De smalle weg van wies moens

Wies Moens, Memoires. Bezorgd door Olaf Moens en Yves T'Sjoen, Uitgeverij Meulenhoff-Kritak, Amsterdam-Antwerpen, 354 blz., 3 49,90
TOEN WIES MOENS op 5 februari 1982 overleed, vierentachtig jaar oud, bleek de herinnering aan zijn persoon en bestaan op aarde dusdanig te zijn verbleekt dat de hulpeloze stukjes die Nederlandse kranten aan zijn dood wijdden de lengte van slechts luttele decimeters niet overschreden. Een Vlaamse dichter, fout geweest in de oorlog en daarom in zijn vaderland ter dood veroordeeld. Om de executie te ontlopen was hij naar Nederland gevlucht, waar hij de tweede helft van zijn leven verbleef in Zuid-Limburg. Daar is hij ten slotte in stilte gestorven.

Voor de Nederlandse dagbladlezer was deze informatie ruim voldoende. Zo hij er al kennis van nam, was hij het bericht een minuut later al vergeten.
Wies Moens?
In Vlaanderen werd zijn verscheiden bekendgemaakt in het televisiejournaal, maar de foto die erbij werd uitgestraald toonde niet het portret van de aflijvige. In plaats van het hoofd van Moens kreeg men dat van Richard Minne te zien, al kon het ook dat van een ex-professor in de Germaanse taalwetenschappen te Leuven zijn geweest. Het satirische blad De Zwijger schreef er een prijsvraag voor uit: ‘Identificeer de stand-in van de dichter’, zulks onder de kop: 'Wie’s Moens?’
Op zijn begrafenis, op 10 februari in het Nederlands-Limburgse dorp Neerbeek, bijgewoond door vijftienhonderd Vlamingen, werd zijn lijkkist geflankeerd door een geüniformeerde erewacht van het neofascistische Nationale Vlaamse Studentenverbond. De eucharistieplechtigheid werd geleid door de parochiepastoor, geassisteerd door vijf Vlaamse priesters. Een van hen was de dichter Anton van Wilderode, die sprak: 'Bij onwetenden is Moens in diskrediet geraakt, maar niet bij de rechtgeaarde Vlamingen. Zij weten dat Moens steeds eerlijk gestreden heeft voor de rechtgeaarde Vlaamse zaak. Hij is altijd trouw gebleven aan zijn volk en land.’
Dit waren goede woorden van Van Wilderode, mits men ze blijft beschouwen in de meest integere context waarbinnen ze zijn bedoeld.
VIJF JAAR nadat Moens ter aarde was besteld, besloot het gemeentebestuur van Neerbeek dat het uit moest zijn met de massale marsen naar diens graf. Ieder jaar, begin februari, kwamen Vlaamse nationalisten met bussen tegelijk naar het brave dorp in het Maasdal, waar ze zich uniform en onder geflapper van enge vlaggen rondom de grafstee groepeerden om er de aloude Vlaamsche hymnen te galmen. Daar kwamen ten slotte pelotons van de Mobiele Eenheid aan te pas, omdat antifascistische jongeren hadden aangekondigd de meute heldenvereerders met fietskettingen, boksbeugels en knuppels uit elkaar te komen rammen. Neerbeeks burgervader sprak van 'het onsympathieke en onverkwikkelijke karakter’ van de samenscholingen rondom de laatste rustplaats van de collaborateur en literator.
Niet zo lang geleden, op een zomerse dag, bezocht ik - gedreven door mijn hang naar kerkhoftoerisme - de begraafplaats van Neerbeek. Zo uitgestrekt is het dodenoord niet of men heeft er binnen een stevig kwartier de namen op alle zerken gelezen. Graf van Wies Moens? Niet te vinden. Wel trof ik zijn naam op een staande steen, getooid met het IJzertorenkruis, alsook de kruislings daarin aangebrachte spreukletters AVV-VVK. Dit monumentje vermeldt dat in de grond eronder rust: 'Het lichaam van Margaretha Theodora Tas echtgenote van Wies Moens en wacht op de glorie der verrijzenis.’ Geen jaartallen. Op de aarde vóór de steen ligt een houten kruis ter lengte en breedte van het grafoppervlak.
Gelet op de gemengde gevoelens der Neerbekenaren ten aanzien van hun befaamde dode, diende ik enige schroom te overwinnen voordat ik een dorpeling, met een spons en een gietertje in de weer bij een ander graf, durfde te vragen of hij misschien wist waar Wies Moens…
De dichter blijkt zich met zijn echtgenote in datzelfde graf te bevinden, onder dat zware kruis. Op de dwarsbalk daarvan staat: 'Ik geloof in het eeuwig leven.’
