De som der kapotte delen

Hoop gloort in de boeken van Dave Eggers. Ook voor zijn personage Alan Clay die in Amerika overbodig is geworden en nu zichzelf ontdekt in de woestijn.

Dave Eggers, Een hologram voor de koning. Uit het Amerikaans vertaald door Gerda Baardman, Lidwien Biekmann en Jan de Nijs, Lebowski, 304 blz., € 19,90

Medium the park crop

In de loop van A Hologram for the King belt de langzaam naar zijn faillissement afzakkende ondernemer Alan Clay vanuit zijn hotelkamer in Saoedi-Arabië zijn vader in Amerika op. Alan is in Jedda om een IT-systeem te verkopen aan de nog te voltooien King Abdullah Economic City, een zakenstad die koning Abdullah midden in de woestijn uit de grond wil stampen, maar die er vooralsnog verlaten bij ligt. Een raster wegen die nergens naartoe leiden. Het hoogtepunt van de presentatie van Alans team moet het holografisch vergadersysteem zijn, waarbij een werk­nemer in Londen driedimensionaal in de kaec wordt ingestraald.

Waarom Alan zijn vader belt weet hij niet zo goed. Zijn band met hem is moeilijk, zoals zijn band met zijn ex-vrouw dat is en zoals zijn band met zijn studerende dochter dat lijkt te gaan worden, nu hij haar collegegeld niet meer kan betalen.

Weet je wat ik net op tv zag? vraagt zijn vader hem als hij opneemt. ‘Een programma over een enorme nieuwe brug in Oakland, in Californië, maar die wordt in China gemaakt. Stel je voor. Nu worden zelfs onze brúggen daar al gemaakt, verdomme.’ En zo gaat hij nog even verder: ‘Alan, elke dag vertrekken overal in Azië schepen uit de haven met alle consumptiegoederen die je maar kunt voorstellen. Over driedimensionaal gesproken. Ik heb het over echte díngen. Daarginds maken ze echte díngen, en wij maken websites en hologrammen, dag in dag uit, op een stoel die in China gemaakt is, op een computer die in China gemaakt is, en ze rijden over bruggen die in China gemaakt zijn. Vind je dat nou duurzaam klinken?’

Dit is Dave Eggers, de Amerikaanse auteur die voor elke letterkundige die voor meer engagement in literatuur pleit een droomverschijning moet zijn. Zijn vorige boeken gingen over de schending van burgerrechten in de nasleep van Hurricane Katrina (Zeitoun), over de lijdensweg van vluchtelingen uit Zuid-Soedan (What is the What), hij stichtte verschillende nonprofit­organisaties voor kansarme kinderen en onderbetaalde leraren, schonk royalty’s aan goede doelen. Zijn bewonderaars noemden het The New Sincerity, een nieuwe idealistische bevlogenheid in de kunst; de meer kritische lezers merkten op dat Eggers last had van het ‘holier than thou’-­_syndroom, een opzichtige politieke correctheid die zijn literatuur een fraaie beladenheid geeft, maar uiteindelijk weinig tanden heeft. Bijvoorbeeld het afgelopen voorjaar, toen Eggers voor _Zeitoun de Albatros Prijs van de Günter Grass Foundation kreeg: hij accepteerde de prijs maar bedankte voor de uitreiking, omdat hij dan waarschijnlijk gedwongen zou worden te reageren op Grass’ negatieve uitlatingen over Israël, een onderwerp waar hij ‘niet bereid was uitspraken over te doen’. Voor iedereen zou dat begrijpelijk zijn – voor iedereen, behalve Dave Eggers; als je over zo’n moreel complex onderwerp als Israël en Iran liever zwijgt, dat lijkt je luidkeelse commentaar op zulke zwart-witonderwerpen als de burgeroorlog in Soedan en de doorgeschoten war on terror onder Bush opvallend makkelijk.

