H.J.A. Hofland

De sloop van Bush

NEW YORK, 20 april — Het nieuwe boek van Bob Woodward, Plan of Attack, bevat weer meer nieuws van het soort dat je al verwacht had, waarna je toch weer verbaasd bent omdat je nu bevestigd krijgt dat het de waarheid is. Nieuws over de manier waarop deze Amerikaanse regering de wereld heeft misleid; over het wereldvreemde optimisme van de neoconservatieven die dachten dat Irak zich in een relatieve oogwenk dankbaar tot een democratie zou laten verbouwen; over de minachting voor de bondgenoten; over het heilig geloof in de almacht van de supermacht die diplomatie overbodig zou maken. Kortom, over de manier waarop de president en zijn directe omgeving met consequente nonchalance de rest van de wereld aan hun laars lapten. En er heilig van overtuigd waren dat ze dit konden doen.

Op 21 november 2001 kreeg minister Rumsfeld van Defensie van Bush het verzoek een aanvalsplan voor Irak op te stellen, in het diepste geheim, omdat zoiets wel eens «enormous international angst and domestic speculation» zou kunnen veroorzaken. De enige die angst kreeg, was generaal Tommy Franks, die nog druk bezig was in Afghanistan de Taliban te verslaan. Franks bleef zijn reserves houden. Hij werd als een kandidaat-lastpost in de coulissen gezet.

Nieuw in het boek van Woodward is wat hij over de rol van Colin Powell te melden heeft. De minister heeft vanaf het begin zijn twijfels over de oorlog gehad. Hij is de enige in het kabinet die frontervaring heeft, als luitenant in Vietnam en als opperbevelhebber in de Golfoorlog van 1991. De rest weet alleen uit de film en van het journaal wat vechten en gebombardeerd worden is. Toen de plannen vorm kregen, werd Powell niet meer naar zijn mening gevraagd. Een vertrouweling van de familie Bush, prins Bandar, afgezant van de voorbeeldige democratie Saoedi-Arabië, werd eerder van het besluit tot de oorlog op de hoogte gesteld dan de minister van Buitenlandse Zaken. De prins beloofde Bush zijn best te doen om kort voor de verkiezingen de olieprijs te verlagen om zodoende de herverkiezing te bevorderen. Een kras staaltje van vriendschap.

Het Witte Huis reageert zoals dit Witte Huis het gewoon is te doen: niets aan de hand. Is Powell in nood? Dat was hij al toen hij voor het eerst liet weten dat hij over de oorlog zijn reserves had. Als er één schoolvoorbeeld is van een burgemeester in oorlogstijd, dan hij. We zien hem nog staan in de Verenigde Naties, zijn lezing met lichtbeelden houdend. Daar stonden de mobiele fabriekjes voor de chemische wapens, daar was opeens een vrachtwagen verdwenen, het ene na het andere beeld van de massavernietigingswapens verscheen op het scherm. Heeft hij dat zelf geloofd?

Na het boek The Price of Loyalty van de voormalige minister van Financiën Paul O’Neill, en Against All Enemies van de ex-coördinator der geheime diensten Richard A. Clarke (over de slordige behandeling van waarschuwingen voor een terroristische aanval) is dit het derde spraakmakende boek van een onbetwijfelbare deskundige over de rotzooi in Washington. En dat is dan weer het mooie van Amerika: niets blijft geheim. Stuk voor stuk hebben deze boeken grote publiciteit veroorzaakt. Maar als steeds is het de vraag of dit alles ook politiek effect zal hebben.

Zie deze publicaties in groter verband. Van de fronten komt op het ogenblik geen goed nieuws meer. Je kunt niet iedere dag komen aandragen met het bericht dat de wereld aanzienlijk is opgeknapt doordat Saddam Hoessein achter de tralies zit. April is nu al de maand waarin de meeste soldaten van de coalitie zijn gesneuveld. Het aantal gewonden loopt in de duizenden. Dat begint een politiek feit te worden. Dat op 30 juni de macht aan de Irakezen zal worden overgedragen, geloofde al niemand meer en nu heeft Paul Bremer het zelf gezegd. Moeten de Verenigde Naties redding brengen? Eerst moet het daar veiliger worden. Daarom moeten twintigduizend Amerikanen langer blijven en komen er nog eens vierduizend mariniers bij. Over een paar weken hebben de Spaanse troepen Irak verlaten. Koning Abdullah van Jordanië komt niet bij Bush op bezoek, na diens steun voor al weer een nieuwe politiek van Sharon. Op het thuisfront ontplooit John Kerry zich als iemand die niet in versleten retoriek spreekt maar aan wie duidelijk te horen en te zien is dat hij weet waarover hij het heeft. En aan zeer conservatieve kant beginnen ze ook van George W. genoeg te krijgen.

Zo begint dit presidentschap scheuren te vertonen. Maar zal het vóór de verkiezingen instorten, zoals bij Richard Nixon? Vergis je niet. Bush is voor de helft van de kiezers nog altijd de oorlogspresident. Hoe dat in zijn werk gaat, kan voor Europeanen een raadsel zijn, maar ook dit is een politiek feit: door alle misleidingen en militaire déconfitures heen weet hij voor zijn trouwe publiek dat imago te handhaven. En dan zijn er de normen en waarden, abortus, de vuurwapens en het homohuwelijk.

Maar bovenal: de oorlogs president handhaaft zich nog steeds als de monopolist van het patriottisme. Dat is zijn bedrijfskapitaal, zijn politiek reservoir. Hij heeft er een te grote wissel op getrokken. Het reservoir lekt. Hij heeft misbruik gemaakt van de vaderlandsliefde. Het besef daarvan begint nu te dagen. Langzaam. Hij heeft nog zeven maanden om zich te redden.

(Bob Woodward, Plan of Attack. Simon & Schuster, € 28,60)