De soundtrack van een genre popmuziek

Eindelijk gaat de muziek wat langzamer. Zo langzaam dat je zacht tegen elkaar aan kunt dansen. Je hebt genoeg drank of drugs in je lijf en durft in haar richting te bewegen. Je fluistert in haar oor. Ze raakt je aan. Jullie dansen samen! Dan is het nummer bijna afgelopen en zet een nieuwe in. Ze herkent, veert op en roept stralend: ‘Oh, aan dit nummer heb ik zúlke goeie herinneringen.’

Nee, zeggen! Het zijn zeker ook nog ‘vakantieherinneringen.’
Verpest. Het nadeel van mooie muziek is dat er ook andere mensen naar luisteren. En dat die er zo raar over doen.
Er is weer een cd van Portishead uit. Portishead ja, de band met die onmetelijk diep geëmotioneerde vrouwenstem en die neurotische muziek. Met die hele gevoelige en zielige vrouw die zingt over voorbije en mislukte liefdes. Dat breekbare.
Nou ja, toegegeven: Dummy, de eerste cd die Beth Gibbons en Geoff Barrow in 1994 uitbrachten, was even mooi, vreemd en vernieuwend. Zachte hiphop die aan jazz deed denken. De beats werden uitgesmeerd en mysterieuze geluiden klonken op. Beth Gibbons’ geheimzinnig dichtbije stem dwong tot luisteren. Ze maakte iets moois van het grote verdriet en het onbestemde gevoel van elke luisteraar. Met de soundtrack van een liefde die kapot gaat, was ook de soundtrack van een nieuw genre geschreven, de triphop.
Jammer alleen dat Portishead nogal snel ging irriteren. Nam je op dinsdagochtend plaats in een café dan was de koffie nog niet besteld of Beth Gibbons blèrde weer je oren in. Haar stem, de hysterie al ver voorbij, herhaalde en herhaalde: 'All for nothing. Did you really once…?’ Verpletterende hopeloosheid. En 'loneliness’, vooral veel eenzaamheid. Ze zong: 'Nobody loves me - it’s true - not like you do.’ Die you, wist je direct, die was hem natuurlijk al lang gesmeerd. Logisch, met zo'n vrouw.
Keek je op, dan stond er gegarandeerd achter de bar een verveeld wicht naar de kleren van een vervelend wicht te staren: 'Dit is zó goed!’ En Beth Gibbons maar zingen over weer een kapotte love affair. 'Oh, ik vind dit zo mooi’, hoorde je weer. Vrolijk en met zwijmelogen maakten de meisjes een koffie-verkeerd. En je wist dat ze dachten aan een hen bekende bal die wel wat op een soapster lijkt.
Bedenk hierbij dat Dummy werd uitgeroepen tot de meest erotische cd van het jaar. Spoedig klonk hij ook naast Loeki de Leeuw in de televisiereclame. Al met al genoeg om een flinke pleurishekel te krijgen aan het gejeremieer van dat mens van Portishead.
In je eentje klinkt muziek heel anders. Daarom beluisterde ik de derde cd met gezonde tegenzin. En verdomme, het is weer zover. Roseland NYC live is: 'Dit is zó goed’, en hij is ook: 'Oh, ik vind dit zo mooi.’
De sluimerende beats en het gepiel van elektronisch zingende zagen passen dit keer wondermooi bij een aan- en afzwellend symfonie-orkest. De stem waarvan ik walgde zingt de nummers die ik haat, nog indringender en nog breekbaarder en ach, wat een gelul: gewoon verschrikkelijk mooi. Net als de muziek. Helemaal wanneer je de cd in de computer steekt en hij naast filmpjes nog eindeloos gepiel en gescratch blijkt te herbergen.

  • Silver Jews, American Water. De muziek begint en een stem zegt: 'In 1984 I was hospitalized for approaching perfection.’ Zachtjes klinkt zijn gitaar en verdrietig begint een jongen aan zijn liedjes over Amerika in 1998: 'I know you like to line dance, everything so democratic and cool.’ Aangenaam mistroostig.