200 jaar Kierkegaard

De Socrates van Kopenhagen

Volgens de christelijke denker Søren Kierkegaard (1813-1855) is alles moeilijk en de mens volstrekt onvolmaakt. Maar hij is ook de filosoof van de vrijheid en scherp cultuurcriticus. Aantrekkelijk en afstotelijk tegelijk, net als de angst die centraal staat in zijn werk.

Medium kierkegaard postzegel1955 okok

Søren Kierkegaard is in trek. Om de tweehonderd­ste geboortedag van de Deense denker te vieren staan op 5 mei wereldwijd conferenties op stapel: van Japan tot in Mexico, van Minnesota tot in Reykjavik. De universiteit in Kopenhagen organiseert het grootste Kierkegaard-symposium ooit, met in de marge gelegenheidstheater, literaire wandelingen en een tentoonstelling over zijn bekendste werk, Of/Of. Zijn naam duikt op in films van Woody Allen, bij de familie Clinton – de hond heet Søren – en op een speciale Kierkegaard-discussiepagina op LinkedIn, waar onder meer gediscussieerd wordt over de vraag of je op ­LinkedIn over Kierkegaard kunt discussiëren (niet echt).

De Deense denker is nooit helemaal uit beeld geweest, maar de hernieuwde (academische) interesse voor zijn werk is wel opvallend. De man die de menselijke toestand en ‘de existentie’ als zodanig tot zijn onderwerp maakte, was bijzonder streng en hij liet graag zien hoe ontoereikend de mens is. Als iets makkelijk leek, maakte Kierkegaard het moeilijk. Aan de andere kant schetst hij altijd perspectief, ondanks beperkingen. Je kunt zelfs zeggen dat zijn hele oeuvre een belofte ademt: mens zijn betekent dat je vrij kunt zijn. Hij zou dat zelf nooit zo opschrijven, want het is een open deur voor wie uitgaat van de ervaring. Maar wie een stap terug doet en de vrijheid gaat zoeken, in de filosofie of de natuur, die heeft een probleem. Kierkegaard zag dat haarscherp, maar trok niet de conclusie, zoals tegenwoordig vaak gebeurt, dat vrijheid kennelijk een illusie is. Hij slaagde erin de menselijke vrijheid een plek te geven te midden van over­dadige abstracties en reducties die eigen zijn aan natuurwetenschappelijke en filosofische systemen. Dat maakt hem bijzonder actueel.

Toch zit de eerste aantrekkingskracht van Kierkegaard meestal niet in zijn denken over vrijheid. Veel lezers leren hem kennen door zijn dagboeken of zijn brieven. Of ze vallen gewoon voor de figuur van Kierkegaard, die dwarse denker die zo heerlijk ongrijpbaar is. ‘Het valt in ieder geval op dat heel veel mensen iets in Kierkegaard vinden’, zegt Karl Verstrynge, docent aan de Vrije Universiteit Brussel en voorzitter van de Redactieraad Kierkegaard Werken die bij uitgeverij Damon een reeks nieuwe vertalingen van zijn werk uitgeeft. ‘Ik denk dat zijn scherpe cultuurkritiek hem aantrekkelijk maakt, samen met het feit dat hij het individu aanspreekt en dat hij een van de meest literaire oeuvres uit de geschiedenis van de filosofie bijeen schreef. Maar het heeft zeker ook met zijn persoon te maken. Er hangt een aura om hem, een beetje zoals bij Nietzsche en Schopenhauer. Hij heeft iets van een cultfiguur.’

Net als Nietzsche en Schopenhauer is Kierkegaard bepaald geen spring-in-’t-veld. ‘De diepte van mijn melancholie’, schrijft hij terugkijkend op zijn jeugd, ‘werd alleen geëvenaard door mijn vermogen hem te verbergen.’ Die jeugd speelt zich af tegen ‘een donkere achtergrond’, wat vooral te maken heeft met zijn vader, een vermogend wol- en kousenhandelaar die als kind eenmaal God heeft vervloekt en die zijn vrouw bezwangert buiten het huwelijk. Hij vreest de rest van zijn leven voor goddelijke vergelding en tot op zekere hoogte volgt die ook: vijf van zijn zeven kinderen sterven voordat ze 34 zijn. Lange tijd denken Søren Kierkegaard en zijn broer Peter die leeftijd niet te halen.