En nu dan heeft hij dé roman willen schrijven over de ondergang van de Amerikaanse economie: over hoe de Amerikaanse werknemer overbodig is geworden. Alan Clay is zo’n overbodige man (mooi is het motto van Samuel Beckett: ‘It is not every day that we are needed’). Ooit floreerde hij in de fietsenindustrie toen hij op het idee kwam de productie naar China te outsourcen; iets wat hem en zijn bedrijf in eerste instantie gouden bergen opleverde, tot de producent in China zelf de fietsen ging verkopen en Alans bedrijf buiten spel werd gezet. Nu heeft hij een tot over de oren in de schulden gestoken eenmansadviesbureautje, wat erop neerkomt dat hij vooral op de bank hangt en oude honkbalwedstrijden kijkt. Zijn huis staat al maanden te koop maar niemand wil het hebben.

‘Hij had geen geld omdat hij in zijn leven een reeks domme beslissingen had genomen. Hij had niet goed gepland. Hij had geen moed gehad toen dat nodig was.

Hij had kortzichtige beslissingen genomen.

Zijn collega’s hadden kortzichtige beslissingen genomen.

Al die beslissingen waren dom en overhaast geweest.’

Alles wordt omsingeld door mislukte financiële plannetjes, overal slaat de bureaucratie toe. Als zijn buurman zelfmoord pleegt door het meer in te lopen, zegt de brandweer dat ze als gevolg van bezuinigingen niet de training hebben om in te grijpen in dit soort situaties, en dat als ze het wel zouden doen, hun aansprakelijkheid te groot zou zijn. Wanneer hij een muurtje bouwt om zijn tuin en tevreden is met het resultaat – niet zozeer met het muurtje zelf als wel vanwege het idee dat hij iets met zijn blote handen heeft gebouwd – moet hij het van de gemeente laten slopen. ‘They trampled his vegetables, everything ground into the soil. The plants were dead.’ Zelfs seks mislukt als vanzelfsprekend wanneer hij in Jedda op de hotelkamer van een Deense belandt, opnieuw vergezeld van een pathetische lyriek: ‘Er zou een tijd komen waarin de wereld mensen voortbracht die sterker waren dan zij. Als al dit soort zaken waren opgelost. Maar tot die tijd zouden er vrouwen en mannen zijn zoals Hanne en Alan, onvolmaakt en zonder de weg naar de volmaaktheid te kennen.’

Het is heel dik hout en het zijn heel dikke planken die Eggers zaagt. Of om in de bouwvakmetafoor te blijven: Eggers timmert zijn boodschap wel heel opzichtig aan de wand. In korte, kale zinnen die vaak nog met witregels voor en na gepaard gaan, om ze nog meer gewicht te geven, een profetische waarde, alsof ze in steen staan gebeiteld. In alles lijkt een symbool te schuilen – de zandkastelen van de kaec, de nepmens van het hologram, de doodgevroren buurman in het meer – waardoor de roman bij vlagen een (te) sterk schematisch karakter krijgt. Bijvoorbeeld aan het einde. Aangezien het wachten op de koning een Wachten op Godot-achtige strekking heeft weet je van meet af aan dat dit boek zal eindigen met a) de koning die niet komt opdagen, of b) de koning die wel komt opdagen maar de presentatie mislukt, het hologram slaat niet aan. Zelfs zonder te verklappen welke van de twee opties het is, kun je stellen dat Alan eindigt als de buurman die zichzelf heeft vastgelopen in het meer, vol in het zicht maar zonder uitweg. De cirkel is even rond als voorspelbaar.

Maar er is meer aan de hand met A Hologram for the King (in het Nederlands verschenen bij Lebowski als Een hologram voor de koning; ‘Vertaald uit het Amerikaans’ staat er als je het boek openslaat, waardoor je je toch even afvraagt of Amerikaans eigenlijk wel een taal is, of ze in de Verenigde Staten niet gewoon Engels spreken). Verschillende Nederlandse recensenten legden al de link met Arnon Grunberg, vanwege de kale stijl en omdat zijn laatste roman zich ook al in het Midden-Oosten afspeelde (Dubai en Bagdad) waar de kloof tussen Oost en West onoverbrugbaar lijkt. Wat mij betreft is de link nog sterker omdat Grunberg nooit loskomt van zijn schematische opzet, en zijn personages niet zozeer psychologisch interessante wezens zijn maar stand-ins voor een concept, een idee, een mensopvatting. ‘Grunberg heeft de psychologie niet nodig voor grote literatuur’, schreven recensenten.