VAN EN OVER Wies Moens, de dichter en schrijver, leek alles bekend te zijn; inzake zijn rol in het Vlaanderen gedurende beide Wereldoorlogen idem. Die rol was zeer onfris, en ten gevolge daarvan zijn zijn poëtische verdiensten buiten 'de canon’ gebannen. Mijns inziens ten onrechte.
De dichtbundels uit zijn jeugd, De boodschap (1920) en De tocht (1921), hebben niet geringe invloed uitgeoefend op de vernieuwing van de Vlaamse poëzie. Van Ostaijen, Moens, Marnix Gijsen, die drie, hebben nieuwe adem geblazen door de verdruilde pastoorspoëzie van generaties epigonen van Guido Gezelle - Moens verdient daarvoor de stoel die hem toekomt. Dat hij zijn literaire talent later ten dienste heeft gesteld van verwerpelijke ideologieën en doelstellingen, is uiterst betreurlijk maar hoeft daarom zijn eerdere, onverdachte prestaties niet te overschaduwen. Ook de grote schrijver Céline deugde voor geen halve cent, antisemiet als hij was tot in zijn eksterogen. En de grote dichter Ezra Pound hetzelfde: diens fascistische perversiteiten klotsen als schuimend braaksel zijn bek uit. 'De algemene afkeer die hij opriep met zijn politieke ideeën tastte zijn reputatie als dichter niet wezenlijk aan’, zo schrijf ik over uit het lemma over Pound in de Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur.
Moens’ 'politieke ideeën’ echter hebben diens dichterschap als onder betonblokken verpletterd en het zal nog wel even duren voordat hem tenminste als de originele dichter die hij is geweest een rehabilitatie ten deel valt. (In de bloemlezing van Gerrit Komrij: geen Moens; in het Groot Gezinsverzenboek, samengesteld door Jozef Deleu: één vers van Moens.)
Vooral tijdens de bezetting van België in de Tweede Wereldoorlog heeft Moens zich in woord en geschrift ernstig misdragen in zijn functie van directeur van de Nederlandse uitzendingen van Radio Brussel. Ik heb eens een geluidsband met een toespraak van Moens uit die dagen (plusminus 1942) beluisterd: zijn stemgeluid had iets dreunends, als van een tampende luiklok, zijn voordracht was meeslepend, en hij kreeg het allemaal helder gezegd. Zo helder dat hij er, nadat de moffen waren opgerot, de doodstraf voor kreeg.
Hij was een nationalist die deze overtuiging, zei hij, trouw zou blijven 'tot de bedelzak’. Hij ijverde voor de Dietsche Zaak, die erop neerkwam dat alle Nederlands sprekende gewesten zouden moeten worden samengevoegd tot een Groot-Nederland ('Dietschland’) dat het juk van de autoritaire, anti-democratische, antisemitische verordeningen van Joris van Severen en diens Verdinaso-groep zou dienen te accepteren - goedschiks dan wel onder dwang.
'De vlag moest openwaaien over het Dietsche land’, schreef Moens in een zijner poëmen in het volksch-Dietsche, rabiaat anti-joodse tijdschrift Dietbrand - met hoogstaande poëzie had het niets meer te maken.
Toen Van Severen een 'nieuwe marschrichting’ afkondigde, die radicaal afweek van de Dietschlandgedachte van Moens, voelde deze zich verraden en trad hij uit de beweging.
'Belogen en bedrogen zijn wij…’
ALS BANNELING in Nederland leefde hij, de politiek definitief de rug toegewend, onopvallend als leraar aan een volkshogeschool in Geleen. In 1948 kreeg hij te horen dat zijn doodstraf was omgezet in dertig jaar cel, en in 1968 dat hem gratie was verleend.
Vereenzaamd en verbitterd bleef Moens in het Limburgse dorp waar hij uiteindelijk zou sterven, zonder nog ooit een voet te hebben gezet in het vaderland dat hem zo verkeerd begrepen en verguisd had.
In zijn Neerbeekse jaren keerde hij wel terug naar zijn eerste roeping, de literatuur. Hij begon er aan zijn Memoires: literatuur over zijn politieke avonturen en strapatzen. Twee forse hoofdstukken kreeg hij op papier, daarna borg hij het schrijfhout op, niet verder gekomen dan omstreeks 1920.