Hij omschrijft zichzelf als zwak, nauwelijks hoorbaar, ‘een letter die achterstevoren op de regel staat’. In zijn studententijd speelt hij een man van de wereld: hij zoekt aansluiting bij de jonge intellectuele elite van Kopenhagen en verschijnt vaak bij het theater, als ‘een man in moderne kleding, een bril op zijn neus en een sigaar in zijn mond’. Maar in zijn dagboeken bekommert hij zich om de leegheid van zijn bestaan. Teruggekomen van een feest waarvan hij ‘het hart en de ziel was’, wil hij zich het liefst voor de kop schieten. ‘Het baat me niet me nog verder in de wereld te storten’, schrijft hij later.

In 1835, als hij 22 is, verblijft hij twee maanden in Gilleleje, een plaatsje boven ­Kopenhagen. In biografieën is opgetekend hoe hij er de kamermeiden uit balans brengt door de manier waarop hij naar ze kijkt – hij houdt er een wat gestoorde relatie met vrouwen op na. Altijd boezemt hij meer vervreemding dan genegenheid in, wat hij compenseert met spitsvondigheden en ironie, zodat hij bekend komt te staan als ‘die gekke student’. Ondertussen schrijft hij op zijn kamer aan een dagboekfragment dat nu beschouwd wordt als het begin van zijn filosofie. Hoewel hij zich allerminst ontwikkelt tot een filosoof met een program, zijn de belangrijkste elementen uit zijn latere werk al aanwezig. Hij parkeert de natuurwetenschap en de abstracte filosofie en maakt een wending naar de mens, de existentie als zodanig. ‘Waar het mij waarlijk aan ontbreekt’, schrijft hij, ‘is met mezelf in het reine te komen over wat ik moet doen.’ Hij wil ‘een volkomen menselijk leven’ leiden, gebaseerd op iets wat ‘samenhangt met de diepste wortels van mijn bestaan’. Hij concludeert dat hij daarom eerst voor een taak gesteld is: erachter te komen wat dat bestaan inhoudt.

Het menselijk bestaan als vertrekpunt voor de filosofie dus, of preciezer: zichzelf. Zoals een arts het menselijk lichaam onderzoekt, zo onderzoekt Kierkegaard de menselijke toestand. Wat hij ontdekt, zet hij onder het pseudoniem Anti-Climacus op een rijtje in De ziekte tot de dood. De titel is de diagnose, vertwijfeling de ziekte.

Mens zijn, zo analyseert hij, is bestaan op een snijvlak tussen contingentie en vrijheid. Aan de ene kant is er onze geschiedenis, ons lichaam, eindigheid. Aan de andere kant is er de ­toekomst, de mogelijkheid, openheid. Vertwijfeling is de wanverhouding van de mens tot deze ‘verdeelde natuur’: het is de neiging om te ontkennen dat we op deze manier ongerijmd zijn, dat de kern van ons wezen een onophefbare tegenstelling is.

Met scherp oog voor de grillen van de menselijke psyche schetst Kierkegaard vervolgens hoe mensen onder hun vertwijfeling uit proberen te komen door zich uit te leveren aan een van de twee polen van hun bestaan. Wie opgaat in de pool van de mogelijkheid maakt zichzelf niet concreet en loopt daardoor het risico te ‘vervliegen’. Bijvoorbeeld de allemansvriend die met alle winden mee waait, of de verleider die zich nergens aan verbindt. Zo iemand klampt zich zo sterk vast aan de openheid van het bestaan dat hij gewichtloos wordt.

Wie zich juist nestelt in de pool van contingentie maakt zich onvrij en beperkt, een onbeduidend schakeltje in de grote gedetermineerde wereld. Hij laat zich bepalen door uiterlijkheden, werk of drukte. Volgens Kierkegaard is dit de meest voorkomende vorm van vertwijfeling, en het wezenskenmerk ervan is dat ze kan optreden zonder dat iemand het door heeft. ‘Het grootste gevaar, jezelf te verliezen, kan in de wereld zo geruisloos verlopen alsof het niets is. Geen verlies kan zo geruisloos verlopen; ieder ander verlies, van een arm, een been, geld, je vrouw enzovoort, wordt wel opgemerkt.’

