De werkelijkheid in de literaire kritiek

De smetvrees van de critici

Het idee dat zuivere kunst los staat van de wereld heeft de kunst van haar betekenis ontdaan. De kloof tussen de fictie en de werkelijkheid dient door de criticus te worden overbrugd.

Voor Maarten Doorman is elite geen vies woord. In zijn oratie als bijzonder hoogleraar kunstkritiek aan de Universiteit van Amsterdam, een jaar of drie geleden, ergert hij zich aan de lauwe middelmaat die sinds de jaren zeventig vrij spel heeft in ons onderwijs. De leerling vraagt iets van de school in plaats van andersom. De hiërarchie is weg, de canon afgedankt, het einde zoek – hij krijgt van de weeromstuit zelfs begrip voor schooldirecteur De Bree uit Bordewijks Bint en diens uitzinnige didactiek van tucht en orde. De docent hoort nimmer af te dalen tot het peil van zijn pupillen, zij behoren naar het zijne op te stijgen.

Misschien verklaart die houding iets van Doormans weerwoord op een stuk van Rutger van der Hoeven in De Groene van 16 maart.Die stelt zich daarin op als een pupil, maar waagt het iets te vragen. Als geïnteresseerde leek vraagt hij aan literaire recensenten of zij niet meer aandacht kunnen schenken aan het vele dat literatuur ons kan vertellen over onze maatschappij. Dat zou zowel de maatschappij als de literatuur verrijken en voorkomen dat recensies lezen als een kunst om de kunst die de gewone lezer uitsluit. ‘Wie zich niet interesseert voor de maatschappelijke en politieke laag in romans wil ik niet voorschrijven dat te doen. Maar wel zou ik willen smeken om ons toe te laten tot het literaire pantheon: de non-fictielezers, de nieuwsvolgers, de feitjesspeurders.’

Een smeekbede, in alle nederigheid. Wat wil een leermeester nog meer.

Maar Doorman wil dat Van der Hoeven zijn brutale waffel houdt. Hij pluist recensies in de kranten door en vindt de ene na de andere verwijzing naar de werkelijkheid. Hij vindt het overigens maar goed dat die niet worden uitgediept – zo ging het bij Zeeman met boeken ook niet, daar werd ‘literatuur serieus genomen en de kijker niet als een domme consument beschouwd’. Gebrek aan werkelijkheid in de kritiek? ‘(…) dat het daar nu net aan schortte, had ik met al mijn scepsis nog niet bedacht’.

Vooral die afmaker lees je gefascineerd. Want Doorman heeft dat best bedacht, natuurlijk. Hij heeft er een paar jaar geleden al over gedebatteerd op een avond in De Balie rond een boek van mij over de Nederlandse literatuur, waarin heel wat werd uitgewerkt dat Van der Hoeven aankaart. Bovendien is het hem ongetwijfeld niet ontgaan dat er ook over de grenzen veel kritiek is op de wereldvreemdheid van het literaire leven. Denk aan Tzvetan Todorov, laatst in de NRC nog geparafraseerd door Bas Heijne. ‘Er is een kloof ontstaan tussen de literatuur en de wereld, omdat docenten en critici aan een akelig soort smetvrees lijden: een roman zou je eens iets over jezelf en de wereld kunnen vertellen!’

Die smetvrees zie je zelfs aan de verwijzingen naar de werkelijkheid die Doorman toch maar mooi gevonden heeft. De ene roman toont een Ayaan Hirsi Ali-achtig personage. De andere laat de gevolgen van de dictatuur in Albanië zien. Heel goed. Maar wat heeft de roman daarover te vertellen dat niet je niet al in de krant leest? Daar moet je als criticus precies in zijn als je iets wezenlijks wilt zeggen. Je schiet er niets mee op om kippig van de fictie naar een werkelijkheid in de verte wijzen. Je moet de twee over elkaar leggen tot ze samen één scherp beeld geven. En geef toe, hoe vaak maak je dat mee in een recensie?

