Molenbeek: terreur-Mekka of probleemwijk?

De sociale roltrap van België

De Brusselse gemeente Molenbeek lijkt door een concentratie van sociale problemen een ideale voedingsbodem voor radicalisering. En de overheid staat erbij en kijkt ernaar. Korte geschiedenis van een buurt vol frustratie.

Medium hh 54588247

De Sint-Jan Baptistkerk in het oude centrum van de Brusselse gemeente Molenbeek is een katholieke kerk in art-decostijl. In de jaren dertig werd ze gebouwd voor de almaar uitdijende bevolking van de Brusselse gemeente, waar de industrie zich in haar bloeitijd bevond. Molenbeek, toentertijd ook wel ‘het Belgische Manchester’ genoemd, kreeg door het gemeentebestuur een godshuis toebedeeld waar een parochie U tegen kon zeggen. In de jaren dertig waren het vooral Vlaamse arbeiders die hier naar de mis gingen, maar tegenwoordig wordt de kerk voornamelijk bevolkt door Congolese en andere Afrikaanse nieuwkomers.

Vandaag, op een vrijdag in 2016, is het gebouw in de vorm van een kruis echter gesloten. Op de trappen bij de ingang zitten twee puberjongens van Noord-Afrikaanse afkomst. Ze turen naar de schermen van hun telefoontjes. Het is een warme zomerdag en daardoor is er veel volk op de been. Over het plein sjokken mannen met lange baarden in roze of blauw gekleurde gewaden, meestal traditionele Marokkaanse djellaba’s. De vrouwen, veelal in lange en donkere sluiers, wandelen apart van de mannen. Het is tegen één uur in de middag.

‘We zitten nu vlak tegen het vrijdaggebed en de meeste moslims die je ziet gaan naar de moskee. Molenbeek telt 21 moskeeën en tal van gebedsplaatsen. Dat zijn soms kamertjes in huizen of keldertjes onder cafés waar mensen samenkomen om te bidden. Niemand weet eigenlijk hoeveel er daar precies van zijn’, vertelt journalist en schrijver Pascal Verbeken. De geboren Gentenaar maakte in 2007 furore met zijn boek Arm Wallonië, waarin hij onder meer de opkomst en ondergang van de zware industrie in het Franstalige gewest beschreef. Ook schreef hij een verslag van een reis langs de legendarische spoorlijn Grand Central Belge, die ooit de economische ruggengraat van het oude industriële België vormde. Al langer heeft de voormalige industriegemeente Molenbeek in Brussel Verbekens belangstelling. ‘Vijftien jaar geleden was er in Molenbeek al een kern van radicale moslims rond de jihadistische moskee Centre Islamique Belge’, zegt hij. ‘Op een gelieerde website werd openlijk geweld voorbereid. De stichters van het Centrum zijn later trouwens vrijwel allemaal gesneuveld in Syrië.’ De Franstalige media besteedden aandacht aan de problematiek, maar in Vlaanderen bleef het stil. Tot verbazing van Verbeken. ‘Ook toen ik in 2002 voor het weekblad Humo over radicalisering in Molenbeek schreef, kwam er geen enkele respons. Een confrater waarschuwde me zelfs geen koren op de molen van extreem-rechts te gooien. Dat was de sfeer toen. En ja, dat is dus gelijk het probleem. De media hebben altijd weggekeken. Net zoals de lokale politiek de ogen sloot. Tel daarbij op een overwerkte politie, zwakke veiligheidsdiensten, gebrekkige strafvervolging door het gerecht en de bestuurlijke puinhoop van het Brusselse Gewest, en dan begrijp je waarom het uitgerekend in Molenbeek en de naburige Brusselse gemeenten zo is misgegaan.’