Met de diagnose van De ziekte tot de dood in zijn hoofd reageert Kierkegaard ongekend fel op het ontstaan van een nieuw soort massamens in het vroeg-kapitalistische Denemarken. Om zich heen ziet hij ‘spitsburgers’ verschijnen met een berekenende houding, mensen wier sociale leven is ‘als een school haringen’. In gesprekken gedragen ze zich ‘als een zetter die zijn letters pakt’: ze weten wat er van ze wordt verwacht, maar ze hechten weinig betekenis aan wat ze zeggen, en origineel zijn ze zeker niet. ‘Net zoals je bij het ritselen van het papiergeld bij het afrekenen soms kunt verlangen naar het klinken van echte munten, zo kan men in onze tijd verlangen naar wat originaliteit.’

Kierkegaard kan zich niet echt verplaatsen in de ‘gelukkige naturen die een zo besliste neiging in een bepaalde richting hebben dat ze gestaag doorgaan op de eens zo bepaalde weg zonder dat ooit de gedachte in hen postvat dat ze misschien een andere weg hadden moeten inslaan’. Hij heeft moeite met de oppervlakkige noties van geluk, het gebrek aan religiositeit, moeite met alle mensen die zich ‘bedrogen door de vreugden of door het verdriet van het leven’ nooit bewust worden, mensen die niet beseffen dat ze ‘door vertwijfeling heen moeten gaan’. ‘Ik denk dat ik er een eeuwigheid om zou kunnen huilen dat deze ellende bestaat!’

Hoewel hij er in De ziekte tot de dood een zeker plezier in lijkt te hebben anderen op hun vertwijfeling te wijzen, deed hij het met de beste bedoelingen. Het is een poging om ruimte te maken voor reflectie, en daarna: loutering. Een vriend die hem zijn persoonlijke problemen voorlegde, herinnert zich hoe Søren hem hielp, niet door het verdriet toe te dekken of te relativeren – wat je vandaag van een vriend zou verwachten – maar door het zorgvuldig en in detail door te spreken, het verdriet volledig aan het licht te brengen. Beseffen dat je vertwijfeld bent is voor Kierkegaard een beginpunt, geen eindpunt, want wie inziet dat hij een verdeelde natuur heeft gaat verlangen naar eenheid. Mens zijn behelst een ‘onoplosbare tegenstrijdigheid’, en ‘een tegenstrijdigheid is altijd de uitdrukking van een opgave’.

Zo komt Kierkegaard tot zijn Leitmotiv: mens zijn betekent dat je voor een opdracht gesteld bent, dat je het erop moet wagen. Niet iets aan de weet komen, maar iets doen. Niet met de illusie dat je je vertwijfeling ooit volledig te boven komt, maar toch. Door deze wending naar het individu en de existentie als zodanig komt Kierkegaard te boek te staan als vader van het existentialisme, voorloper van Nietzsche, Heidegger, Sartre, Buber, De Beauvoir, Camus. Zelfwording wordt centrale thematiek, het leven als eindeloos streven.

Zijn eigen bestaan stelt hem voor de nodige problemen. Hij had een groot onvermogen om op te gaan in het moment, noemt zichzelf ergens ‘reflectie van begin tot einde’. In 1840, als hij 27 is, verlooft hij zich met Regine Olsen, ook een kind uit een welgestelde Kopenhaagse familie. Een dag later heeft hij spijt en na elf maanden verbreekt hij de relatie. Kierkegaard is niet erg helder over het waarom, maar in ieder geval geloofde hij dat hij niet geschikt was om ‘een meisje gelukkig te maken’, en misschien wist hij ook wel dat hij meer aan haar had als muze dan als vrouw: op afstand.

