Adam Hochschild, Bevrijd de slaven! Het verhaal van de eerste mensenrechtencampagne

De slaven van Engeland

Adam Hochschild

Bevrijd de slaven! Het verhaal van de eerste mensenrechtencampagne

Uit het Engels vertaald door Ankie Klootwijk en Ernst de Boer

Meulenhoff, 478 blz., e 27,50

Adam Hochschild schreef eerder De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo, een helder overzicht van de verrijking van België ten koste van Kongo, nog geen honderd jaar geleden. Het nieuwe boek van deze schrijver sloeg ik gretig open. Maar ik kwam niet verder dan de eerste 150 bladzijden en hier en daar een plukje.

Het is hoogst vervelend om dit boek te moeten afvallen, want Hochschild vertelt nog eens uitvoerig het belangrijke verhaal van hoe het kapitaal voor Engelands industriële revolutie via Liverpool en Bristol over de rug van gevangen Afrikanen werd binnengehaald. Bovendien koos hij een boeiende invalshoek door de Britse slavenhandel te belichten aan de hand van de meest vasthoudende critici. Tegelijk met het gruwelverhaal van de vele winstbeluste Britten die massa’s Afrikanen met zwepen, boeien en brandijzers tot slaven maakten, vertelt hij de nobele geschiedenis van de weinige onzelfzuchtigen die zich verzetten tegen de gangbare praktijken. Hochschild laat de antislavernijbeweging in 1787 in Engeland beginnen omdat volgens hem eerdere critici slechts weinig mensen bereikten. Om de Engelse «abolitionisten» te kunnen overladen met overbodige superlatieven moet hij de Franse Verlichtingsdenkers vrijwel compleet negeren. Maar Voltaire liet in zijn veelgelezen korte roman Candide of het optimisme al in 1758 een slaaf in Suriname aan een paar ontstelde Franse reizigers rapporteren: «Wanneer wij in de suikermolens werken en een van onze vingers raakt beklemd in de mangel, hakken ze onze hand af; wanneer wij willen vluchten, hakken ze ons een been af: mij overkwam beide dingen. Het is voor deze prijs dat jullie suiker eten in Europa.» En Jean-Jacques Rousseau schreef in 1762 duidelijk in Du contrat social: «Dus van welke kant men de zaken ook bekijkt, het recht van slavernij is nietig, niet alleen omdat het onrechtmatig is, maar omdat het absurd is en niets betekent. De woorden ‹slavernij› en ‹recht› zijn tegenstrijdig, zij sluiten elkaar wederzijds uit.»

Voltaire, Diderot en Rousseau worden in Hochschilds geschiedenis nauwelijks genoemd. Markies de Condorcet met zijn invloedrijke Beschouwingen over de neger slavernij (1781) komt zelfs in het geheel niet voor. Door Hochschilds weigering om de Franse invloed op de Europese antislavernijbeweging recht te doen, geeft hij de Engelse abolitionisten onnodig een enigszins provinciaal karakter. Terwijl juist de houding jegens niet-Europese mensen centraal stond (en staat) in de gezamenlijke cultuur van de hele Europese gemeenschap.

De schrijver benadrukt dat zijn werk niet berust op eigen archiefonderzoek, maar op studies van wetenschappers, «secundaire bronnen». Het notenapparaat is zeer uitvoerig en tegelijk willekeurig, want van veel beweringen is geen bron te vinden.

Geleidelijk stemden de irritaties deze lezer steeds brommiger. Tientallen personen komen voorbij, maar vrijwel allemaal blijven ze schimmen. Uit de tekst lijken vaak flarden mist op te stijgen waarin de beelden en zinnen vervagen. Deels is dit zeker het gevolg van een overdaad aan details: «Een week later, op 6 mei 1783, zat Washington in zijn tijdelijke hoofdkwartier in Tappan, New York, een klein uit baksteen en zandsteen opgetrokken huis met een puntgevel dat er nog steeds staat, vijftien kilometer ten noorden van Manhattan.» Maar stellig komen veel onscherpe formuleringen van de vertalers. Het lijkt tekenend voor dit boek dat in het persbericht de uitgever de naam van de auteur verkeerd spelt en het werk aanprijst als een roman, terwijl een analfabeet aan de bibliografie en de index ziet dat het non-fictie is. De technische staf van de uitgeverij produceerde een degelijke paperback, maar de mensen die over de inhoud gaan, schoten ver te kort: de vertaling is vaak zo slordig dat het hilarisch wordt: «Hij maakte een dodelijke val midden in de voorbereidingen voor het diner waarop hij toezicht stond te houden.» Na vier jaar van zorgvuldige aandacht door de auteur en een rij redacteuren van uitgeverijen in de VS en Engeland, die de auteur in zijn dankwoord allemaal noemt, is de Nederlandse editie in een paar maanden door een stelletje beginnelingen in de soep gedraaid. Jammer!