Verbeken schrijft momenteel een boek over de stadsgeschiedenis van Brussel met de titel De bastaard van Europa dat in 2018 zal verschijnen. ‘Daarin krijgt Molenbeek het deel dat ze verdient’, belooft de schrijver, die de laatste tijd geregeld in de gemeente te vinden is. Zo ook vandaag. ‘Laten we gaan lopen’, zegt hij. We wandelen in de richting van het kanaal Charleroi-Brussel, dat Molenbeek scheidt van de gemeente Brussel-Centrum. Bij de kade staat hij even stil. ‘Hier, langs het water, verrijzen de laatste jaren steeds meer moderne appartementen. Het gaat om een duidelijk gentrificatie-beleid, waarbij jonge, blanke tweeverdieners naar de gemeente worden gehaald om de buurt op sociaal vlak te verheffen. De blanke tweeverdieners blijven echter goeddeels langs het kanaal wonen, waardoor van echte vermenging tussen bevolkingsgroepen geen sprake is.’

Dit deel van Brussel bevat een duizenden jaren oude geschiedenis. In de oudheid woonden er al mensen bij de doorwaadbare plek aan de latere Molenbeek, een heilige plaats waar de godin Freya werd vereerd. Het gehucht breidde zich in de Middeleeuwen langzaam uit tot een boerendorp waar voedsel voor de stad Brussel werd verbouwd. Het lag vlak buiten de stadsmuren en dat zou zo blijven tot in de negentiende eeuw. Na de Belgische opstand en het gereedkomen van het kanaal Charleroi-Brussel ontstond er in Molenbeek een nieuwe dynamiek: die van de zware industrie. Dankzij deze waterweg, die in 1832 werd geopend, kon steenkool eenvoudig van het zuiden naar het midden van België worden getransporteerd. Langs de Molenbeekse zijde van het kanaal verrezen fabrieken en andere industriële bedrijven, die arbeiders nodig hadden. Die werden gevonden in Vlaanderen, waar armoede heerste op het platteland.

In groten getale verhuisden boeren naar Molenbeek om zich daar als fabrieksarbeider te vestigen. Er was werk in overvloed. Niet alleen grote metaal- en staalfabrieken, maar ook kleinere bierbrouwerijen, suikerraffinaderijen, gemechaniseerde bakkerijen en chemische bedrijven vonden gedurende de negentiende eeuw hun thuis in Molenbeek. De productie steeg tot grote hoogte en het aantal inwoners steeg navenant. In 1800 woonden er 1380 mensen in Molenbeek, vlak voor de Eerste Wereldoorlog waren het er 72.300.

De werkomstandigheden en huisvesting van de arbeiders waren beroerd. Grote gezinnen woonden in krappe etagewoningen, in krotten. Kinderen en volwassenen liepen dagelijks naar de fabriek om te werken, en van enige emancipatie of goede scholing was geen sprake. In de jaren twintig en dertig verbeterden de omstandigheden geleidelijk. Ondanks de grote veranderingen in het leven van de bewoners, die van het platteland naar de industriële stad verhuisd waren, bleef de katholieke kerk een constante factor. Pas in de decennia na de oorlog zou de Sint-Jan Baptistkerk door de ontkerkelijking en het wegtrekken van de autochtone Belgen langzaam leeglopen.

Verborgen tussen de straatjes, die tegenwoordig uitpuilen van de islamitische slagerijen en Marokkaanse groentewinkels, ligt het museum La Fonderie. Via de poort aan de Ransfortstraat lopen we het terrein van het museum op, waar binnen in de oude fabriekshal nog restanten uit lang vervlogen tijden te zien zijn. ‘In deze fabriek maakte men beelden van hoogstaande kwaliteit. Het gieten van brons was de specialiteit van het bedrijf La Compagnie des Bronzes’, vertelt Verbeken, die wijst op een van de bijzonderste standbeelden: een replica van een bronzen leeuw die naar de hekken van Central Park in New York werd getransporteerd. Ook werden hier beelden van koning Leopold II (r. 1865-1909) vervaardigd.