Kierkegaard kiest niet voor de vrouw maar voor het schrijverschap. Onmiddellijk na de breuk met Regine vertrekt hij naar Berlijn, waar hij op een gehuurde kamer werkt aan ‘een klein werkje’ van zeshonderd pagina’s, ­Of/Of. Later dat jaar verschijnt De herhaling, over een ­verliefde jongeman die in een ­existentiële crisis komt nadat hij zijn verloving heeft ­ver­broken om dichter te worden. Het was het begin van een stortvloed: in zijn twaalf schrijvende jaren ­publiceerde hij bijna veertig werken. Veel filosofische verhandelingen, veel religieuze ­teksten, daarnaast altijd brieven en dagboeken. Hij ­verdiende er weinig mee, maar kon zijn ­dandy-achtige levensstijl bekostigen met het vermogen dat zijn vader had nagelaten. Hij had een grote ­verzameling wandelstokken en liet zich graag in een dure huurkoets naar het bos Gribskov ­rijden, ten noordoosten van Kopen­hagen.

Onderweg ­hielden ‘verdriet, zorgen en weemoed’ hem gezelschap, schrijft hij in een van zijn brieven.

Zoals hij vertwijfeling van dichtbij kende, als startpunt van filosofie nam, en er au contraire de gangbare opvatting een algemeen menselijke toestand van maakte in plaats van een incident, precies zo ging het met angst. Onder het pseudoniem Vigilius Haufniensis – de nachtwaker van Kopenhagen – behandelt Kierkegaard in Het begrip angst alle mogelijke verschijningsvormen van wat hij ‘de duizeling van vrijheid’ noemt. Het is een bijzonder moeilijk boek, geschreven zonder veel rekening te houden met de lezer, vol verwijzingen naar de christelijke dogmatiek en de oude Grieken, en polemieken met nu niet meer bekende tijdgenoten.

In het werk onderscheidt hij angst van vrees, die altijd een object heeft. Angst daarentegen heeft betrekking op ‘het niets’, het is onbepaald. En de angst is in ieder mens, als ‘een onrust die in zijn binnenste woont, een onvrede, een disharmonie, een angst voor iets onbekends, of voor iets waar hij zelfs geen kennis mee durft te maken, een angst voor een mogelijkheid van het bestaan of een angst voor zichzelf’.

‘Angst kan men vergelijken met duizeligheid’, schrijft hij. Het is wat je overkomt als je neerziet in een diep ravijn. Sartre vult dat later aan door erop te wijzen dat niet alleen het feit beangstigend is dat je in het ravijn kunt vallen, maar ook dat je je erin kunt laten vallen. Angst is altijd méér dan angst, het is ook een verwijzing naar de mogelijkheid van vrijheid. ‘Angst is de eerste reflectie van het mogelijke, een flits en toch een verschrikkelijke betovering.’ En zoals een kind zowel wordt aangetrokken als afgeschrikt door een geheimzinnig griezelverhaal, zo wordt de mens aangetrokken en afgeschrikt door de mogelijkheid van vrijheid.

Door bestudering van het fenomeen angst komt Kierkegaard dus uit bij de mogelijkheid van vrijheid, wat een wonderlijke beweging is: in het dagelijks leven zien we angst eerder als iets wat overwonnen moet worden, of iets waar je overheen groeit. Volgens Kierkegaard kan een mens beter leren ‘goed angst te hebben’, want angst biedt perspectief op vrijheid. Dat betekent overigens niet dat alles ineens mogelijk is. ‘De vrijheid die we volgens Kierkegaard kunnen hebben is niet vrijheid om wat dan ook te doen’, zegt Pia Søltoft, directeur van het Søren Kierkegaard Research Centre in Kopenhagen. ‘Het is de vrijheid om je op zo’n manier tot noodzakelijkheid te verhouden dat je die je eigen maakt. Het is niet de vrijheid om jezelf elke dag opnieuw uit te vinden, maar de vrijheid om je op zo’n manier tot jezelf te verhouden dat je jezelf wordt.’

Dat is de grote belofte van vrijheid bij Kierkegaard: je kunt een authentiek individu worden. Vertwijfeling kun je nooit helemaal te boven komen, maar vrijheid biedt perspectief. Op het cruciale moment echter zijn de vrijheid én de zelfwording geen zaken die de mens op eigen kracht kan. Uiteindelijk komt in de filosofie van Kierkegaard altijd god in beeld, of beter: de idee god, of ‘alles is mogelijk’ of nog beter: het geloof daarin.

