De sleutel

Wie een wachtwoord kwijtraakt, beseft dat het digitale leven vaak een auto met draaiende motor is, met de deuren dicht en de contactsleutel in het slot. Alles is er en doet het, maar je kunt er niet bij.

Het wachtwoord is dood, zegt een hoge Google-dame en ik hoop het zeer. Volgens mijn eigen laagste schatting heb ik er 73, maar waarschijnlijk zijn het er veel meer. Ik kom regelmatig op sites waar een venstertje om een code vraagt van drie jaar geleden. Die weet ik dan niet en de enige redding is het laten toesturen van een nieuwe. Daarvoor moet je de beveiligingsvraag beantwoorden en er is een dikke kans dat ik geen idee heb wat ik drie jaar geleden antwoordde op de vraag wie mijn beste jeugdvriend was. Niet dat ik er zoveel had, maar het is maar net welke periode in mijn jeugd in mijn gedachten was toen ik die vraag beantwoordde. Misschien neem ik die beveiligingsvragen te serieus.

In de vroege jaren negentig ging ik het net op door in te bellen op een server van de Groningse universiteit. Ik had het systeembeheerders-account gekraakt. Daar hoefde je geen atoomgeleerde voor te zijn. Het account was sysop en het wachtwoord… ook. Ahhhh, de kick van het illegale, de ontdekking dat er in Nieuw-Zeeland een universiteit was die een speciale afdeling schapenstudies had!

Wachtwoorden bestonden toen uit niet meer dan acht karakters, alleen letters en cijfers, en de meeste waren namen, bijnamen, kleuren, de plaats waar je was geboren. Als je het slachtoffer een beetje kende – naam partner, hond, geboorteplaats of verjaardag – dan was je binnen voordat iemand ‘help’ kon zeggen. Inmiddels moeten we minstens twaalf tekens invullen, met minstens een hoofdletter, een cijfer, een komma of iets dergelijks, en onthouden we de alfabetsoep niet meer die dat oplevert. En dan hebben we er ook nog zo veel. Voor Albert Heijn, de DigiD, de krant, H, Mijn Waterleidingsbedrijf, Mijn Zilveren Kruis, Mijn Dit en Mijn Dat.

Wachtwoorden doen me denken aan die keer dat ik voor het pand van de uitgeverij uit mijn auto sprong om de sleutel van de parkeerbeugel te halen. Herengracht, vrijdagmiddag en, zoals gebruikelijk, niemand in een goed humeur. Toen ik een halve minuut later terugkwam, zat de autosleutel nog in het contactslot, terwijl de motor nog draaide. Dat zijn overal in Nederland ongemakkelijke momenten, maar op vrijdagmiddag op de Herengracht in Amsterdam is dat levensbedreigend. Goddank kon ik, terwijl de tierende menigte hardop overwoog om mij met Volvo en al in de gracht te gooien, het zonnedak van de auto met een schroevendraaier openwrikken.

Het digitale leven is heel vaak dat: een auto met draaiende motor, de contactsleutel in het slot en de deuren dicht. Alles is er en doet het, maar je kunt er niet bij omdat je die sleutel bent vergeten.

Ik heb alles geprobeerd, van password-managers tot notitieboekjes, maar desondanks heb ik de afgelopen twee jaar al drie nieuwe DigiD’s aangevraagd en ik denk dat ik wel drie Google-accounts heb. Zelfs de nieuwe telefoon van Apple, met vingerafdrukherkenning, biedt geen oplossing. Trouwens, biometrische beveiliging heeft grote nadelen. Als iemand dan je wachtwoord of pincode wil weten is het stadium van dreigen snel voorbij en wordt een oog verwijderd voor de retinascan of gaan er vingers af. De Duitse minister Schäuble is zijn vingerafdrukken kwijtgeraakt toen leden van de Chaos Computerclub die van een waterglas ‘liftten’, op acetaat printten en als extraatje meegaven bij een aflevering van hun tijdschrift. Waarmee Schäuble waarschijnlijk de eerste is wiens vingerafdrukken tot het publieke domein behoren. Dan liever een onbegrijpelijke string tekens. Die kun je later tenminste nog veranderen.

Het moet anders, maar zelfs de mevrouw van Google weet nog niet hoe. Een soort tooltje dat je altijd bij je hebt, misschien, iets aan je sleutelbos of zo, denkt zij. Maar wat doe je als je die verliest, of als iemand die steelt? Moet je dan een sleutel voor je sleutelhanger hebben?

Ik begrijp niet goed waarom er iets nieuws moet worden bedacht. Bijna elke computer en telefoon heeft een camera en die kan met een beetje software toch gezichten herkennen. Zelfs een eeneiige tweeling lijkt niet genoeg op elkaar om verwarring te veroorzaken. Maar ik ben geen IT’er en het zal wel ingewikkelder zijn dan ik denk.

Soms kunnen IT’ers de dingen ook simpeler maken. Ik sprak iemand die een model ontwikkelt waarin het sociaal verkeer van de mens wordt samengevat. Dat is handig voor systemen op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. We liepen door het bos, terwijl hij daarover vertelde en ondanks het septemberzonnetje trok ik bleek weg. Heel het menselijk handelen? In één model? Maar wat doe je dan met culturele verschillen en manisch depressieven en… mij? ‘Soms’, zei hij, ‘moet je de dingen simpel houden om door te kunnen. Wij houden het op status als een belangrijke drijfveer voor handelen.’

Status… Verzaak eer, roem en bezit, zegt Schopenhauer, en men houdt over waar het werkelijk om gaat en wat men werkelijk is. De rollen, zoals hij dat noemt, zijn dan weggevallen en men kan de ruimte vullen van zijn individualiteit. Dat is de hoogste en meest pure vorm van bestaan. Pico della Mirandola vond dat ook de individualiteit nog weg kon vallen en dat een ziel zonder thuis pas echt puur is. Ik voorspel dat we een nieuwe Boeddha of Jezus zullen herkennen aan zijn onvermogen om met computers om te gaan.