil de vvd de ‘parlementaire overlast’ voor de regering soms beperken? was de retorische vraag die hij Hermans stelde. Ook Donner zinspeelde in zijn Van der Grintenlezing op de fatale bedoelingen die achter initiatieven als die van Hermans kunnen schuilgaan. De vice-president van de Raad van State past terughoudendheid in zijn commentaar, maar voor de goede verstaander was duidelijk waarom Donner eraan herinnerde dat de gasten van Procrustes diens behandeling doorgaans met de dood bekochten.

Bij de liberalen, die na het premierschap van Cort van der Linden (1913-1918) voor het eerst in honderd jaar weer de leidende partij van het land zijn, druipt de ergernis over de ingebakken traagheid van het Nederlandse bestel, dat geheel van macht en tegenmacht, er soms vanaf. Zo diende de vvd uit verontwaardiging over een gerechtelijke correctie van een al te abrupt ingevoerde wet prompt een initiatiefwet in om rechters de bevoegdheid te ontnemen wetten aan mensenrechtenverdragen zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te toetsen. Het argument van Kamerlid Joost Taverne: ‘De regering mag niet meer door de rechter in de wielen worden gereden als ze beloftes aan de kiezer wil uitvoeren.’

Sentimenten over de hindermachten in het bestel klonken ook door in de argumentatie die premier en vvd-leider Mark Rutte destijds aanvoerde voor het kortwieken van het parlement. Zijn eerste kabinet wilde de Tweede Kamer halveren tot 75 zetels en de Eerste met 25 inkrimpen tot 50. Bij de presentatie van het wetsvoorstel, dat bij de formatie van Rutte II onder druk van de pvda is ingetrokken, sprak Rutte over het parlement als een ‘politieke kaste’ die kritisch naar zichzelf moet kijken, zeker omdat zij door ‘de belastingbetaler’ wordt gefinancierd. In krappe tijden kon dat wel wat minder, meende hij.

Een betere bewapening van de volksvertegenwoordiging in haar controle van de macht was destijds, in 1956, juist het hoofdargument om de beide Kamers te vergroten tot het huidige aantal zetels. In dat licht was het initiatief van Rutte I voor een kleiner parlement niets anders dan een vorm van machtsconcentratie bij het kabinet, ten koste van zijn eigen tegenmacht.

Als weinig andere instituties gaat de Eerste Kamer gebukt onder het imago van een wereld van gisteren die de dynamiek van modern bestuur nodeloos afremt. De tv draagt aan die indruk van een overleefd instituut bij, met haar gewoonte om debatten over het voortbestaan van de senaat te omlijsten met cliché-beelden van oude mannen die het dutje in de Kamerbankjes afwisselen met een sigaar in de wandelgangen. De Eerste Kamer is eigenlijk nog steeds het beestenspul van de koning, de ménagerie du roi, die zij van oorsprong was, willen die beelden zeggen.

De aanval op de Eerste Kamer past in een beweging in het Nederlandse bestel waarin het bestuurlijke in toenemende mate het politieke overheerst. Die beweging is niet van vandaag of gisteren. In Nederland met zijn regententraditie bestaat vanouds een grote waardering voor het bestuurlijke. Goede politiek houdt in deze traditie goed besturen in. Het hebben van macht staat daarom in hoger aanzien dan de controle op de macht, zoals bijvoorbeeld uitgeoefend in de senaat. Sterk leiderschap is geboden, heet het, zeker in een tijd dat de verscherpte economische concurrentie snel handelen vergt.

De Tweede Kamer moet het meer en meer hebben van een theatrale verbeelding van wat onder de mensen leeft

Als een dynamisch bestuur het archimedische punt is in het politieke denken en handelen ligt het in de rede tegenmachten in hun remmende werking te beknotten, desnoods door ze te kortwieken of zelfs af te schaffen. Het doelwit is in potentie elke institutie die de drang naar onmiddellijkheid tempert en afstand houdt van de waan van de dag. Naast de Eerste Kamer is dat bijvoorbeeld de Raad van State. Het zal geen toeval zijn dat dit instituut, onder meer belast met de zorgvuldigheidstoets van nieuwe wetgeving, tegenwoordig niet zelden nul op het rekest krijgt met zijn wetgevingsadviezen.

De vereenzelviging van politiek met bestuur is onder druk van de omstandigheden niet minder geworden, integendeel. Daaraan draagt ook de sluipende invloed die het populisme op de oude orde uitoefent bij, met zijn boodschap dat ‘Haags gedoe’ een directe uitvoering van de wil van de zwijgende meerderheid in de weg staat. Onder deze druk heeft de uitvoerende macht een grotere legitimatie voor krachtig interventionisme, zonder al te zwaar tegenwicht van haar controleurs.

Op zich kan er niets op tegen zijn dat het land soepel wordt bestuurd, maar goed bestuur is niet alles wat de politiek inhoudt. ‘Politiek is je afvragen hoe je het nog niet bestaande, het onmogelijke aan de orde stelt. Het is de kunst van het open houden van wat zou kunnen’, zei politiek filosoof Paul Kuypers onlangs in een publieke discussie met Herman Tjeenk Willink, sinds jaar en dag zijn intellectuele sparringpartner. Hij vervolgde: ‘Het bestuurlijke staat daar haaks op. Dat gooit juist alles dicht.’ Ook Tjeenk Willink, Donners voorganger bij de Raad van State, constateerde dat onder de overheersing van het bestuurlijke ‘het politieke uit de opdracht van de moderne politicus is verdwenen’.