Decennia later werd het manuscript van Moens’ gedenkschriften door de erven vrijgegeven en heden verschenen ze onder de titel Memoires. De uitgave werd voorbeeldig ingeleid en geannoteerd door Yves T'Sjoen en Olaf Moens (voor zover ik weet geen rechtstreekse familie van de schrijver).
De bezorgers hebben gemeend hun inleiding bij Moens’ Memoires te moeten scheiden in twee afzonderlijke afdelingen, een 'historische’ en een 'literaire’. Het eerste deel, 'Kamp om Dietsland’, beschrijft sereen en objectief Moens’ politieke activiteiten, naïveteiten, verblinding en scheve schaatsen.
Hij was fout, jawel, en niemand kan dat meer ten goede draaien. Een romantisch warhoofd ('den tweeden Borms’ werd hij genoemd), voortgesproten uit de verkeerde, de duistere kant van de Vlaamse Beweging. Een ideoloog, te vergelijken met iemand die van het dak springt en pas onderweg naar de diepte beseft dat hem niets anders rest dan te blijven vallen. 'Het Dietse volksnationalisme waarvan Moens de theoretische basis leverde, vertoonde kenmerken waaruit men kan besluiten dat het bij een consequente uitbouw tot een fascistoïde ideologie zou leiden’, aldus de inleiders.
Maar Moens zelf wees het fascisme in Diets verband resoluut af, evenals de Duitse annexatiepolitiek, en ten slotte ook het hele nationaal-socialisme dat hij - maar toen was het al veel te laat - zou karakteriseren als 'een specifiek Duitsch verschijnsel’. Pas in 1945 uitte hij zijn 'grootsten twijfel (…) omtrent de ZUIVER VOLKSCHE bedoelingen van het Nationaal-Socialisme’.
Dat hij de baas was geweest van Zender Brussel, een propagandamiddel bij uitnemendheid, viel na de oorlog natuurlijk niet te ontkennen, maar evenmin het feit dat hij de omroep niet had gebruikt om de mannelijke Vlaamse jeugd te inspireren om naar het Oostfront te trekken, en ook niet voor wervingsacties ten behoeve van de Hitlerjugend Flandern: Vlaanderen had zèlf keurige volksche jeugdbewegingen te kust en te keur.
Moens in 1945: 'Ik stelde mij tot “wet”: aan àlle lagen van ons volk het beste te brengen, dat wij in geestelijk, cultureel opzicht brengen konden, en er daarbij strict de hand aan te houden, dat elke uitzending in overeenstemming zou zijn met den onloochenbaar eigen aard, het eigen wezen van ons Volk. Die aard, dat wezen was alles behalve Duitsch!’
GEBREK AAN consequentheid valt hem niet ten laste te leggen. In zijn Memoires komt de Tweede Wereldoorlog niet aan bod, alleen de Eerste, waarin hij, de puberteit amper ontwassen, in het activisme verzeilde. In 1918 werd hij daarvoor gearresteerd en hij trof een rechter tegenover zich die schamper sprak: 'Haha! Gijlie, activisten, woudt zoo graag de meesters worden, maar ’t spel is tegengevallen!’
Bijna veertig jaar later zou Moens zich daarover nog opwinden: het was voor hem waarachtig geen 'spel’ geweest, maar overigens had het allemaal plaatsgevonden tussen zijn zestiende en twintigste levensjaar. Hij was ’('n scholier eerst en dàn 'n studentje in de philologie’, hoe zou hij 'eenige “meesterschap” over zijn medemenschen hebben kunnen ambieeren?’
Schreef hij zijn memoires om erin recht te buigen wat krom was, ter rechtvaardiging en vergoelijking van zichzelf, hier en daar de feiten in zijn eigen voordeel een beetje corrumperend? Hij schreef ze vlak na zijn vlucht naar Nederland, toen de ernstige staat van beschuldiging nog als een harige pij in zijn vlees jeukte en hij kennelijk behoefte had om de zaken op te biechten en duidelijk te maken - uiteraard zoals hij ze zèlf zag.
Hier en daar heeft Moens met de feiten gegoocheld, hetgeen hem, wat mij betreft, vergeven zij: heeft niet iedereen het recht zijn eigen daden subjectief weer te geven? Aan pertinent liegen is hij zich niet te buiten gegaan en: zijn consequentheid, dwars door alles heen, siert hem. Weliswaar was hij erg jong toen hij zich in de brandhaard van het activisme bevond, maar hij had welbewust voor de activistische strijd gekozen en zich er niet door anderen in 'laten meeslepen’, zoals de rechter probeerde hem te laten zeggen. 'Een dergelijke verklaring echter was onwaar en tot geen prijs zou ze mij te ontwringen zijn.’
