Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2018

De snijtafel

Wat betekent kunstkritiek voor de kunstenaar? Een gesprek met Wendelien van Oldenborgh en Kasper Bosmans bij de start van de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2018.

Medium 14851579162 70143e7966 o
Wendelien van Oldenborgh: ‘De echte dialoog mis ik totaal in Nederland’ © Jussi Puikkonen/KNAW

De zon schijnt fel op het Brusselse dakterras en terwijl de chocoladekoekjes wegsmelten op het schoteltje bespreek ik met Wendelien van Oldenborgh (1962) en Kasper Bosmans (1990) de betekenis van kunstkritiek voor de kunstenaar.

Ze kennen elkaar niet persoonlijk. Elkaars werk wel, en daarom wilde ik een gesprek over kunstkritiek eens niet laten domineren door het gebrek aan ruimte, betaling en verschraling, maar de ontvanger van kritiek centraal stellen. Omdat ik zelf meer zou willen lezen over lijnen en tendensen, over werelden en belangen. Over de economie van de kritiek, de duiding, de beïnvloeding en het ongenoegen. Ik zie beide kunstenaars als gravers in materie, als archeologen, die willen blootleggen en grondig onderzoeken. In archieven en verborgen geschiedenissen, of het nu gaat om het blootleggen van culturele en politieke mythes, gewoontes of tendensen. Allebei bewegen ze het heden via het verleden, maar de uitkomst is volledig anders.

Houden jullie eigenlijk goed bij wat er over je geschreven wordt?
Kasper Bosmans: ‘Ik lees mijn interviews weinig na omdat ik er altijd ongelukkig van word. Dat er over je werk gesproken wordt is belangrijk maar je moet er ook een gezonde afstand van houden. Een goed voorbeeld vind ik de constructieve houding van James Ensor. Als hij kritiek kreeg bewaarde hij dat, omcirkelde hij alles wat onjuist was en schreef daar commentaar bij. Dat is later ontdekt in zijn archief. Ik heb me een paar keer laten verleiden een reactie te schrijven waarbij ik vond dat de journalist zich echt niet goed had geïnformeerd.’
Wendelien van Oldenborgh: ‘Ik voer de dialoog via mijn werk en daar wordt door critici op gereageerd. Mijn emoties hebben namelijk geen waarde in het publieke veld. Er wordt een bepaald “discours” aan je werk toegeschreven en dat houd je in de gaten, omdat ook instituten daar weer op reageren. Het is dus een groter veld dan de kunstkritiek alleen.’

Het lijkt alsof jullie niet zo’n hoge pet op hebben van de kunstkritiek.
Van Oldenborgh: ‘In de dagelijkse kranten, in elk geval in Nederland, is de kritiek verworden tot iets dat alleen om meningsvorming en sterretjes draait. Er wordt niet op elkaar gereageerd of een debat aangegaan. Ik vind het veel interessanter als mensen met elkaar in gesprek gaan. Je hebt allemaal goede schrijvers hier, denk aan Sven Lütticken, Steyn Bergs, Vincent van Velsen natuurlijk en Moosje Goosens is ook geweldig, maar geen van die mensen werkt bij de krant. Als je dan een beetje om je heen kijkt, in Duitsland bijvoorbeeld, vind ik dat ze in de dagelijkse berichtgeving wel goede artikelen schrijven over kunst die ook raken aan de actualiteit waar andere schrijvers weer op reageren. Zo ontstaat een echte dialoog en die mis ik totaal in Nederland.’
Bosmans: ‘Als kunstenaar doe je lang en uitgebreid onderzoek en je hoopt dan dat daar in de kritieken op z’n minst een evenredig engagement op wordt toegepast. Maar natuurlijk, wij werken in een hyperspecifiek veld en ik begrijp ook wel dat kunstcritici zich specialiseren in de vertaalslag die kunstenaars maken.’

De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2018

De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek is een stimuleringsprijs voor een nieuwe generatie critici en essayisten uit het Nederlands-Vlaams taalgebied, die schrijft over hedendaagse beeldende kunst. De prijs is een initiatief van De Appel Amsterdam, Witte de With Centrum voor Hedendaagse Kunst Rotterdam, het Mondriaan Fonds, Stedelijk Museum Amsterdam, M HKA – Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen, Van Abbemuseum Eindhoven, Cobra Museum voor Moderne Kunst, Netwerk Aalst en M – Museum Leuven. Met de prijs willen de organisatoren investeren in de toekomst van een hoogstaand Nederlandstalig kunstdiscours dat, zonder verlies van kwaliteit, ook toegankelijk is voor lezers met minder expertise van hedendaagse beeldende kunst.