‘De arbeiders van deze fabriek en de eenvoudige inwoners van Molenbeek waren bijzonder trots op de beelden die hier gegoten werden. Het verbond hen met een groter verhaal, met de wereld. Het deed deze mensen beseffen dat zij er in het België van de negentiende eeuw ook toe deden. Zo zegt men dat het beeld van de reus Brabo in Antwerpen hier is vervaardigd. Waar de Molenbekers vroeger werk hadden en zich een onderdeel voelden van het grotere geheel heeft nu niemand hier nog werk en het gevoel erbij te horen.’

Tussen de vele Marokkaanse winkels zijn nog twee kleine kroegen over waar alcohol te koop is

Na een korte rondgang loopt Verbeken weer door de poort de Ransfortstraat in. Om de hoek staat een betonnen flat uit de jaren zeventig. ‘Hier plempte men indertijd een woonflat, zonder pardon tussen de oude huizen in. Het grijze gebied, zoals we dit in Brussel noemen, waarin van alles door het bestuur door de vingers wordt gezien, was en is in Molenbeek zichtbaar. Deze flat is waarschijnlijk gebouwd zonder rekening te houden met voorschriften of bestemmingsregels. Het kenmerkt de brutaliteit waarmee de lokale overheid tegen haar eigen inwoners tekeer is gegaan.’

Anno 2016 hangen hier schotelantennes en wasrekken met drogende was aan de balkons. Enkele deuren staan open, waaruit het geluid van Arabische televisieprogramma’s schalt. ‘Demografische verandering is eigenlijk het sleutelwoord van Molenbeek’, zegt Verbeken. ‘Wil je de oorsprong van deze gemeente begrijpen, dan moet je zeker kijken naar de verandering van de bevolkingssamenstelling met de jaren.’

De wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog zorgde voor een nieuwe opleving van de industrie en voor grotere welvaart. In de jaren zestig was massaproductie nog alom in de gemeente aanwezig, net als de slechte levensomstandigheden van de bewoners. Mede daarom moedigde de Belgische overheid de mensen in de oude stadsdelen van Brussel aan om – met staatspremies – te verhuizen naar de randen van de stad, buiten Molenbeek. Ook verhuisden veel Belgen van Oud-Molenbeek naar het meer welvarende Hoog-Molenbeek. Verbeken: ‘Destijds vluchtten veel autochtone bewoners voor de ellende. Een enkeling bleef. Hier verderop ligt nog een winkel, die nu leegstaat, waar de eigenaar de etalage nog net zoals toen heeft gelaten. Uit protest.’

De vrijgekomen panden werden vervolgens betrokken door buitenlandse nieuwkomers, die werk hadden gevonden in de omliggende bedrijven. Autochtone Belgen maakten plaats voor gastarbeiders uit Portugal, Spanje en Griekenland. Toen die teruggingen naar hun moederland kwamen er Turken en vooral veel Marokkanen voor in de plaats. Vanaf de jaren zeventig raakte de oude industrie in Brussel in verval en zette de overheid zich in voor de opbouw van een dienstenindustrie. Internationale organisaties en dienstenbedrijven trokken naar de hoofdstad. Belgen van buiten de stad, hooggeschoolde expats en Brusselaars met meerdere diploma’s gingen in deze nieuwe economie aan de slag. Veel Turkse en Marokkaanse gastarbeiders en hun inmiddels overgekomen gezinnen vielen echter tussen wal en schip. Zij raakten veelal werkloos.

In Molenbeek ontstond gedurende de jaren tachtig en negentig massawerkloosheid, die gepaard ging met grote sociale problemen. Er ontwikkelde zich een zwarte economie waarin auto- en drugshandel hoogtij vierden. Bendes beschouwden buurten als hun gebied, waar de politie ongewenst was. In 1991 braken er rellen uit tussen voornamelijk Noord-Afrikaanse jongeren en de Belgische politie. De reden: ‘frustratie’ bij de jongeren over hun geringe arbeidsmarktperspectief en vermeende discriminatie.