Moens verbleef drie jaar, tot 1921, in preventieve hechtenis. Hij vertelt daar breedvoerig over, zo vol details en anekdotiek dat het soms naar gekeuvel neigt. In deze gevangenisperiode begon hij te dichten en schreef hij zijn idealistische Celbrieven.
Het besluit van de bezorgers om Moens’ 'historische’ en 'literaire’ leven in twee los van elkaar te lezen inleidingen weer te geven, komt de inzichtelijkheid ten goede, al is in dit leven het ene moeilijk te scheiden van het andere. De politieke historie heeft Moens’ dichter- en schrijverschap opgewekt, aangewakkerd, kort tot bloei gebracht en toen verpest. Hij gaf zich in zijn activistentijd en daarna met dezelfde hartstocht over aan de literatuur als aan zijn politieke idealen, die voor hem 'het Goede’ representeerden. Het verwoorden van het Goede, zo schreef hij in zijn memoires, 'kon dat geen taak zijn, voor den dichter weggelegd?’
In een in 1962 als privé-uitgave verschenen verzenbundel, De verslagene, verzuchtte hij:
Dichter of redenaar, het laat me koud. Spreekt liever thans van de betekenis die aan hem toekomt in politicis
Hij werd gekenschetst als 'dichter verdwaald in de politiek’. Een op drift geraakte mallemolen, misplaatst in het domein van gekonkel, eigenbelang, misleiding en verraad. Dat de naam Wies Moens in intellectuele kring niet geheel is vergeten, dankt wijlen de drager ervan aan de literatuur die hij in de jaren twintig heeft geschreven. Als hij wordt herinnerd, dan in de eerste plaats als dichter en niet in de eerste plaats als de politieke waaigeest die het zijne aan veel gruwel heeft bijgedragen en die nog steeds allerlei ongeletterd falderappes naar zijn graf weet te zuigen. Zulks in brede tegenstelling tot de nagedachtenis van Moens’ tijdgenoot Cyriel Verschaeve, die een èchte schurk is geweest: de waarde van Verschaeves literaire werk, voor zover het nog bekend zou zijn, wordt door niemand meer verdedigd. (Moens vertelt in zijn Memoires veel goeds over de kapelaan-letterkundige. Veertig jaar na dato kreeg hij weer een krop in de keel, terugdenkend aan Verschaeves 'Gebed voor de Vlaamsche soldaat’, kreperend in de loopgraven bij de IJzer, dat begon met de woorden: 'Mijn God, gelijk moeders hoekske in vaders huis, zoo bemin ik Vlaanderen in België.’)
MOENS HEEFT, zo schreef hij in zijn herinneringen, sedert de bewustwording van zowel zijn politieke als zijn literaire roeping meteen beseft dat hij 'de smalle weg’ moest gaan. Hij zei dat zo tegen zijn geliefde die hij omstreeks zijn zeventiende jaar had ontmoet. Zij wordt in de Memoires nooit anders aangeduid dan als 'het meisje’, een enkele keer met hoofdletter. ’“De smalle weg”, fluisterde ik, schrikt je die niet af?’
Haar antwoord hierop wordt niet geciteerd, 'maar de warme, wakkere straling in haar oogen beduidde alles wat ik te weten verlangde’.
Zij ligt nu samen met hem onder dat houten kruis op het kerkhof.
Er is een tijd geweest dat men Moens 'de ongekroonde koning van Vlaanderen’ heeft genoemd, en thans staat hij te boek als 'martelaar voor het Vlaamse ideaal’.
Een mislukt leven. Een leven als een drama.
Moens Memoires zijn gesteld in een wat oubollige verteltrant ('Het was Herfst geworden, Winter en Lente; nu hing weer de Zomersche glorie over ’t land. Op 'n middag klonk de huisbel, en wie verscheen daar zoo onverwacht ten drempel?…’), maar ze zijn vaardig geschreven, in een zeer verzorgd, beeldrijk Nederlands.
In literaire zin zijn deze Memoires zeker te appreciëren, hoe wrangzoet deze constatering ook is bij het lezen van zóveel verkwist idealisme en talent ten dienste van zóveel horreur.