De som der misverstanden

Mijn natuurkundeleraar op de middelbare school legde - zo rond 1966 - uit wat nazisme méér was dan antisemitisme. Hij had in Duitsland gestudeerd en wist veel van de Duitse geschiedenis. Het nazisme was een aantrekkelijke ideologie geweest, gebaseerd op de theorie van het darwinisme, dat toonde dat de sterkste soorten zouden overblijven. Die sterke soort betrof de Duitsers die een hoge geestesadel bezaten op de best denkbare grond van de wereld.
Het nazisme gaf de Duitsers zelfvertrouwen, zij waren immers, bewijsbaar, de beste mensen op aarde.
Onze natuurkundeleraar nam daartoe een boek mee uit 1913 van Hanns Hörbiger en Philip Fauth: Glazialkosmogonie.
Die theorie is te ingewikkeld om nu uit te leggen, maar ging er vanuit dat het heelal
ontstaan was uit ijs. En op de planeten was dat nog duidelijk te zien, want die bestonden voornamelijk uit ijs.
De leraar - ik ben helaas zijn naam vergeten, maar ik geloof dat hij Weismann
heette en vermoedelijk joods was - vertelde vurig hoe Heinrich Himmler en ook de Führer zelf deze theorie omhelsden. Immers: hij ging in tegen de theorie van de jood Einstein, en hij onderbouwde vanuit de natuurkunde het nazisme, want er was in het heelal één planeet die niet uit ijs bestond - en dat was de aarde. En op de aarde was er - dat konden aardrijkskundigen en natuurkundigen bewijzen - weer één plek de beste, en dat was toevallig Duitsland.
Na de Tweede Wereldoorlog verdween deze theorie - niet helemaal, want hier en daar kom je haar als ‘Welteislehre’ nog wel tegen op spiritistische websites.
In 1966 werd ik mij gewaar van het feit dat wetenschap (de ijstheorie en het darwinisme) een gevaarlijke ideologie volstrekt misplaatst kan ondersteunen. Wat zou ik in de Tweede Wereldoorlog hebben gedacht? Gerenommeerde wetenschappers in Duitsland - waaronder ook joodse - konden Einstein niet volgen, of geloofden hem niet, en onderschreven destijds ook de Welteislehre. Wie moesten dan degenen volgen die geen natuurkunde, of sterrenkunde of aardrijkskunde kenden?
Eigenlijk wil ik sinds die tijd niets te maken hebben met ideologie. Dat de wetenschap steeds verandert waardoor inzichten veranderen is een gegeven. De laatste tijd merk ik, door het hersenonderzoek dat wij hier in Nederland doen, dat er weer een controverse aan het ontstaan is: heeft de mens een vrije wil of niet? De deterministen zijn aan de winnende hand. En je begrijpt dat godsdienstige wetenschappers hier met ingehouden adem naar kijken.
Over tien jaar ontdekken we weer het omgekeerde.
Mij sterkt het echter weer in de gedachte dat je niet aan ideologie moet doen en dat elke ideologie verderfelijk is, net als iedere godsdienst. (Het zal wel aan mij liggen, maar ik vind dat onderscheid tussen godsdienst en ideologie altijd ridicuul.)
We worden op het ogenblik overspoeld met verschillende ideologieën die ook het taalgebruik aanvreten, doordat iedere ideoloog zichzelf moreel superieur acht.
'Eerlijkheid’ en 'solidariteit’ worden met grote kracht als ankers in een muur geslagen, maar die muur dient nergens toe. Elk kwartier wordt er wel een misverstand door de brievenbus gegooid en het wordt daardoor steeds moeilijker die deur eens wagenwijd open te zetten.
Laatst kwam ik een oude vriend tegen, een studiegenoot, die actief is voor de SP. Mijn leeftijd. We gingen koffie drinken. Alles was weer als vroeger. Alleen: 'Wat ben jij rechts geworden.’ En ik: 'En wat ben jij links gebleven.’
Even zinderde de lucht van spanning tot we beiden, gelijktijdig, een glimlach om onze mond kregen en gezellig verder discussieerden. Vermoedelijk beseften we dat we beiden het resultaat waren van de som der misverstanden.
We konden het nog heel goed samen vinden.