Muziek

De smeltkroeswerking van het Nieuw Ensemble

Het Nieuw Ensemble brengt multiculti in de praktijk. Het resultaat imponeert.

Artistiek leider Joël Bons van het Nieuw Ensemble heeft een naam hoog te houden als pleitbezorger van niet-westerse nieuwe muziek. Eerst bracht hij met groot succes de jongste generaties Chinese componisten in beeld. Hij zocht en vond nieuw componistenbloed in Azerbeidzjan en Zuid-Amerika. En hij was de grote man achter het Atlas Ensemble, een dertig man sterk gezelschap dat in 2002 in Berlijn debuteerde met instrumenten uit de hele wereld. «Waarmee», stelt Bons tevreden vast, «een letterlijk en figuurlijk ongehoord klankpalet ter beschikking kwam.»

Voor herhaling vatbaar. Wordt aan gewerkt. In juni herrijst het Atlas Ensemble uit de as voor twee concerten in het Holland Festival. Op 6 maart hield het Nieuw Ensemble in het Amsterdamse Concertgebouw onder leiding van Lucas Vis twee nieuwe opera’s van Guo Wenjing en Xu Shuya ten doop. Daaraan voorafgaand experimenteerde het in de geest van het Atlas-project met het idee van ongewone vocaal-instrumentale combinaties, ditmaal in een programma rond vier componisten met de prachtige, toepasselijke titel De Kleine Bosatlas.

Een kleine wereldreis was het, met vier stukken voor kleine en grote bezettingen, alle Nederlandse premières: Ziggurat van Theo Loevendie, Rag Music van de Oezbeek Artjom Kim, Five Chinese Poems van de IJslander Daníel Bjarnason en De stem van de Italiaan Fabio Nieder. Kim en Nieder dirigeerden zelf, wat de authenticiteit van het gebodene nog verhoogde.

Bepalend voor de werking van De Kleine Bosatlas was niet steeds het niveau van de gespeelde werken. Bepalend was dat de muziek weer de verwondering bleek uit te lokken die een kind voelt als het naar een landkaart kijkt en zich het leven in de verte voorstelt, als een droom: de nieuwe klank herstelt een oertoestand van onbevangenheid. Strijkinstrumenten uit het Midden-Oosten, blaasinstrumenten uit Armenië en China en het weerbarstige getokkel van een citer uit het Midden-Oosten versmolten tot een ongekende alchemie van klank die in Amsterdam eind februari grote indruk op me maakte.

Ook ditmaal baarde, net als in het Berlijn van 2002, het Nieuw Ensemble een gelegenheidsorkest: Ziggurat. Onder die vlag presenteerden zeven musici namens het Nieuw Ensemble de gelijknamige theatrale suite die hun geestelijk vader Theo Loevendie — sax in de aanslag, multicultipetje op het vriendelijke hoofd — voor De Kleine Bosatlas componeerde.

Multiculti? Ach, zegt Bons, «ik vind dat altijd een beetje kletskoek. Het is wel een beetje zo, maar dat multiculturele is zo oud als de wereld.» Altijd, stelt hij vast, hebben culturen elkaar beïnvloed. En als ook de cultuur maar flink blijft globaliseren, zullen de scheidslijnen van nu wellicht vanzelf verdwijnen. Dan zal het gaan als met exotisch eten. Van kruidnagel, zegt hij, weet je nog net dat het uit Indonesië komt. Maar er is niets vreemds meer aan.

Zo is het. Nu de praktijk. Ergens in februari: de repetitieruimte van het Nieuw Ensemble vult zich op de vroege zaterdagavond met een multiculturele crew uit alle werelddelen: een Syrische zanger/citerspeler, een Nederlandse panfluitist, een Mexicaanse slagwerker, een gambiste uit Oostenrijk, een Zwitserse jazz-zangeres, een Canadese sopraan en een Amerikaanse bas, een Japanse kotospeelster en de Chinese meesterblazer Wu Wei.

Wu Wei bespeelt de sheng, een Chinees mondorgel met een nasale, penetrante klank die goede stukken tot een staat van alarmerende urgentie drijft: de Hitchcock onder de muziekinstrumenten. Wu Wei bezit de uitverkoren speeldrift van de man die nog een moord zou plegen om vrijuit te mogen spreken. Wu Wei laat zich opvreten door de muziek.

In de luidruchtige finale van Loevendies suite, een onberispelijk multicultureel geïnstrumenteerde calypso, produceert het tableau de la troupe op verzoek van de componist een aangehouden as die slonzig gonst aan alle kanten. Wie ein Naturlaut, heette dat bij Mahler. Maar de calypso, een dansante bonte avond voor de hele instrumentenberg uit West en Oost, is boven alles multiculti op z’n Hollands. De tekst van Ernst Jandl, een komische mengelmoes van Duits en Engels, sluit spottend aan op het Latijns dansante van Loevendies tijdelijke muze.