In 2018 wordt de tweejaarlijkse prijs voor de zesde keer uitgereikt. Critici tot 35 jaar worden uitgenodigd in te zenden in de categorieën ‘Essay’ en ‘Recensie’. Hoofdprijs: 3000 euro per categorie. Het winnende essay zal bovendien gepubliceerd worden in De Groene Amsterdammer. Twee jaar geleden won Laurie Cluitmans met haar essay over de sculpturen van filmregisseur Derek Jarman. De deadline voor inzendingen is 1 september 2018. Zie de website voor meer informatie.

Eigenlijk zeggen jullie allebei dat je polemiek mist binnen de kunstkritiek. Klopt dat?
Bosmans: ‘Ik merk dikwijls dat er artikelen gerecycled worden, zelfs de termen, “een postmoderne Breugel” ben ik en een “tovenaarsleerling”. Ik weet dan ook wie daar als eerste mee begonnen is en ik vind dat wel schoon, dat iedereen kan nalezen wie daar eerst mee begonnen is en wie alles kopieert. Zo’n mening, of traditie, lijkt dan moeilijk te doorbreken. Of dat vergt een bepaald soort sterke positie die misschien ontbreekt in de journalisten die nu op de cultuurposten zitten.’
Van Oldenborgh: ‘Er is natuurlijk een verschil tussen verslaggeving en beschouwing. De eerste keer dat ik aan een biënnale meedeed, dat was in Istanbul, werd er enorm uitgepakt in de media en werd ik in geen enkel Nederlands artikel genoemd. Het werk Instruction ging over de receptie van de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië, die we tot heel kort geleden nog “politionele acties” noemden, en hoe we die geschiedenis hier censureren. Dat was eigenlijk een voorloper van het werk dat ik vorig jaar op de Biënnale van Venetië heb getoond, Cinema Olanda. Daar werd toen de hele tijd over gezegd: “Het is zo saai, dit gaat niemand begrijpen, want dit is zo’n Nederlands verhaal.” Maar in het buitenland kreeg ik er veel succes mee. Wat ik mis, en ik denk dat dat echt iets met de cultuur te maken heeft, is dat er hier weinig critici zijn die op elkaar ingaan. Niet om mij te verdedigen, maar om het debat aan te gaan over het werk, over het paviljoen, over de actualiteit.’

We gaan het niet over je emoties hebben, maar hoe gaat dat dan in Venetië? Ben je op de opening bezig met de critici die je naar binnen ziet gaan? Op een gegeven moment komt dan de eerste recensie, zit je daar echt op te wachten?
Van Oldenborgh: ‘Eerlijk gezegd was ik er echt helemaal niet mee bezig! We zaten te eten en het was allemaal geweldig en toen kreeg ik een berichtje en werd de eerste recensie voorgelezen aan tafel, en dat was… nou ja, dat was wel grappig want de dag daarna hadden wij ons feest en ik heb nog nooit zo goed gefeest. Wanneer ik het me pas begon aan te trekken was eigenlijk toen ik terugkwam in Nederland. Want het debat verstilde na de opening. Na die eerste recensies is er niets meer uitgekomen, behalve een uitgebreid antwoord in De Groene en een paar goede blogs. Ik had een show in Witte de With en daar is niets over geschreven. Ze zijn pas weer beginnen te schrijven toen Witte de With aankondigde dat ze de naam gingen veranderen. Ik was daar oprecht verbaasd over want wij, curator Lucy Cotter en ik, waren de enigen in een hele rij biënnales die ook in Nederland een programma hebben gemaakt. Dat is helaas niet opgepikt na die eerste slag om de oren.’
Bosmans: ‘Vrienden van mij hebben het motto “Don’t feed the trolls” en dat gebruik ik zelf eigenlijk ook graag.’
Van Oldenborgh: ‘Ja, dat doe ik dus ook niet. Want internationaal is het super goed ontvangen, ArtReview, Frieze, de kranten. En dan heb je de zorgen van een Volkskrant of NRC die dan zeggen: “Het is te complex, in het buitenland gaan ze het niet begrijpen.” Maar ze hebben dan dus niet door wat eigenlijk het veld is, dit zijn onderwerpen die wereldwijd spelen, die heel goed begrepen worden.’
Bosmans: ‘Maar dan is het ook de vraag: is dat de taak van journalisten, of op welke manier kunnen hoofden van cultuur eigenlijk die link maken tussen dat internationale veld en het nationale veld?’

Als je kijkt naar de institutionele verschuivingen die momenteel plaatsvinden, zoals de naamsverandering bij WdW en misschien zelfs de huidige keuze voor de inzending voor de Biënnale van Venetië 2019, zie je dan ook dat de gevolgen van jouw paviljoen eigenlijk in een ruimer publiek veld plaatsvinden?
Van Oldenborgh: ‘Ja dat klopt wel en ik denk dat we daar op een zekere manier aan hebben bijgedragen. Ik hoorde laatst ook dat ze op een academie het curriculum gaan bijstellen, waarbij ook Cinema Olanda als referentie genoemd werd.’
Bosmans: ‘In alle eerlijkheid is dat ook het vreemde aan kunstkritiek: er is direct een eindoordeel. Ik hou ook niet meteen van alles wat ik zie. Waardering is soms ook een kwestie van mee evolueren in tijd.’