‘Bij Kierkegaard zie je heel duidelijk de idee dat uiteindelijk alles mogelijk blijft’, zegt ­Verstrynge. ‘Ondanks onze tekorten, ondanks een gebrekkig lichaam, ondanks de eindigheid blijft er een dimensie die alle beperkingen overstijgt. Het transcendent perspectief dat Kierkegaard schetst aan het einde van Het begrip angst en De ziekte tot de dood vervult die functie: God maakt het onmogelijke mogelijk. Waarbij ik onmiddellijk wil opmerken dat je God niet noodzakelijkerwijs als “entiteit” moet denken die ook nog ergens zou “bestaan”. Kierkegaard spreekt niet op die manier over God. Het gaat, om het in hedendaagse termen te zeggen, meer om het perspectief op een punt waar rust is en verzoening, ook al zul je dat bij leven misschien nooit bereiken. De gods-idee bij Kierkegaard is dus ook datgene wat het eindeloze menselijke streven in gang houdt.’

Zelfwording impliceert toewijding, bijvoorbeeld bij de keuzes die het individu maakt. Kierkegaard werkt dit uit in Of/Of. We leren twee personages kennen: A, een verleider die wil genieten maar zich nergens aan wil binden en dus nooit een beslissende keuze maakt, en B, een rechter die kiest voor het huwelijk en het burgerleven: hij valt samen met wat er van hem wordt verwacht. A kiest niet, omdat hij denkt dat het niet uitmaakt wat je kiest. Hij beschrijft zijn eigen fatalisme: ‘Trouw, je zult er spijt van krijgen; trouw niet, je zult er eveneens spijt van krijgen; of je trouwt of je trouwt niet, van allebei krijg je spijt. (…)’ B heeft zich gecommitteerd aan een burgerlijk bestaan, maar hij is zich er tenminste van bewust hoe belangrijk kiezen is. Wie de moed en de juiste instelling heeft, schrijft B, die ‘kiest zichzelf, niet in eindige zin, want dan zou dit “zelf” tot iets eindigs worden, maar in absolute zin’. In ‘absolute zin’ jezelf kiezen: dat is waar zelfwording en vrijheid samenkomen. Wie werkelijk een oorspronkelijk of authentiek zelf wil worden, moet ruimte laten voor dit ‘absolute’, voor een ‘gebeuren’ dat zich niet laat duiden of vangen, maar dat op een goed ogenblik het onmogelijke mogelijk maakt.

‘De vrijheid waar Kierkegaard het over heeft is per saldo iets wat je gebeurt’, zegt Victor Kal, die als universitair hoofddocent wijsbegeerte bij de Universiteit van Amsterdam al vele jaren college geeft over de Deense denker. ‘Het is dus niet iets wat in je opborrelt, want dan is het meer van hetzelfde en dan zou het nooit oorspronkelijkheid opleveren. Bij Kierkegaard is er een werkelijke toevoeging. Je raakt geïnspireerd of gemotiveerd, er treedt een wending op. Veel mensen zouden gewoon het woord creativiteit gebruiken. Dat heb je ook niet in de hand, dat moet gebeuren.’

De mogelijkheid van authenticiteit door vrijheid maakt Kierkegaard bijzonder actueel. Want het klinkt allemaal erg herkenbaar: vrij individu, maak wat van jezelf! Maar de opdracht die het individu van de Deen krijgt, is wezenlijk anders dan de aansporingen die we tegenwoordig in zelfhulpboeken of sportscholen treffen. Zelfwording bij Kierkegaard impliceert niet dat je jezelf moet bewerken, dat je maakbaar genoeg bent om iemand anders te worden, een betere of snellere versie van jezelf. Het is bij Kierkegaard nooit: heb je zaakjes op orde (want dat kan toch niet). Het is niet: word zoals de rest, en zeker niet: houd je adhd of zwaarmoedigheid op zo’n manier binnen de perken dat je de samenleving niet tot last bent! Het feit dat in Nederland meer dan tweehonderdduizend mensen medicijnen slikken tegen adhd zou hij waarschijnlijk hebben betreurd, omdat het een standaard­oplossing is die voorbij gaat aan het individu.

