De solipsist van de lüneburgerheide

Arno Schmidt, Uit het leven van een faun. Vertaling en nawoord Jan H. Mysjkin, uitgeverij Perdu, 142 blz., 332,50
‘IK NOTEERDE alles: het zachte lamplicht, de bont gekleurde dranken, het felle rood en goud van de Salemsigaretten; het dampige licht op de perrons; fel verlichte raampjes als parelsnoeren in de nacht. Maar het tocht als de pest; weg hier.’

Het is 14 februari 1945, 20.00 uur, de geallieerde bombardementen op Dresden zijn al in volle gang. Waarom de per trein in Duitsland voortvluchtige dagboekanier in Arno Schmidts vroege verhaal ‘Leviathan of De beste van alle werelden’ (1946) zijn impressies, gedachten en meningen zonodig moet vastleggen, is niet duidelijk. Maar zo'n vraag naar de zin van de tekst, naar het waarom en waar van de ik-verteller, is in het geval van het Duitse fenomeen Schmidt (1914-1979) een probleem.
Zelf heeft hij op zijn bekende, barse manier afgerekend met zulke stupide vragen. Handeling? Diepere zin? Kunstwerk? Wie daarnaar zoekt, moet doodgeschoten worden. Schmidts schrijfwoede, die je letterlijk moet nemen, richt zich niet op de psychologie - in zijn essay 'Berekeningen’ heeft hij het op zijn bekende denigrerende toon over 'psychologisch pointillisme’ en 'andere varianten van intimistische haakwerkjes’ - maar op het microscopische; niet op het drama maar op situaties, scènes, stemmingen, gedachtenspinsels. De werkelijkheid is geen samenhangend, spannend verhaal, dus waarom zou een literair werk dat wel moeten zijn? Arno Schmidt noemde zich een echte realist, die als enig houvast de tijd en de geschiedenis had, of beter gezegd: de archiefkast van filosofie, letterkunde en technologie.
IN EEN ANDER vroeg verhaal, 'Enthymesis’, wordt de tijd door een meetkundige beeldend omschreven: 'De tijd is op zijn minst een vlak, geen lijn; tijdens de dag is de geest als een schipper op de rivier, en zijn schuitje dobbert; in zijn droom, ’s nachts, kan hij uitstappen en even over het vlak van de tijdstroom rondzweven - het beeld is niet slecht (toekomstvisie, vrije wil, enz.); nou - veel werk voor de boeg.’
'Ik noteer alles.’ 'Veel werk voor de boeg.’ De lezer die in Schmidt wil doordringen, moet eraan geloven. Net als het leven stelt de echt moderne literatuur hoge eisen, is ingewikkeld en moeilijk te begrijpen, zegt de realist Schmidt. En gelijk heeft hij natuurlijk, deze solipsist van de Lüneburgerheide, deze nihilist en fanatieke atheïst, deze zelfingenomen liefhebber van wiskunde en statistieken, deze slordige Poe-vertaler en Joyce-adept, deze arrogante hater van Ernest Hemingway, Gertrude Stein, Samuel Beckett en Goethes proza, waarin alle overgangen, meent Schmidt, dichtgeplamuurd zijn om - o, blasfemie! - alles te kunnen laten vloeien.
Kunstblindheid is de regel, dixit Schmidt. Daarom zit er niets anders op, aldus verteller/archivaris Heinrich Düring in Uit het leven van een faun (1953), dan met de vuist te schrijven om vonken uit te lokken. Verwacht dus geen epische stroom in Dürings jachtige dagboeknotities tussen 1939 en 1944, maar flitsende snapshots van waarnemingen, gedachten, meningen, herinneringen, erotische fantasieën. Leven en literatuur kun je niet opvatten als een continue stroom, staat er al op de eerste bladzijde van Uit het leven van een faun, de eerste Nederlandse Schmidt-vertaling in boekvorm: ’… mijn ik die naar het station gaat (is) een andere dan degene die op kantoor zit; in boeken snuffelt; stijf door bosjes loopt; paart; kletst; schrijft; duizenddenker…’
Hoe noem je dat? Ikjes sprokkelen, doet Heinrich Düring, liefhebber van kindvrouwtje/ buurmeisje Käthe Evers het wolvinnetje, innerlijk geëmigreerde faun met kille horentjes, in de geest nazi-hater, maar in de praktijk meeloper en plooibaar ambtenaar.