Medium anp 34787526

In de jaren daarna investeerde de gemeente Molenbeek onder meer in buurthuizen, sportprojecten en overlegplatforms. De sociale problematiek verdween daardoor niet. Met name het inwonertal van Molenbeek bleef toenemen. Waar er in 1990 een kleine 70.000 mensen in de gemeente woonden, zijn dat er nu ruim 96.000. Dit heeft te maken met de grote migrantengezinnen en de nieuwe aanwas die op de goedkope woningen af komt. De laatste jaren kwamen er tienduizenden mensen bij uit onder meer Oost-Europa, Congo en de rest van Afrika. Momenteel wonen er circa 20.000 mensen per vierkante kilometer in Molenbeek.

Verbeken loopt terug naar het centrum van Oud-Molenbeek. Hier zijn veel Marokkaanse winkels en cafés gevestigd. Ook is er nog één Belgisch biercafé over, dat nota bene door mensen uit Azerbeidzjan wordt uitgebaat. ‘Er zijn nog twee kleine kroegen over waar nog alcohol te koop is’, weet Verbeken. ‘Door de grote aanwezigheid van moslims is er in deze wijk minder behoefte aan alcoholische dranken, dat is wel de realiteit. En dan te bedenken dat hier vroeger ook veel bierbrouwerijen waren.’

In november 2015 werd de wereld opgeschrikt door nieuwe aanslagen in Parijs. Zeker drie van de acht daders waren afkomstig uit Molenbeek. In de daaropvolgende dagen werden zeven mensen in de gemeente opgepakt en in de weken daarna ging Brussel ‘op slot’. In de hele stad mochten bewoners zich niet altijd op straat bevinden en moesten scholieren thuisblijven. Ondanks deze zware maatregelen werd de meest gezochte terrorist, Salah Abdeslam, niet gevonden, waarschijnlijk omdat buurtbewoners hem de hand boven het hoofd hielden. De doorbraak kwam pas op 18 maart 2016, toen hij in de kraag werd gevat in zijn woning aan de Vierwindenstraat in Molenbeek. In minder dan een week pleegden de overgebleven moslimterroristen zelfmoordaanslagen in het Brusselse metrostation Maalbeek en op de Belgische internationale luchthaven Zaventem (35 doden). Intussen was al duidelijk dat het stilleggen van de Belgische hoofdstad vooral voor economische schade had gezorgd: de vele cafés, restaurants en hotels waar de stad op draait, zagen hun omzet kelderen.

‘Kinderen uit Marokkaanse gezinnen zijn zo’n straatfeest niet gewend, ze zien bijna altijd in dat het iets plezants is’

We nemen afscheid van Verbeken en wandelen door naar het Huis der Culturen. Het complex, dat tien jaar geleden werd geopend, is een voormalige middelbare meisjesschool die nu dienst doet als ontmoetingscentrum waar bewoners, kunst en cultuur samenkomen. Binnen wacht de gepensioneerde architect Lieven Soete (72), een Vlaming die sinds 2002 in Molenbeek woont en zich inzet voor de wijk. Hij blikt terug op twee roerige jaren. ‘Mijn vrouw en ik zagen daders op tv langskomen van wie we wisten dat we ze als kinderen gekend hebben’, vertelt Lieven, die met zijn levenspartner activiteiten in Oud-Molenbeek organiseert. ‘Sommige jongens groeiden op in de buurt en bezochten onze straatfeesten. Toen we hen op televisie zagen, kwam het erg dichtbij.’