Wat het dan wel betekent om een authentiek mens te worden is niet in algemene termen te vangen. Het individu moet vooral bij zichzelf te rade gaan en dat impliceert toewijding. ‘Net zoals een feest niet bij zonsopgang begint, maar met zonsondergang, zo moet er ook in de geestelijke wereld eerst een poosje doorgewerkt worden voordat de zon echt voor ons kan schijnen en in al zijn heerlijkheid opgaan.’ Tegenwoordig denken we al snel dat we onszelf verwezenlijken, zei de Belgische socioloog Mark Elchardus onlangs in De Groene Amsterdammer. Maar in werkelijkheid is er volgens hem ‘meer gestandaardiseerd gedrag dan ooit tevoren’ omdat ‘de commercie meer en meer richtinggevend is voor de keuzes van het individu’. De vrijheid die het individu heeft wordt daarmee illusoir, aldus Elchardus. Kierkegaard zou instemmend hebben geknikt; hij hekelde al de opkomst van ‘pseudo-individuen’ in de vroeg-kapitalische samenleving van zijn tijd. De burgerman, waarschuwt hij, vindt het ‘te gewaagd om zichzelf te zijn, vindt het veel gemakkelijker en veiliger om te zijn zoals de anderen, een na-aper te worden, een nummer, mee opgenomen in de menigte.’

Het individu met zijn individuele waarheid moest centraal komen te staan. Kierkegaard kreeg het aan de stok met iedereen die aan dit existentiële motief voorbij ging, en met enkele groepen in het bijzonder: overijverige natuurwetenschappers, speculatieve filosofen en bisschoppen.

Hij bewondert de natuurwetenschap, hij schrijft dat de beoefenaars ervan ‘een hoogst weldadige indruk’ op hem hebben gemaakt, maar hij maakt een groot voorbehoud: denk niet dat ze je ooit iets leren over existentie! De planten en de dieren en de sterren waren wat hem betreft het domein van de natuurwetenschappers, niet de menselijke geest. ‘Wat leert ervaring mij?’ vraagt hij in een dagboekfragment uit 1842. ‘Niets, of slechts een numerieke wijsheid. Zo gauw ik uit mijn ervaringen een wet afleid, leg ik er iets meer in dan erin zit. De kale som van alle ervaring zou een tabellarische uitkomst zijn.’ Te denken dat je op basis van empirische gegevens ooit iets wezenlijks kunt zeggen over de menselijke existentie is volgens Kierkegaard een ordinaire categoriefout. Een hoop informatie over immanentie loopt niet ineens over in begrip van existentie. Van de pretentie dat je door langdurig onderzoek de hele natuur – inclusief de mens – zou kunnen vangen in een of ander wetenschappelijk systeem kreeg de Deen ongelooflijk kriebel.

Hij gebruikte vaak het beeld van een steeds betere en grotere microscoop, die dan werd toegepast op zaken waar die helemaal geen inzicht kon leveren. ‘Als een man zegt, even simpel als diepzinnig, “ik kan met mijn naakte oog niet zien hoe het bewustzijn ontstaat”, dan is dat volkomen op zijn plaats. Maar als dezelfde man een microscoop voor zijn oog houdt en kijkt en kijkt en kijkt – en het nog steeds niet kan zien, dan is dat komisch. Wat het pas echt ridicuul maakt is het feit dat het serieus bedoeld is.’ Kierkegaard waarschuwde in dit kader voor een ‘nieuw cultureel bewustzijn’ waarin iedereen altijd alles zou uitleggen als een zaak van natuurlijke noodzakelijkheid. Want wie zich probeert te verschuilen achter zijn brein of zijn genen als verklaring voor ‘hoe hij is’, die gaat voorbij aan het feit dat hij eerst en vooral iemand moet worden.

Reduceer de mens tot een schakeltje in een eindeloze keten van oorzaak en gevolg en weg is de vrijheid, en wat Søren Kierkegaard betreft: de mens. Precies dat was ook zijn probleem met Hegel, die het met zijn Fenomenologie van de geest had gewaagd om niet alleen het hele universum en het individu in zijn filosofische systeem te vangen, maar ook God. De totale ontluistering en volstrekt onmogelijk, oordeelde de Deen. De kern van het geloof was nu juist dat het niet in redelijke categorieën te vangen is: een poging rede en geloof te verzoenen zou onvermijdelijk ten koste gaan van het geloof. Onder invloed van Hegels denken zouden mensen ‘zichzelf verliezen in het geheel, in het wereldhistorische’. De twisten die Kierkegaard had met de andere Duitse idealisten volgen ongeveer dezelfde structuur: ze verzwakten het christendom, hadden zich teruggetrokken in abstracties, ‘een streep gehaald door de hartstocht’ – ze ­gingen voorbij aan de kern van het bestaan.

