Het Migrantenmuseum

De sleutel

Zoals elke vrouw de sleutel hoopt te vinden die ooit voor haar de deur naar het diepste van de ziel van haar geliefde zal openen, zo hoopte Taner een sleutel te vinden in zijn schooltas waarmee hij geen ziel of iets dergelijks wilde betreden maar gewoon het huis waarin hij woonde. Taner, een welgevoede migrantenzoon, vrucht van ouders die noch eerste noch tweede generatie migranten zijn, een jongen die met zijn gitzwarte ogen huilde terwijl hij almaar in zijn schooltas wroette. Helaas voor hem en zijn zusje, geen sleutel. In deze eerste uren van de avond op de derde dinsdag van de maand november in 1990 was Taner acht jaar oud en zijn zusje zes.
In tegenstelling tot wat velen denken, zijn migranten noeste werkers, beste museumbezoekers. Het werken is voor de migrant wat het schrijven is voor de beste schrijvers: je haat het, maar het gaat toch voor alles. De ouders van Taner moesten dus ook elke dag werken en Taner moest maar het huis binnen zien te komen met de sleutel die hem was meegegeven.
De derde dinsdag van november in dat jaar was een zeer koude dag. Na dertien minuten zoeken en huilen besloot de jongen geen tranen meer te laten vloeien. Toen hij ophield met huilen, begon opeens het zusje te huilen. Gewend geraakt aan het gehuil van het meisje kalmeerde Taner. Het geween van het kleine meisje was als de vioolpartij in een stuk van Vivaldi. De rust die dat veroorzaakte, bracht de jongen naar de eerste uren van de dag. Al bibberend dacht hij aan het snelle ontbijt. Hoe zijn moeder naar hem had geschreeuwd omdat hij te traag handelde. Hoe hij wegens tijdnood het lekkere eitje moest laten staan. Hoe moeder een touwtje om zijn hals had gehangen. Een touwtje? Om zijn hals?
Hij bracht zijn handje naar zijn borst en voelde aan de sleutel die onder zijn hemd heerlijk tegen zijn vlees drukte. De sleutel draaide in het slot als ware hij het penceel van Picasso. Ieder die het eindresultaat ziet, denkt: ik kan het ook.
De migrantenzoon Taner wacht thans op de nieuwe sleutel om een nieuw tijdperk te openen. Die oude sleutel heeft hij aan het migrantenmuseum geschonken. We hebben het aan een geroeste spijker in de muur opgehangen.
Zijn nieuwe sleutel is de eenzaamheid.
Hij praat wel met iedereen, haalt geintjes uit met zijn leeftijdgenoten en gaat bijna elke dag naar de bioscoop. Maar toch is hij eenzaam.
‘Begrijpen ze jou wel?’
‘Tuurlijk niet. Ik heb geen enkele vriend onder de migranten. Niet dat ik het niet zou willen.’
Als ik hem onder de dikke wolken in regenachtige straten zie wandelen, is het een meesterwerk dat door de grootste schilders verzuimd is om te tekenen: De eenzaamste migrant onder de wolken.
Soms drinken we samen Irish coffee op het Rembrandtplein. Dan haalt hij uit zijn tasje een boekje waarin hij de films heeft genoteerd die hij wil gaan maken. Ik zeg dan tegen hem: ‘De profeten zijn degenen die de beste verhalen vertellen.’ Hij antwoordt dan soms: ‘De beste verhalen heb ik in mijn hoofd al duizend keer verteld. Nu moet ik ze alleen nog opnemen.’ Dan neem ik snel afscheid van hem en maak dat ik wegkom. Ik kan het nieuwe tijdperk niet in gevaar brengen door hem te verlossen van de eenzaamheid. Om de gelovigen onder ons te overtuigen: heeft God de aarde niet gemaakt omdat hij eenzaam was en zich verveelde? Om ook de redelijken onder ons te overhalen: had Cervantes soms veel vrienden? Niet dat ik weet.
De sleutel van de deur waarmee hij en zijn zusje hun huis binnengingen hangt aan onze muur. De nieuwe sleutel wordt gesmeed in verzengende migranteneenzaamheid. Wanneer de hoefsmid klaar is en de sleutel gereed is om het nieuwe tijdperk in te slaan, waarbij de eenzaamste migrantenkinderen een nieuwe wending geven aan deze wereld, zal ik de sleutel die aan onze muur hangt naar de vrouwen brengen die al duizenden jaren een sleutel zoeken om ermee de ziel van de man te openen. Dan kan ik tegen de vrouwen zeggen: ‘In dit nieuwe tijdperk mag er geen deur zijn die dicht blijft. Als het met deze sleutel niet lukt, dan lukt het met geen enkele sleutel.’