Interessant genoeg is het juist Van der Hoeven die het beter doet. Zijn termen wekken soms de indruk dat hij in romans de letterlijke feiten van de werkelijkheid zoekt, hij heeft niet het taalgereedschap van de criticus. Maar waar hij voorbeelden geeft, blijkt zijn intuïtie hem de weg te wijzen. Hij analyseert romans van Ian McEwan, John Coetzee en Philip Roth tot hij er vragen uit kan destilleren die aan onze wereld raken. Hij laat zich als lezer meeslepen door de mogelijkheden die het denken via fictie biedt en sleept zijn eigen lezer daar ook weer in mee, precies zoals je dat als lezer van kritieken graag zou zien. Tell me and I might forget. Show me and I might remember. Involve me and I might understand.

Zet dat eens tegen Doorman af. Van der Hoeven gooit zich erin, ontdekt iets, is niet bang om daarin discutabel te zijn en verhoort aldus de roep van alle kunst – dat haar verbeelding een betekenis mag krijgen in de werkelijkheid. Doorman daarentegen gooit zich nergens in. Komt niet met een alternatief, met iets wat je zou willen weten, enkel met de flauwekul dat Van der Hoeven ‘ondubbelzinnige teksten wil lezen over een onrechtvaardige wereld’. Hij verandert in een karikatuur van schooldirecteur De Bree waarover je alleen je schouders nog kunt ophalen. Hij eist tucht en orde, zet zijn leerling in de hoek, maar heeft aan lesstof niets te bieden.

Rara, hoe kan dat? Laten we het Doorman vergeven als een van zijn mindere momenten, hij heeft in de regel echt wel iets te zeggen. Maar die leemte in zijn stuk verraadt iets pijnlijks aan de literatuurkritiek van onze tijd. Die staat onder de invloed van een modernisme dat vanaf de jaren zestig een rigide opvatting ontwikkelde over de autonomie van kunst. Een kunstwerk toonde niet alleen een eigen wereld, deze diende los gezien te worden van de onze. Autobiografische elementen, actuele vragen, straatrumoer gaven geen pas. De kunst werd daardoor almaar zuiverder, in elk geval in theorie, ze werd een open plek in het bestaan, en met de bijpassende zuiverheid van hun beoordelingsvermogen waren critici zo ongeveer de enigen die deze plek met recht konden betreden.

Kunst kreeg daardoor alleen wel steeds minder betekenis voor ons bestaan, tot wrevel van veel schrijvers en gewone lezers, zoals Van der Hoeven. Zij komen de laatste jaren terug van die rigide autonomie. Dat dwingt de kritiek in de verdediging, die zoekt dus argumenten voor haar leerstuk en bemerkt ineens hoe lastig haar positie is. Want wat heeft die autonomie te bieden als van daaruit niets interessants meer wordt gezegd over de werkelijkheid? Wat valt er méér aan te verdedigen dan een complex geformuleerde maar ten slotte toch onloochenbare leegte? Die impasse leidt bij critici soms tot de vlucht naar voren die ook Doorman in zijn stukje kiest. In plaats van argumenten strooien ze verdachtmakingen rond. Wie twijfelt aan hun werk neemt literatuur ‘niet serieus’, wil ‘ondubbelzinnige teksten’ enzovoort. Ze excommuniceren de gewone lezer, beklagen zich intussen over het teruglopende gezag van de kritiek, waar ieder schuld aan heeft behalve zij, en krijgen gaandeweg de grootste moeite te verhullen dat er nog iets anders op het spel staat dan de literatuur. Hun aanzien. Hun positie binnen een elite.

Het is een bedroevend tafereel, zowel moreel als literair, voor wie dat onderscheid graag maakt. De zelfopsluiting in een magistraal gelijk dat niet meer vraagt om argumenten. De zelfverheffing op grond van een traditie die haar kracht niet meer bewijst. Van mij mag het bestaan, net als van Van der Hoeven, lezers zoals wij zijn daar heel tolerant in. Maar het lijkt me niet ondenkbaar dat het op afzienbare termijn ophoudt te bestaan, eenvoudig omdat steeds meer lezers zoals wij het leren overslaan.

Lees ook:
Maarten Doorman: De wereldvreemde literatuurkritiek
Rutger van der Hoeven: De werkelijkheid bestaat