Hoe ouder hij wordt, hoe meer hij zich een enkeling voelt. Door gedonder met De Corsaar – een satirisch blad dat hem een paar jaar belachelijk maakt – raakt hij geïsoleerd. Hij voelt zich ‘eigenlijk nooit als mens behandeld maar altijd als een soort interessant ding’. In zijn dagboek: ‘Door God te zijn uitgekozen om twee, misschien wel drie eeuwen op je tijd vooruit te zijn, is ongeveer hetzelfde als wanneer je wegens krankzinnigheid door eenzame opsluiting van ieder menselijk contact bent afgesneden.’

Tegen het einde van zijn leven gaat hij zich meer en meer als een martelaar gedragen. Hij raakt ervan overtuigd dat de ‘literaire, sociale en politieke omstandigheden’ van zijn tijd de diensten van een ‘extraordinarius’ nodig hebben. Hij afficheert zich louter nog als ‘dichter van het religieuze’ die tenminste bereid is hardop te spreken in naam van de waarheid. Hij publiceert steeds fellere pamfletten tegen de Deense staatskerk, die de mensen in slaap sust in plaats van wakker schudt. De man die vreesde ooit nog eens ‘vertrapt te worden door ganzen’ sterft in 1855 verbitterd in een ziekenhuis, nadat hij op straat in elkaar is gezakt. Zijn broer Peter, een bisschop die Kierkegaard niet duldde aan zijn sterfbed, excuseerde zich op de begrafenis voor de ‘verwarde meningen’ die Søren tegen het einde van zijn leven had opgetekend.

Het feit dat Kierkegaard zich zo nadrukkelijk met het christendom bezighield, is een van de redenen dat hij niet altijd verschijnt in rijtjes ronkende namen uit de geschiedenis van de filosofie. Heidegger bijvoorbeeld wilde als filosoof serieus genomen worden en verwees dus niet al te vaak naar Kierkegaard, hoewel hij volgens kenners wel erg veel mosterd bij hem haalde.

Maar Kierkegaard is ook gewoon ongrijpbaar. Hij trekt in zijn filosofische teksten meestal geen conclusies, en door een continu spel met pseudoniemen maakt hij het onmogelijk te zeggen wat ‘zijn’ standpunt is. Hij wilde ook geen mededelingen doen, maar de lezer zelf tot reflectie aansporen. Hierin volgde hij zijn grote voorbeeld Socrates, die zijn gesprekspartners vooral duidelijk maakte wat ze niet wisten. Ook in zijn gebruik van ironie deed de Deen niet onder voor de Griek. Zijn beste ideeën kwamen tot hem in wandelingen. Hij knoopte praatjes aan met jan en alleman in de straten van Kopenhagen, en als hij samen met iemand wandelde, nam hij zijn metgezel gemoedelijk bij de arm, zodat het een intieme sessie werd. Het helpt het beeld te nuanceren, constateert Joakim Garff in zijn monumentale Kierkegaard-biografie, dat de denker panisch werd van fysiek contact. Overigens hadden sommige van de mensen met wie hij wandelde het idee dat hij ze louter bij de arm nam om ‘psychologisch met ze te kunnen experimenteren’. Hij moest het materiaal voor al die analyses toch ergens vandaan halen…