Soete kan de situatie rond de aanslagen relativeren. ‘Ik groeide ook op in een arme wijk in Roeselare, die Krottegem werd genoemd. Als kind luisterde ik veel naar de radio, vanwaar werd bericht over de terreur in Frankrijk die te maken had met de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Toen ik vernam van de terreur in Parijs kwam dat gevoel uit mijn kindertijd weer terug. In de jaren zeventig, tachtig en negentig kregen we de aanslagen van de ira, raf en eta. Terreur is in Europa een continuïteit.’ Hij wijt de ontstane problemen rond radicalisering onder meer aan de dichtbevolktheid van Oud-Molenbeek. ‘In de veertien jaar dat wij hier wonen, hebben we het steeds drukker zien worden. Hoe meer volk er dicht op elkaar zit, hoe meer kans je hebt dat er goede dingen én slechte dingen gebeuren. Het kan dus dat jongeren die een bepaalde frustratie hebben snel radicaliseren. Omdat er ook een grote concentratie is van sociale problemen weet ik dat er meer kans is dat de daders uit Molenbeek kunnen komen.’

Het op slot gaan van Brussel was voor Soete ‘een brug te ver’. Achteraf bleek dat niet nodig, vindt hij: ‘Er was geen directe dreiging voor de stad. De politici moesten een gebaar maken waarmee ze zeiden: we hebben alles onder controle. Dit typeert ook Brussel omdat hier niet aan échte politiek gedaan wordt. De bewindspersonen zijn amateurs die niet verder denken dan de volgende verkiezingen. Mijn reactie was dezelfde als in de rest van Molenbeek. Kinderen konden niet naar school. Men zei: dat kan zo toch niet.’

Bij Soete riepen de acties van de overheid woede en frustratie op. Door de mensen binnen te houden werden ze almaar banger gemaakt. ‘We hebben gewoon boodschappen gedaan, en onze buren ook. Dat deden we op eigen risico. Toch kwamen er veel minder mensen naar de winkels en de wekelijkse buurtmarkt. Het is de vraag of de mensen bang waren of dat ze geen zin hadden in de meute journalisten. Op het gemeenteplein stonden wel dertig satellietbusjes van de internationale pers. Het was één groot circus. Moslims uit de buurt waren hun prooi, want die werden voortdurend door de media lastiggevallen met de vraag wat ze er allemaal van vonden.’ Daar voegt hij aan toe: ‘Twintig jaar geleden, in 1996, moest ik me als Belg in het buitenland vaak verantwoorden om wille van de daden van Dutroux. Dat was niet eerlijk, want wij Belgen konden daar niets aan doen. Nu krijg ik de indruk dat mijn Marokkaanse buren zich moeten verantwoorden voor de daden van terroristen zoals Abdeslam. Daar kunnen zij ook niets aan doen.’

Soete en zijn vrouw Mieke Vandenbussche behoren tot de meest betrokken Vlaamse bewoners van Molenbeek. Met een koopsubsidie kwamen ze in 2002 in de wijk terecht, onder meer omdat de overheid wilde dat de middenklasse zich hier zou vestigen. ‘Onze vrienden, familieleden en kennissen vonden het raar dat we in Molenbeek wilden wonen. Voor ons was het juist een uitdaging. Onze zoon is getrouwd met een arts en zij had hier een praktijk opgezet. Zij en haar collega’s wilden de mensen in dit achterstandsgebied helpen. Er was in Oud-Molenbeek ook een tekort aan artsen, zodoende.’

In vergelijking met nu was de wijk begin jaren 2000 volgens Soete nog prehistorisch: ‘De kasseien zaten verstopt onder dikke lagen asfalt met putten erin. De voetpaden waren bijna niet bewandelbaar en vrouwen met kinderwagens moesten lopen daar waar auto’s sjeesden. Verder lag er op allerlei plaatsen huisvuil. Pas in 2005 werden de straten in onze buurt aangepakt. Om dit te vieren hebben wij met buren de koppen bij elkaar gestoken en hebben we een buurtfeest georganiseerd. Dat doen we sindsdien ieder jaar. Het zorgt voor meer sociale cohesie en brengt de buren bij elkaar. Kinderen uit Marokkaanse gezinnen voegen zich vaak als eersten bij ons feest. Ze zijn het niet gewend, zo’n straatfeest, maar zien bijna altijd in dat het iets plezants is.’