Het multiculturele ideaal kan rampzalig uitpakken als het uitdraait op geforceerde verzoeningspogingen tussen incongruente muziektalen. Jazz in een Brahms-jas, gamelan met symfonieorkest: als het verkeerd gaat, wordt het Waldo de los Rios op een hoger plan, dus erger.

Bons doet als programmeur iets anders. Hij zoekt de synthese, lijkt het, niet zozeer op het niveau van de muzikale grammatica als wel op het plan van klankvoortbrenging: een taal is lokaal, maar de menselijke stem die haar tot leven brengt is universeel gereedschap. Net zo verhouden zich de instrumenten aller landen tot hun componist en hun spelers; als kruid nagels tot consumenten. Je moet als componist je verantwoordelijkheden kennen, vindt Bons: cultuurimperialisme is het grootste kwaad. Maar je moet ook pragmatisch durven zijn. Dan reik je componisten verf en kwasten aan en zeg je: kom, verzin eens wat.

«Het nieuwe zit hem niet in het uitvinden, maar in het vinden: het samenbrengen van dingen die nog niet eerder in één geheel werden gecombineerd. En dat is precies waar mijns inziens de toekomst van de muziek ligt: in de synthese. In de achterliggende eeuw is er zoveel ontgonnen en ontdekt, en dus voorhanden, dat er een enorm potentieel is aan onbenutte mogelijkheden.»

Het «multiculturele» zit ’m in de combinatie van instrumenten, in de keuze van de componisten die het Nieuw Ensemble voor de klus heeft opgetrommeld, en in de onbevangenheid van hun houding.

Bij Artjom Kim (1976), Oezbeek uit Koreaanse ouders, is de verhouding tussen West en Oost nog echt een thema. De muzikale energie die hij in zijn eendelige Rag Music wil vrijmaken, ontspruit, verklaart hij, aan «de tegenstelling tussen de klankkleuren en de muzikaliteit van de Europese en Aziatische musici». Maar gek genoeg is dat een tegenstelling die de breed geschoolde luisteraar van nu niet waarneemt. Die hoort de eenheid van een dans, een manische bezwering voor elf musici.

Aan Kim dankt de wereldmuziek (Bons zegt liever: wereldkunstmuziek) haar eigen avant-garde. Rag Music klinkt als de samenvatting van iets groters, als de laatste boze echo van een mythisch reuzenorkest, op schaal verknipt tot dodendans in tien minuten.

De inleiding is puur natuur met een schorre vogelfluit, de sheng als een boosaardig wind orgel erbij en voor de ostinatomelodie de kanun, een soort Arabische citer, met galmende motieventaal als de verdwaalde morseseinen van een bedoeïenenstam die met melodische signalen oproept tot een woedend reliritueel. Daarna begint het grote stampen op een virtuele dansvloer die zich uitstrekt van de steppe tot New Delhi. Zo folkloristisch prikkelen de noten de verbeelding dus, maar ze zijn meer dan voer voor stereotyperend etno-horen. Er is een wilde wereldweidse kracht in Kim, die hij in zijn muziek de vuist laat ballen. Kim leidt de overlopende muziek beheerst geconcentreerd, iemand die aandachtig terughoort wat hij heeft gemaakt. Op de achtergrond leest Bons de partituur, die vol dynamische symbolen is; de agogiek luistert bij Kim blijkbaar zeer nauw.

Een paar dagen later staat het hele gezelschap in het Amsterdamse Paradiso. Ziggurat blijkt echt te zijn wat de calypso deed vermoeden: een soort strandjuttersverzameling van vrij geassembleerde etnische objets trouvés. In relievo, deel 1, is een groot woord voor wat bij Moussorgsky de Promenade in de Schilderijententoonstelling is, de wandelpas van de ontdekkingsreiziger die componist Loevendie wil zijn: een soort geavanceerde Cor Bakker die in de jazzclub en de kashba met spontane blijdschap inhaakt op het plaatselijke levensritme. Jazz, Bach, Arabisch lied, de westerse traditie: de hele santenkraam gaat luchtig op de schop.

Er zijn wonderschone momenten: in deel 2, Karadi, vormen basblokfluit, gamba en slagwerk een prachtige klankspiegel van elegant glazige lijnen zonder schaduw, geluid dat onuitspreekbaar hol en vol is: borgesiaanse oerjazz uit een land dat Loevendie wel ontdekt maar niet veroverd heeft. Het blijft zo vreemd als het in noten soms moet zijn, exotisch.