Uit het leven van een faun is het eerste deel van de trilogie Nobodaddy’s Kinder (1963; hoor de taal van Joyce!), waarvan de andere delen, Brand’s Haide en Schwarze Spiegel, spelen in de naoorlogse tijd en de apocalyptische toekomst. In dit vroege werk zit nog een intrigerende dubbelheid, die het latere, volumineuzere, werk ontbeert. 'Maar wat wanneer de taal in je mond brandt!’ roept Heinrich Düring in Uit het leven van een faun uit, terwijl hij op zoek is naar een schuilplaats op de heide waar hij met zijn buurmeisje zijn gang kan gaan. Totdat de oorlog zich ook daar, boven die vrijplaats waar Düring dacht te kunnen ontkomen aan de gekte van de geschiedenis, laat gelden en het struikgewas in de moerassen van de Lüneburgerheide niet meer veilig is. De wereld vol waanzin, moord en doodslag speelt nog zijn rol, de innerlijke emigratie van Düring (en Schmidt) is nog niet totaal.
ARNO SCHMIDT wilde in zijn boeken geen samenhangen tonen, geen orde, geen schoonheid, geen norm, niets. Alleen de mens kan zin geven, maar diezelfde mens heeft verzaakt, verzucht archivaris Düring in Uit het leven van een faun.
Maar wat moet ik, die zo graag verrassende netwerken van betrekkingen ontdek als ik lees, met de bewust hortende en stotende, woordspelige prozabrokstukken van Arno Schmidt, vooral de latere Schmidt, die de concurrentie met James Joyce wilde aangaan? Is het formele uitrekken van de mogelijkheden van de taal, de beproeving van de syntaxis en het in bondige alinea’s en stemmenspelen verpakte fragmentarisme een voorbijgaande fase in de literatuur of een eindstation? Worden mijn inspanningen wel beloond als ik mij langdurig in Schmidts megalomane en monomane literaire wereld opsluit?
Bovendien mis ik zoiets als 'radicale twijfel’ (Oswald Wiener) in Schmidts schrijfexercities. De herinnering, bijvoorbeeld, is niet iets dat zomaar, 'werkelijkheidsgetrouw’ zoals Schmidt het in zijn theoretische essay 'Betrekkingen’ formuleert, in taal kan worden opgeroepen en weergegeven. Er bestaat ook nog zoiets als verdringing, vertekening, verbeelding. Maar dat bedoelt Schmidt niet als hij het geheugen 'een meelijwekkende zeef’ noemt en zegt in zijn proza de poreuze structuur van 'een doorzeefd bestaan’ vorm te willen geven in flarden, flitsen en brokken. Schmidt doet net alsof in het tijdperk van de fysica ook de herinnering geregisseerd kan worden, berekend, net als dromen en langere gedachtenspinsels, kortom het hele bewustzijn. Hij heeft het in 'Betrekkingen’ zelfs over 'een getrouwe weergave van onze wereld door het woord’. Wat een optimistisch geloof in de taal van een raspessimist, die in Uit het leven van een faun zijn creatie Heinrich Düring nog laat vragen wat te doen wanneer de taal de mond verbrandt!
De mythe rond Arno Schmidt werd het nadrukkelijkst gevoed door de verschijning van zijn omvangrijke werk Zettels Traum (1970), een monsterboek van 1334 bladzijden op reuzenformaat (5000 gewone boekpagina’s). Het boek beschrijft de 24 uur van een zomerdag in juli 1968 op de heide. Een echtpaar uit Lünen bezoekt met hun zestienjarige dochter Franziska de 55-jarige schrijver Daniel Pagenstecher, om met hem over hun Edgar Allan Poe-vertaling te praten. Ze kletsen wat, ze praten en discussiëren, ze wandelen over de heide, door het dorp, aanschouwen de natuur. Maar de hoofdontwikkeling van het eindeloos woordspelige Zettels Traum is - los van het voyeurisme, de prostitutie en het Lolita-motief - de niet echt opzienbarende, naar psychoanalyse neigende verhandelingen over Poe van Dän Pagenstecher, alias DP, displaced person.