Samen met een paar honderd anderen vormen Soete en Vandenbussche de Nederlandstalige bewonersgroep van de gemeente, een zeer kleine minderheid. ‘De Vlaamse gemeenschap investeert in Nederlandstalige scholen en culturele projecten’, vertelt Soete. Hijzelf gaat geregeld een hapje eten bij het Nederlandstalige buurthuis De Heksenketel. Daar worden jonge werklozen en mensen met een handicap opgeleid om in de horeca te werken, gefinancierd door Vlaanderen. Ook worden groenten en fruit in de binnentuin biologisch verbouwd. Ontspoorde jongeren krijgen in het centrum een tweede kans en mensen met een achterstand kunnen een inhaalslag maken. De voertaal is Nederlands en de betrokkenen worden begeleid door Vlaamse medewerkers. Soete: ‘Het Nederlands is in België zo langzamerhand de taal van de sociale mobiliteit geworden. Mensen die thuis Arabisch of een andere taal spreken, willen graag Nederlands leren. De Nederlandstalige scholen zijn in Molenbeek momenteel populairder dan Franstalige scholen, die vroeger onder de migranten populair waren.’

Molenbeek telt zes Nederlandstalige basisscholen, waar een meerderheid van de leerlingen een Marokkaanse achtergrond heeft. Dat heeft Soete gemerkt: ‘Mijn kleinkinderen wonen bij ons om de hoek. Soms spreken ze thuis plots een soort Maro-Vlaams. Dat is een mengelmoes van Vlaamse en Marokkaanse woorden en uitdrukkingen. Wij vinden dat best grappig, maar kunnen de kleinkinderen gelukkig wel algemeen beschaafd Nederlands meegeven.’

Lieven Soete is niet te spreken over de negatieve publiciteit waar Molenbeek na de aanslagen in Brussel en Parijs onder bedolven is: ‘Natuurlijk is hier armoede, overbevolking, uitbuiting, achterstelling, een duale koloniale en kapitalistische maatschappij. Je kunt het aflezen uit de gaten en de bouwsels; je kunt het betasten, opmeten, ruiken, proeven. Het is de bron, verklaring waarom Molenbeek nu is wat het is.’ Momenteel woedt er een debat over wat er met de gemeente moet gebeuren. Verschillende overheden willen met nieuw beleid komen om problemen als radicalisering te voorkomen. Soete stelt dat de verandering van onderop moet komen: ‘Waarom zouden we een stad, een land, zelfs Europa als geheel, niet grotendeels kunnen besturen vanuit netwerken van buurten, zo fijnmazig mogelijk. Je moet beginnen op het niveau waar iedereen kan zien, horen, voelen, ruiken wat er gebeurt, en waar iedereen een mening over heeft. Maak buurten als Molenbeek tot uitvals- en terugvalbasissen voor veiligheid, netheid, onderwijs, gezondheidszorg, sociale zorg en begeleiding. Verknoop deze basissen met omliggende buurten om de meer specifieke noden te lenigen die meer volk, ruimte, kapitaal en hoger overleg noodzakelijk maken.’

‘We hebben gefaald omdat radicalisering zich niet in de gebedshuizen afspeelde, maar bij de mensen thuis’

De potgrond is volgens hem aanwezig om dit te proberen: ‘Het gebeurt in Molenbeek al op verschillende plekken, met veel moeite en veel te weinig middelen. Het gaat om sociale en culturele organisaties en basisscholen, soms onvindbaar voor buitenstaanders. Zij zijn de funderingspalen waarop verder kan worden gebouwd.’

