De smaak van kardemomkoffie

Via de herinneringen van Tequila Leila beschrijft Elif Shafak in 10 minuten 38 seconden in deze vreemde wereld de vele kanten van Istanbul. Verleidelijk zintuiglijk.

Elif Shafak in Hay-on-Wye, Wales, juni 2017 © Jay Williams / Camera Press / HH

Het is een gelukkige literaire kunstgreep die Elif Shafak in haar nieuwe roman 10 minuten 38 seconden in deze vreemde wereld gebruikt. Haar hoofdpersoon Tequila Leila, zoals ze door haar vrienden en klanten werd genoemd, is al op de eerste bladzij van het boek dood. Niemand weet er nog van, haar vrienden liggen nog te slapen zo vroeg in de ochtend, terwijl Leila in een roestige stalen afvalcontainer ligt, ergens in een buitenwijk in Istanbul. Het is onmiskenbaar dat ze door een misdrijf om het leven is gekomen, in zo’n container op wieltjes heeft een lijk per slot van rekening niets te zoeken.

De literaire ingreep gaat nog verder: Leila’s hart mag dan wel gestopt zijn met kloppen, haar cellen bruisen van activiteit en de neuronen in haar brein zijn met elkaar verbonden alsof het de eerste keer was. ‘Het kwam’, schrijft Shafak, ‘in een toestand van verhoogd bewustzijn, waarin het de dood van het lichaam observeerde, maar er niet klaar voor was om het eigen heengaan te accepteren.’ In de 10 minuten en 38 seconden dat Leila’s brein nog leeft, buitelen de herinneringen over elkaar heen, komen dingen naar boven waarvan ze dacht dat ze ze vergeten was en wordt de tijd vloeibaar.

Telkens zijn het zintuiglijke gewaarwordingen die haar herinnering aanvuren en haar kriskras terugschieten in de tijd. De prikkeling van zout op haar huid en tong brengen haar terug naar haar geboorte, in 1947, als de vroedvrouw haar aan het huilen probeert te krijgen en haar uiteindelijk van top tot teen met zeezout bedekt. De smaak van kardemomkoffie voert haar naar de straat in Istanbul waar de oudste bordelen staan; ze kwam er op haar zeventiende terecht, nadat ze van huis was weggelopen. De geur van watermeloen haalt de hete zomer en de vakantie aan zee naar boven, toen ze zes was, en haar oom zich voor het eerst aan haar vergreep.

Onder de geurige en kleurrijke herinneringen, die Shafak in verleidelijk zintuiglijke taal beschrijft, gaat een geplaagd leven schuil. Het begint er al mee dat Leila’s vader haar als baby aan zijn eerste, kinderloze vrouw geeft, waarna haar moeder, zijn onwettige tweede echtgenote, gek wordt. Haar kindertijd begint met een leugen, en daar komt het leugenachtige misbruik nog overheen. Als haar vader, die steeds orthodoxer religieus wordt, haar om de eer van de familie te redden wil uithuwelijken aan de jongste zoon van haar oom, loopt ze weg. In Istanbul wordt ze bedrogen en verkocht aan een bordeel. Ze krijgt te maken met geweld, maar evengoed met liefde en vriendschap.

Elif Shafak laat het vrouwelijke Istanbul gloriëren

In Leila’s levensverhaal, dat in flarden verteld wordt, laat Shafak, die zowel in het Turks als Engels schrijft en een van de populairste auteurs van Turkije is, allerlei andere thema’s aan bod komen die het naoorlogse Turkije kenmerken. Er is de tegenstelling tussen moderniteit en traditie. Aan de ene kant is er de rationele ‘apothekeres’ die reguliere medicijnen inzet tegen ziekte en condooms voorschrijft voor geboortebeperking – die vervolgens worden ingeslikt door de zwartgesluierde patiënte, omdat haar man nergens aan wil, en het zo misschien toch een beetje werkt. Aan de andere kant worden traditionele gebruiken – de navelstreng van de baby op het dak van de school gooien, opdat ze onderwijzeres wordt; het kralensnoer dat op de wieg hangt tegen het boze oog – nog volop gepraktiseerd. Het is een tegenstelling die samenvalt met die tussen metropool Istanbul en de provinciestad Van in het oosten van het land, waar Leila vandaan komt.

Shafak laat hoogtepunten uit de recente Turkse geschiedenis de revue passeren: de navo-oefening in 1968, waarvoor een Amerikaans vliegdekschip in Istanbul komt aanleggen en de opening van de Bosporusbrug in 1973, de op drie na langste brug ter wereld – beide symbolen voor moderniteit en hoop. De massale betoging op de Dag van de Arbeid in 1977, die bloedig eindigt als de demonstranten vanaf het dak van het Intercontinental Hotel aan het Taksimplein door sluipschutters worden beschoten en de regering tanks inzet – symbool van onderdrukking en regressie. De roman wordt bevolkt door vrome gelovigen en goddeloze stedelingen, door traditionalisten en linkse revolutionairen, er wordt en passant nog gerefereerd aan de Armeense genocide, aan de discriminatie van jezidi’s en aan de verdrinkingsdood van vluchtelingen – alsof Shafak niets en niemand wilde overslaan.

Die neiging om alle problemen van deze tijd op z’n minst even langs te lopen is jammer, want die korte referenties zijn clichématig. Net zo goed als het jammer is dat Shafak aan het eind van de roman de moordenaars van Leila nog even in beeld wil brengen – volstrekt overbodig. Maar die 10 minuten en 38 seconden die je als lezer in het stervende brein van Leila verkeert, en je niet alleen haar levensgeschiedenis leert kennen, maar ook haar vrienden, en de stad waar ze sinds haar zeventiende woont, zijn wervelend en krachtig.

Leila is ook een prachtig personage, dat ondanks alle petsen die ze in de loop van de tijd heeft opgelopen levenslustig is en optimistisch. En hetzelfde geldt voor haar vrienden, haar ‘waterfamilie’ (tegenover de ‘bloedfamilie’, die haar verstoten heeft), zoals de transseksueel Nostalgie Nalan; de schoonmaakster annex waarzegster Zaynab122 die slechts 122 centimeter lang is en vanuit Libanon in Istanbul is beland; en Hollywood Humeyra die haar gewelddadige echtgenoot is ontvlucht en nu in nachtclubs zingt. Stuk voor stuk zijn het randfiguren, die in Istanbul hopen te kunnen zijn wie ze willen zijn.

10 minuten 38 seconden in deze vreemde wereld gaat op die manier niet alleen over de weerbarstige kracht van verschoppelingen, met name vrouwen in een patriarchale samenleving, maar ook over Istanbul zelf, ‘de stad waar alle ontevredenen en alle dromers uiteindelijk terecht komen’. Er zijn meerdere Istanbuls, schrijft Shafak, die met elkaar strijden, wedijveren en botsen. Er is het eeuwenoude Istanbul van reizende derwisjen, koppelaars, zeevaarders en tapijtkloppers, maar ook het moderne, een uitdijende metropool vol verkeer, winkelcentra, wolkenkrabbers en fabrieksterreinen. En naast het kosmopolitische en bekrompen Istanbul, het ketterse en het vrome, het volkse en het macho, is er ook een vrouwelijk Istanbul, waarvan Aphrodite, de godin van het verlangen en de strijd, de beschermster is. Dat vrouwelijke Istanbul laat Shafak gloriëren, en ja, dat gaat gepaard met verlangen en strijd.