Een ander ondoordringbaar wereldrijk voor de componist van Ziggurat is Bach. Loevendie pikte twee stemmen uit het duet Verzage nicht en voegde er zeven van eigen hand aan toe, legt hij zijn luisteraars in Paradiso uit. Het muzikale resultaat is een soort prehistorische close harmony voor stemmen en voor instrumenten, met binnensmondse eerbied uitgedragen.

Bij Bjarnason wint de voornaamste speler van het stuk. De Chinese Poems zijn mooie aforismen, maar het is Wu Wei die met zijn woest gechoreografeerde muzikaliteit de show steelt op zijn sheng: kronkelend van overgave blaast hij buizen vol muziekgeheimen leeg. Toch klinkt die stem soms vreemd nabij, als een verweerde vox humana.

Al met al blijkt Fabio Nieder, die als componist en dirigent de avond afsluit met zijn werk, de interessantste muziekpersoonlijkheid van de avond. De stem beschrijft de geboorte van de stem uit de geest van het instrumentale. Uit een unisono van drie strijkers maakt zich op zeker moment een lamenteren los dat vooral voor rekening blijkt te komen van de Turkse kemence, die klagen tot retorische formule opwaardeert. Dit is muziek die in één vloeiende beweging tot een hele wereld wordt. Het gaat bij Nieder met onschijnbaar lichte tred: de slagkracht rust op de dosering van het minimale. Een climax kan bij hem heel klein zijn, de zucht van een accordeon is genoeg.

Nieder heeft wat je in mensen grenzeloos kunt bewonderen; een talent voor herkenbare oorspronkelijkheid. Je weet niet wat je hoort, maar wel dat het voor jou is, zo persoonlijk word je toegesproken. Neem het begin: dat malle hardop tellen van een musicus, hier een slagwerker die met de voeten in het grind de maat loopt, kennen we van Stockhausen, maar dit is verheffender. Het draait nu eens niet uit op de verwachte, obligaat moderne tutti-dissonant, maar verloopt in een fijn weefseltje van kleurrijk lieve stromende geluiden, vervreemdend stralend als de boosaardige lach waarin de dirigent iets later ook zelf uitbarst.

Dát is logica: steeds werkt de lach als culminatiepunt, een voorschot op de latere ontknoping, die bij Nieder een duet is voor twee stemmen, een sopraan en een bas. Ze bloeien op als surreële instrumenten: je zou je kunnen voorstellen dat Nieder daar ook echt de indruk wilde wekken dat de zang instrumentaal werd voortgebracht. Voorgoed concretiseren doet zich in dit onophoudelijke worden niets, want niets beklijft, en wat gekomen is, sterft aan het slot weer weg in stap stap stap. Bijna onmerkbaar transformeert de muziek van de ene onbestendigheid in de andere: en al die tijd is er dat fijn-welluidende zonder een spoor van melodisch-harmonische gemeenplaatsen.

Dit is een meester die muziek schrijft als een Faulkner boeken, met het oog dat als een microscoop op alle noten valt.

Op naar de Chinezen. Begin maart staan ze met twee eenakters in het Concertgebouw, Guo Wenjing (1956) en Xu Shuya (1961). Twee oudgedienden bij het Nieuw Ensemble, dat van beiden al werken in première bracht. Wenjing, die op het Holland Festival van 1994 veel aandacht trok met zijn opera Wolvendorp, lijkt me met Feniks Paviljoen de interessantste: zijn onbeschaamde, ongenadige bezieling fascineert onmiddellijk. Lucas Vis dirigeert een uitgebreid Nieuw Ensemble vol Chinees gedoe. De indruk is dat hij dat heel goed doet.

Maar het gaat me om de beide stemmen. Het zijn authentieke Chinese vocalisten; de een is tenor bij de Beijing Opera, de ander sopraan bij de Sichuan Opera. De tenor Jian Qihu, in oudtestamentisch communisten jargon afgestudeerd als «Voortreffelijke Jonge Uitvoerende van de Beijing Opera», heeft een krankzinnige falsetstem die een nauwelijks onderdrukte hang naar moord of zelfdoding doet vermoeden. De sopraan heet Shen Timei. Haar eerste noten zijn hilarisch, hoog en dun, geknepen als een kinderstem op 78 toeren. Is het Shirley Temple-effect eenmaal van de baan, dan slingert zich het dunne fluïdum van dit legato als een waterstraal het vacuüm van een verwesterde perceptie in. Je zou kunnen verdwijnen in die stem, en drinkt die nieuwe klanken in met de verbaasde gretigheid van iemand die geen weet had van zijn dorst. Maar je houdt ze niet binnen. Het zijn de jouwe niet. Daar over gaat verwondering, en dat is goed.

Wordt vervolgd. Ook dat is goed.