We zijn terug op het Sint-Jan Baptistvoorplein, de plek waar onze wandeling begon. Aan een tafel op het terras van een van de islamitische theehuizen zit Jef Van Damme. Hij is sinds 2012 gemeenteraadslid voor de SP.a. (de Vlaamse zusterpartij van de pvda) en was tussen 2006 en 2012 wethouder. Ook Van Damme trekt zich de kritiek op het gemeentelijke beleid aan. ‘Ik ken het centrum van Molenbeek als een deel van de gemeente dat islamitisch, monocultureel en erg arm is. In de periode dat ik wethouder was, was dit al zichtbaar en daarom wilden we de sociale problematiek doorbreken. Door de aanslagen in Brussel en Parijs zijn we echter ingehaald door de tijd. Het ging in onze ogen altijd maar om een klein deel van de bevolking dat orthodox-islamitisch was en dat geen problemen vormde. Er waren wel wat schimmige stichtingen die vaak een dekmantel waren voor bijvoorbeeld het dealen van drugs, maar die werden door de burgemeester bestreden. We hielden er als gemeentebestuur dus geen rekening mee dat juist radicalisering de grote uitdaging voor de toekomst zou worden.’

De eerste tekenen van toenemende radicalisering kwamen in 2012, toen moslimextremisten van Sharia-4-Belgium naar Molenbeek trokken om op een van de pleinen met aanhangers te demonstreren. ‘Toen dachten wij: dit is nieuw, hier is iets aan het veranderen’, vertelt Van Damme. ‘Het was echter nog niet geheel duidelijk wat ons te wachten zou staan.’ Destijds was de Franstalige burgemeester Phillipe Moureaux (van de Parti Socialiste) verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid. Volgens Van Damme ging er geen groot alarm af, laat staan dat er werd gedacht dat in Molenbeek de terreurtoekomst van Europa zou worden voorbereid. ‘Moureaux heeft sinds de aanslagen van november in Parijs veel voor zijn kiezen gehad. Hij zou zijn kop in het zand hebben gestoken en alles door de vingers hebben gezien. Dat vind ik niet geheel terecht. Er was juist veel contact met moskeeën en er gebeurde genoeg op het gebied van de dialoog. We hebben gefaald omdat radicalisering zich niet in de gebedshuizen afspeelde, maar bij de mensen thuis.’

Volgens Van Damme faalt het Belgische politieke systeem waar het om arme gemeenten als Molenbeek gaat: ‘We zijn geen kapitaalkrachtige gemeente. Een deel van onze financiering komt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat ook niet erg rijk is, en andere delen komen van de Franstalige en Vlaamse gemeenschappen. Op het gebied van veiligheid zijn we afhankelijk van de federale regering. Omdat de Vlaamse partijen, die daar altijd in de meerderheid zijn, nauwelijks kiezers in Molenbeek hebben wordt er al jaren te weinig geïnvesteerd in onze gemeente.’ Zo is er een chronische onderbezetting van wijkagenten, waardoor de signaalfunctie op het gebied van radicalisering te zwak is: ‘Momenteel hebben we een politiekorps van negenhonderd mensen, maar gezien ons gegroeide bevolkingsaantal hebben we eigenlijk 1150 politiemensen nodig. De federale overheid heeft dit laten lopen terwijl wij er al twintig jaar om vroegen.’

Na de aanslagen in Parijs werkte de federale minister Jan Jambon (n-va) van Binnenlandse Zaken aan een plan om het aantal agenten in gemeenten als Molenbeek uit te breiden. Geeft dit hoop voor de toekomst? Van Damme: ‘We hebben vijftig agenten gekregen die uit de federale reserve komen. Dat betekent dat ze hier blijven, maar dat ze in geval van nood ingezet kunnen worden op andere plekken in het land. Jambon heeft nog niet gerept over een uitbreiding tot 1150 agenten. En als die extra agenten hier alsnog zullen komen, moeten wij ze als gemeente zelf betalen. We zouden dan eerst basisvoorzieningen als crèches en scholen moeten sluiten. Dat kan niet. We willen daarom extra geld van de federale overheid voor meer agenten.’ Bovendien staat de gemeente sinds een half jaar onder financiële curatele, door een aanhoudend begrotingstekort.