De toegevoegde waarde van de Eerste Kamer aan het Nederlandse bestel is dat deze die lacune kan vullen, juist dankzij haar eigen plaats in dat bestel. ‘Als je in de politiek een zaak geheim wilt houden, begin er dan over in de Eerste Kamer’, zei oud-senator Guus Zoutendijk ooit. Niettegenstaande de ironie in zijn uitspraak, zag de liberaal een voordelige kant aan de publiciteitsluwte waarin de Eerste Kamer haar werk verzet. Buiten het oog van de camera’s neemt zij soms in rust besluiten die in de Tweede Kamer hapklare brokken voor het mediacircus zouden zijn geweest.

Zonder dat er een haan naar kraaide, verwierp de Eerste Kamer zo ooit de invoering van smartengeld voor de naasten van iemand die zwaar is getroffen door een ongeluk, of dat zelfs niet heeft overleefd. Zonder tegenstem aanvaard in de Tweede Kamer stuitte het wetsvoorstel voor de vergoeding van ‘affectieschade’ bij een senaatsmeerderheid op onoverkomelijke bezwaren.

Er is niet veel fantasie voor nodig om de explosieve lading van dit onderwerp te onderkennen. Bij een ‘nee’ van de Tweede Kamer zouden de tv-camera’s ongetwijfeld spoedig zijn gericht op de ouders van een kind dat de dood vond onder de wielen van een vrachtauto. Dat volle licht van de publiciteit ontbreekt in de Eerste Kamer. De senatoren konden daardoor dieper doorgraven in de ethische dilemma’s en praktische juridische bezwaren, zonder het directe risico dat zij in De Telegraaf als harteloze punaisepoetsers te kijk zouden worden gezet.

Het gaat hier niet om een inhoudelijk oordeel over het standpunt van de senaat. Relevant is dat een politiek bestel dat ontegenzeglijk onder druk staat van emoties, spektakel en scoringsdrift, is gebaat bij een eigen domein dat ruimte biedt aan juridische ambachtelijkheid, afstandelijkheid tot de waan van de dag en een attitude van onafhankelijkheid. Oud-hoogleraar parlementaire geschiedenis Joop van den Berg noemt de Eerste Kamer daarom de ‘slaperdijk van de rechtsstaat’.

Ook in het debat over onverdoofd ritueel slachten, eind 2012, vervulde de senaat die rol. Nadat de Tweede Kamer op initiatief van de Partij voor de Dieren zich voor een verbod had uitgesproken, kwam de Eerste in grote meerderheid tot een ander inzicht, op basis van een nadere weging van botsende waarden als dierenrechten, godsdienstvrijheid en tolerantie. Daarmee was het verbod van de baan, op rechtsstatelijke gronden. Toch was het veel emotioneler geladen debat eerder in de Tweede Kamer niet voor niks geweest. De voorstanders van het verbod konden op hun conto schrijven dat het leed dat mensen de dieren aandoen om vlees te kunnen eten nu op ieders netvlies stond.

Langzaam maar zeker tekent zich zo een nieuwe rolverdeling tussen Tweede en Eerste Kamer af. Historicus Remieg Aerts signaleerde al eens dat de Tweede Kamer het meer en meer moet hebben van een theatrale verbeelding van wat onder de mensen leeft. In het tijdperk van Twitter en talkshow is dat waarschijnlijk onvermijdelijk. De Tweede Kamer krijgt een meer symbolische rol te spelen, als podium waarop de onvrede en wensen van de natie worden vertolkt. Op zich is dat niet louter achteruitgang. Zo fungeert zij als het ware als een spiegel van maatschappelijke beroeringen, kan zij zichtbaar maken hoe diep een bepaalde kwestie mensen raakt en krijgt zij eerder inzicht in de conflicten die de maatschappelijke vrede kunnen bedreigen.

Tegenover een wat zenuwachtig instituut als de Tweede Kamer, 24 uur per dag gevangen in het oog van de tv-camera’s, is een tegenwicht dat het eerder moet hebben van haarkloverij dan van wapengekletter onmisbaar. Des te wranger dat uitgerekend de partij die nu de bijl voor de Eerste Kamer scherpt voorop heeft gelopen in de introductie van showelementen in de senaat. In haar oppositietijd, ten tijde van het kabinet-Balkenende IV, diende de vvd in de Eerste Kamer de ene na de andere ‘declaratoire’ motie in. Verwerping stond bij voorbaat vast, het ging louter om de aandacht die de liberalen met een uitgesproken standpunt op zich wilden vestigen. Zo’n vorm van expressiepolitiek, dagelijkse praktijk in de Tweede Kamer, was tot dan toe niet vertoond in de senaat. Onder leiding van toenmalig fractieleider Uri Rosenthal stemde de vvd-senaatsfractie destijds ook tot drie keer toe tegen het jaarlijkse belastingplan. Zo’n poging om de regering te dwarsbomen in het doen van uitgaven geldt als niet minder dan een destructieve daad. De vvd gedraagt zich dus al langer net zo onbehouwen als Procrustes in zijn tijd.