In jouw werk, Wendelien, zit een kritisch en activistisch element waarin zowel de instituten waarmee je werkt als de bezoekers gedwongen worden na te denken over de status quo. Kasper, in jouw werk zijn de kritische elementen veel subtieler. In jullie beider werk zie ik een constante oproep tot het bevragen van de werkelijkheid. Zien jullie jezelf als activistische kunstenaars?
Bosmans: ‘Ik zeg eigenlijk altijd demonstratief dat ik dat niet ben. Omdat ik dat mijn taak helemaal niet vind. Ik vermoed dat activisme is dat je werk directe maatschappelijke gevolgen teweeg kan brengen. Ik hou me niet direct bezig met maatschappelijke thema’s die nu relevant zijn. Ik heb een natuurlijke fascinatie voor bijvoorbeeld hoe de mens de natuur interpreteert om zijn maatschappij uit te leggen – kijk naar middeleeuwse bestiaria, die gevormd zijn in de hiërarchie van de dieren, die gelijk loopt aan de hiërarchie binnen de kerk. God de vader is de leeuw, het luipaard is Jezus Christus en dat gaat zo heel de ladder af. Maar in zekere zin is dat ook culturele kolonisatie van de natuur.’
Van Oldenborgh: ‘Ik wil ook echt benadrukken dat ik geen activist ben. Als ik een activist zou zijn, dan zou ik op een bepaalde manier te werk gaan om mijn doel te bereiken. Maar dat doe ik niet, ik heb geen doel. Ik maak sensoriële, gecomponeerde en formele ervaringen – maar wel met materiaal dat dicht bij mensen ligt en dat ze herkennen.’

Hebben jullie wel eens dingen over je werk gelezen waar je ontzettend blij mee was omdat ze je een beter inzicht gaven in je eigen werk?
Bosmans: ‘Ja! Iemand heeft eens zo precies de tekortkomingen in mijn werk blootgelegd en tegelijkertijd werden de juiste accenten eruit gehaald, daar heb ik heel veel aan gehad omdat er was ingezien welke beslissingen accuraat waren. Tegelijkertijd was de schrijver zich ook nog bewust van de poëtische kracht van mijn werk. Allez, ik ben mezelf nu complimenten aan het geven, maar dat was echt fijn.’
Van Oldenborgh: ‘Ik heb vrij recentelijk een boek gemaakt en dat was een fantastische oefening, omdat de opdracht aan auteurs niet zozeer was om over mijn werk te schrijven maar om vanuit de positie van die persoon mijn werk te betrekken in het gesprek. Daar stonden dingen in waarvan ik dacht “wauw, dat is echt mooi gezien”. Dat je het intuïtief ergens, zonder woorden, wel aanvoelt dat je iets op een bepaalde manier doet en dat iemand dat dan neerschrijft.’

Kunst is altijd een samenwerking. Zowel met het materiaal, de curatoren als het instituut. Is de kritiek daar ook een onderdeel van?
Bosmans: ‘In zekere zin wel. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid omdat elk instituut zijn eigen methodes heeft om dingen aan het licht te brengen of om publiek te engageren. In Nederland wordt er veel ingezet op publieksprogrammering, samenwerkingen en sociale relevantie, terwijl ik dat bij Belgische musea veel minder tegenkom.’
Van Oldenborgh: ‘Het woord dat bij mij naar boven komt is “mediëren”, inderdaad. Wat mij betreft is kunstkritiek ook een mediatie en dat mis ik vaak. Omdat je door een kritiek de lezer die er niet bij was zou kunnen meenemen in wat er precies gebeurde. Dat valt weg als iemand meteen begint met een mening en concludeert met een ster. Je hebt natuurlijk ook verschillende types kunstcritici. Sommigen vinden het een vak van bemiddeling en anderen vinden het een vak van beoordeling.’
Bosmans: ‘Maar zeker voor ons werk moet je echt op de hoogte zijn voordat je erover kunt schrijven. De kritiek betreft voor een groot gedeelte de vertaalslag en daar kun je als criticus een mening over hebben, hoe succesvol dat was. Eigenlijk is dat het enige. Begin dit jaar had ik bij Gladstone in New York een vrij politieke tentoonstelling en dat lag niet alleen aan het onderwerp, maar ook aan de manier waarop het geheel “ge-edit” was. Eigenlijk is editing echt een kernwoord voor conceptuele kunstenaars.’

Of je het lef hebt om te snijden.
Van Oldenborgh: ‘Dat gaat over schrijven, componeren, alles – editen, dat is een heel proces want je maakt iets vanuit materiaal. En dat materiaal is voor mij soms heel menselijk. Dat zijn uitspraken over materiaal, over vorm, beweging, taal. Dat komt allemaal samen op…’
Bosmans: ‘De snijtafel.’