Aan het einde van het gesprek benadrukt Van Damme, die bewust in Molenbeek politiek actief werd om de gemeente te veranderen, dat het Belgische bestuur geblunderd heeft: ‘Wij als beleidsmakers hebben gefaald. Elke politicus in dit land die bestuursverantwoordelijkheid heeft gedragen is medeverantwoordelijk. Ikzelf ook. Van die gevolgen slaap ik slecht.’ Maar hoe moet het dan beter worden? Van Damme heeft zijn eigen kijk op de zaak: ‘Molenbeek is de sociale roltrap van België omdat elke tien jaar de bevolking van de gemeente wordt vernieuwd. Mensen komen hier in armoede aan en op het moment dat ze het iets beter hebben, verhuizen ze naar buiten Molenbeek. De rest van het land profiteert zo van de sociale ladderfunctie die wij vervullen. Ik zou echter graag willen dat Molenbeek meeprofiteert van die sociale roltrap. Dat kan als mensen hier willen blijven wonen omdat het goed leven en toeven is. In de gemeenteraad proberen we erin te slagen om de gemeente aangenaam te maken om in te wonen, maar voorlopig is het nog niet zo ver. Daarnaast moeten alle andere overheden in dit land zich bewust worden van de sociale ladderfunctie die Molenbeek heeft. Ze moeten structureel meer investeren in onze gemeente, zodat wij ook beleid kunnen maken voor beter onderwijs, betere huisvesting en meer politie.’

Wanneer de status-quo blijft bestaan, zal het volgens Van Damme in Molenbeek alleen maar moeilijker worden. ‘De bevolking en de gemeente zullen verarmen omdat de kapitaalkrachtige mensen wegtrekken,’ aldus de politicus, die hoopt dat er politie komt die radicalisering kan signaleren en die de wijken kent. ‘Als we niet gaan investeren in meer politie, het creëren van toekomstkansen en het aanpakken van een islam die gesubsidieerd wordt door fanatici uit het Midden-Oosten, dan zullen er in de toekomst weer nieuwe terroristen opstaan. We moeten gaan bouwen aan een gematigde, Europese islam, en ik hoop dat onze federale overheid daarin zal investeren door in te zetten op Belgische imamopleidingen zodat er geen haatpredikers uit het Midden-Oosten meer komen die hier radicale praat gaan houden. We moeten een perspectief bieden voor moslimjongeren in Molenbeek zodat ze hier ook aan een toekomst kunnen bouwen.’ Er moet een masterplan komen dat niet alleen inzet op repressie, maar ook structurele problemen aanpakt, meent Van Damme, die optimistisch blijft: ‘Het feit dat Molenbeek in het afgelopen jaar zo in het nieuws is geweest, heeft een probleem blootgelegd dat er al lang is: een voortgaande desinteresse in dit deel van Brussel. Ik denk dat de overheden nu geen keuze meer hebben en zullen moeten investeren. Graag wil ik met ze meedenken over hoe de toekomst eruit kan zien.’

Terwijl we voor ons uit kijken rijdt er een jeep van het Belgische leger voorbij. Brussel moet in de nazomer van 2016 nog altijd door de krijgsmacht gecontroleerd worden. Desalniettemin blijft de gemeente een interessant gebied. Het zal altijd aan verandering onderhevig zijn, maar er is één gebouw dat niet verandert en dat is de toren van de Sint-Jan Baptistkerk. Die blijft ondanks alles overeind staan.


Beeld: Winkelstraat op de grens van de Brusselse wijken Molenbeek en Anderlecht (Peter Hilz/HH)


Beeld: Winkelstraat in Molenbeek. Sinds 1990 groeide het inwonertal van de gemeente van 70.000 naar ruim 96.000 (Anita Pantus/ANP)