Het lekkere is dat het wel degelijk allebei kan. Eggers bewijst het. Waar je de eerste veertig, vijftig bladzijden wellicht nog denkt dat je in een oervervelende conceptuele roman zit, begint het personage Alan al snel, zonder dat Eggers hem al te uitgesproken dingen laat doen en zeggen, kleur te krijgen. Hij is geen papieren personage dat de schrijver gebruikt als vehikel om zo vanuit Saoedi-Arabië zijn ideeën te lanceren, maar iemand die voelt (en de lezer dus met hem) dat hij in de woestijn moet zijn. Dat daar zijn redding ligt. Platter gezegd: hij zoekt iets om in te geloven. Als hij een promotievideo van de kaec krijgt te zien, veert hij op. Dit is zijn kans.

Eggers schrijft zeldzaam goed over mensen die naar elkaar toe neigen, die contact zoeken. Hoewel Alan zich op allerlei manieren in de problemen heeft gewerkt, blijft hij een natuurlijk vertrouwen in de mensheid hebben. Als hij in de badkuip van een Deense medewerkster van kaec terechtkomt, op haar uitnodiging, kan hij zich nog niet aan de ervaring overgeven. Hij is nog te gesloten. Als ze naar zijn geslacht reikt, zegt hij dat hij liever heeft dat ze het niet doet. Dat een leven zonder seks hem zoveel eenvoudiger lijkt.

‘Waarom zou je zulke eenvoud nastreven?’

‘Zegt de vrouw die Europa de rug heeft toegekeerd.’

‘Ja, maar ik heb niet de hele mensheid de rug toegekeerd.’

‘Ik ook niet. Ik zit hier met jou in bad.’

‘Maar je leeft met al die restricties. Zoveel regels.’

Naarmate de roman vordert, zien we Alan zich losmaken van die restricties. Hij wint zijn chauffeur voor zich door eindeloos veel moppen te vertellen, en terwijl zijn jonge, technische crew niet de tent in de kaec uit komt, alleen maar rondhangt, wat zit te internetten en films bekijkt, gaat Alan met zijn chauffeur mee jagen en voelt hij zich gelukkig onder de mensen. Als ze een paar mannen voorbij rijden die een muurtje aan het metselen zijn, stapt Alan uit en begint ze te helpen. Het is bijna alsof Alan zichzelf uitprobeert, zichzelf ontdekt. Alsof mensen als Alan door hun banen en hun producten te oursourcen ook een deel van zichzelf hebben geoutsourced. Nu, in de woestijn, lijkt hij zichzelf terug te vinden.

Nog mooier is de voorzichtige manier waarop Alan zijn arts het hof maakt – de arts die hem van een goedaardige bobbel in zijn nek afhelpt. In eerste instantie probeert hij haar alleen even wat langer aan zijn ziekenhuisbed te houden, post-operationeel, en zij schrikt van zijn ­interesse in haar. De scènes zijn rustig en ­charmant, ze ­praten open en met een ingehouden gevoel voor humor. Ze vertelt dat ze kinderen heeft. Dat dacht ik al, zegt hij. Zij schrikt ervan, plagend: bedoelde hij soms dat hij iets aan haar heupen had gezien? Zo snugger ben ik niet, zegt Alan. Ze gaan samen naar het strandhuis van haar broer, zwemmen in zee (zij topless, zodat haar buren van een afstand twee blote ruggen in het water zien en zullen denken dat het twee ­mannen zijn), belanden in bed. Hij is bang dat ze zijn gelende tanden ziet, zijn vele littekens, zijn ruwe huid – maar hij laat die angst gaan. Het is geen geiligheid die Eggers beschrijft, maar de oprechte, uitzinnige verbazing van iemand die het niet voor mogelijk had gehouden dat iemand anders zo in hem geïnteresseerd zou kunnen zijn. ‘Maar misschien was hij meer dan de som der kapotte delen’, denkt hij.

Het zijn dit soort scènes waarin Eggers door de schematische set-up heen breekt. Hoop gloort, misschien niet financieel, maar dan zeker op menselijk niveau. Het gekke is dat je zo gewend bent geraakt aan het Europese cynisme van schrijvers als Grunberg, of Houellebecq, dat een dergelijke Amerikaanse catharsis nagenoeg als een totale verrassing komt.


Beeld: Sherwood Design Engineers Cortesy of Shankland Cox Asia, LTD