MISSCHIEN kwam het doordat ik, twintig jaar geleden, helemaal in James Joyce zat, dat Zettels Traum geen literaire openbaring voor mij was. Ik had een déjà-lu-gevoel. Was Zettels Traum in zijn, vooral op de erotiek gerichte woordspeligheid niet een imitatie van Finnegan’s Wake, het boek waarin Joyce zijn gevoel voor ideolecten en dialecten uitleeft, en waarin hij dankzij zijn virtuoze woordvervormingen en samentrekkingen weet uit te stijgen boven zoiets als een nationale taal? En was Zettels Traum niet ook op verteltechnisch niveau een imitatie van Ulysses, aangevuld met de expressionistische taal van August Stramm en de psychoanalytische schema’s van Freud? Sterker nog, leek het voyeurisme van Leopold Bloom - de door Dublin zwervende advertentiecolporteur die op het strand van Sandycove het manke meisje Gerty McDowell beloert - niet op de kindvrouwtjes-fixatie in Zettels Traum, en ander werk, van Schmidt, wat weer te maken heeft met het voyeurisme en het meisjesmotief (Virginia!) in Edgar Allan Poe’s oeuvre?
In 1979 schreef Oswald Wiener een kritische studie op en een pastiche (een stemmenspel) van Schmidts hoofdwerk, onder de ironische titel Wir möchten auch vom Arno-Schmidt-Jahr profitieren (ironie, een vorm van relativering, is niet het sterkste stijlkenmerk van Schmidt, evenmin als 'radicale twijfel’).
Ik herkende mij in Wieners serieuze kritiek, niet alleen door zijn opmerkingen dat hij tot zijn verbazing niets in Zettels Traum had gevonden over de invloed van Poe op de moderne literatuur, maar ook dat hij zich overvoerd voelde door de sterk seksuele uitleg van Poe’s oeuvre. Maar Wieners meest fundamentele kritiek zit ’m in een zin die hij en passant, tussen haakjes, formuleert: 'Alsof de “werkelijkheid” geen functie van het bewustzijn is maar al van de taal.’
Is Schmidt werkelijk de vleesgeworden nauwkeurigheid van het ogenblik, of schrijft hij, zonder dwingende vormkracht, op wat hem invalt? Oswald Wiener formuleert zijn bezwaren tegen Schmidt scherp en helder: 'Maar wat hij ziet, ziet hij zonder het zien te zien; wat hij denkt denkt hij zonder over gedachten na te denken; dromen zijn voor hem gewoon zonder problemen dromen, die volgens het droomboek worden geanalyseerd.’
De taal woekert maar door, er is geen reflectie, geen pas op de plaats. Als Schmidt echt werk van de uitdijende details zou hebben gemaakt, verzucht Wiener teleurgesteld, dan zou hij de grens hebben genaderd die Joyce van de huidige literatuur scheidt: 'Door de concentratie op de voorwaarden van de zin gaat die zin verloren. De moderne literatuur ontstaat uit de mislukte poging het detail te bevatten.’
ARNO SCHMIDT wendt zich in zijn latere werk helemaal van de wereld af en sluit zich op in zijn literaire domein. Weg is dan de spannende dubbelheid, de produktieve schizofrenie, het weifelen en twijfelen, het halve ontkomen aan Leviathan: het monster, de natuur, de mens. Schmidts wereld wordt steeds meer de boekenwereld, de literatuur een plek om naartoe te vluchten omdat de wereld toch op een Apocalyps uitloopt.
In Uit het leven van een faun leidt archivaris Düring een dubbelleven. Voor de helft staat hij als brave burger in de harde werkelijkheid van 1939 en 1944, maar voor de andere, en belangrijker, helft bestaat hij in de geest, is hij een zeer expressieve faun die haattirades tegen de tijdgeest houdt, maar slechts half ontkomt aan een razzia op de 'nieuwe faun’.
In Zettels Traum is die opdringerige buitenwereld helaas verdwenen, en bestaat alles en iedereen uit papier. De schrijver bevindt zich comfortabel op eigen terrein op de Lüneburgerheide, totaal afgesloten, en zit met zijn rug naar de lezer en de wereld. Helemaal ontkomen, maar totaal onschadelijk.
Per jaar sterven er honderd hartpatiënten terwijl ze op de lijst staan om te worden geholpen. Ook in ziekenhuizen spreekt men daar schande van. Waarom mogen patiënten niet in het buitenland worden geholpen? Het ministerie blijft een antwoord schuldig.