Kierkegaard heeft niets in handen als een scepticus hem zou vragen: bewijs maar eens dat de kern van de existentie niet te vatten is, dat we onszelf op enig ogenblik in vrijheid kunnen kiezen, dat er iets is wat zich aan de immanentie onttrekt. Dat was precies de reden dat de Deen zo’n ­idiote hoeveelheid boeken schreef. Het enige wat hij kon doen, was ieder individu aanmoedigen bij zichzelf te rade te gaan. Hij kon zijn onderwerp alleen indirect benaderen. ‘De religieuze denker is als een koorddanser, schreef Wittgenstein ergens, waarschijnlijk denkend aan Kierkegaard, die hij zeer bewonderde. ‘Het lijkt erop of hij op niets anders loopt dan lucht. Datgene waarop hij steunt is het geringste dat je maar kunt bedenken. En toch is het werkelijk mogelijk erop te lopen.’ ‘Er zit in de filosofie van Kierkegaard iets wat je niet helemaal kunt verantwoorden’, zegt ­Victor Kal. ‘De vrijheid die hij beschrijft leunt op een goed moment op vervoering of betovering. Dat is nog steeds filosofie, maar wel filosofie met iets wonderlijks erin. Dat zie je al bij Plato, Heidegger werkt ermee alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, en zelfs Kant ontkomt er niet aan als het om vrijheid gaat. Dat is precies ook het punt: je moet het erop wagen, je kunt de zaak niet van tevoren helemaal uitdenken.’

Het blijft met andere woorden een beetje absurd, het hele verhaal. Kierkegaard heeft daar goed gevoel voor. Eenmaal was hij bijna ‘absoluut zalig’, schrijft hij, vlak bij ‘dat zwijmelend toppunt dat op geen thermometer voorkomt. Heel mijn wezen was doorzichtigheid, microkosmische zaligheid. Net toen ik het allerhoogste vermoedde, begon er plotseling een wimperhaartje in mijn ene oog te kriebelen en op hetzelfde moment stortte ik neer als in een afgrond van vertwijfeling. Sindsdien heb ik alle hoop maar opgegeven om ooit nog tot absolute tevredenheid te geraken.’


Met dank aan Pieter Vos

Meer lezen

Of/Of (1843 – Boom, 2000) is Kierkegaards manier om te laten zien dat leven betekent: keuzes maken. A en B, de twee auteurs wier ‘papieren’ we krijgen voorgeschoteld, personifiëren de esthetische en de ethische levenswijze. Vooral genieten zijn de schijnbaar incoherente ‘papieren van A’, een verzameling aforismen, essays en toespraken, en zelfs het complete Dagboek van een verleider.

Vrees en beven (1843 – Damon, 2006) gaat over de verhouding tussen ethiek en religie. In het werk volgt Kierkegaards pseudoniem Johannes de silentio de tocht van Abraham naar de berg Moria, waar hij Gods gebod zal uitvoeren door zijn zoon Isaak te offeren. De silentio probeert de absurde expeditie te begrijpen en slaagt daar niet in.

Het begrip angst (1844 – Damon, 2009) is het minst toegankelijke boek in dit rijtje, maar wel een van de belangrijkste uit zijn oeuvre. Kierkegaards analyse van angst – hij was de eerste die het fenomeen als uitgangspunt nam – had grote invloed op de ontwikkeling van de psychologie.

Een literaire recensie (1846 – Damon, 2009) laat mooi zien hoe ver Kierkegaard zijn tijd vooruit was. Wat begint als een recensie van een roman eindigt in een vernietigende analyse van ‘onze tijd’, waarin Kierkegaaard ten strijde trekt tegen geestloosheid, nivellering, en de pers. Met analyses van het verschil tussen kletsen en spreken, flirten en liefhebben, vorm en inhoud.

De ziekte tot de dood (1849 – Damon, 2010), gepubliceerd onder het pseudoniem Anti-Climacus, is voor Kierkegaards doen een bijzonder opgeruimde filosofische uiteenzetting over vertwijfeling. De precieze beschrijving van de manier waarop mensen hun vertwijfeling proberen te verbergen is opbouwend bedoeld.

Op Kierkegaards geboortedag verschijnt bij Damon een nieuwe vertaling van de Wijsgerige kruimels (1844). Ter gelegenheid van zijn verjaardag verscheen bij Damon ook Een idee om voor te leven en te sterven, met het Gilleleje-fragment en negen inleidende essays op zijn werk. Naast genoemde werken en zijn vele opbouwende toespraken zijn ook Kierkegaards dagboeken (De Arbeiderspers, 1991) en zijn brieven (Bornmeer, 2009) zeer aan te raden.