WATER LIGT GEVOELIG IN SPANJE

De Spaanse Wateroorlog

President Zapatero is bang voor het t-woord: trasvase, de overheveling van water uit de Ebro naar Barcelona, om de droogte in Catalonië te bestrijden.

Belén Álvarez heeft geen bloemen meer. Alleen nog cactussen. Haar katoenen tafellakens heeft ze opgeborgen. Met twee kleine kinderen moet je die steeds wassen. Ze gebruikt weer de plastic tafellakens van vroeger. Spuuglelijk maar wel praktisch: vochtige doek erover en schoon.

Als Imma Trabal gaat douchen, gaat er eerst een emmer onder de sproeier. Zodra het water warm genoeg is, gaat de emmer weg en zij eronder. Met die emmer kun je de wc doorspoelen. Natuurlijk hebben Belén en Imma allebei de spaarkop op de keukenkraan gedraaid die de gemeente Barcelona pas geleden cadeau deed aan alle huishoudens in de stad.

Nooit in de afgelopen zestig jaar was het noordoosten van Spanje zo droog als nu. Het begon drie jaar geleden, toen het hele land met ernstige droogte kampte. Maar terwijl de situatie elders verbeterde, bleef Catalonië verstoken van regen. Afgelopen anderhalf jaar viel er zo goed als niets. De stuwmeren die Barcelona en omgeving van drinkwater voorzien staan intussen op minder dan twintig procent van hun capaciteit. Als het de komende maanden niet heel hard en lang gaat regenen – en die kans is zo langzamerhand even groot geworden als dat Barça alsnog kampioen van Spanje wordt – dan zitten in oktober vijfenhalf miljoen inwoners van Barcelona en haar voorsteden zonder kraanwater. Tenzij er heel snel een noodplan op tafel komt.

Dat noodplan kwam eind vorige week na wekenlang touwtrekken tussen Barcelona en Madrid over de verschillende opties. De keuze viel uiteindelijk op een overheveling van veertig kubieke hectometer water uit de Ebro naar Barcelona. De overheveling (trasvase) is tijdelijk, totdat de ontziltingsinstallatie van zeewater in El Prat bij Barcelona klaar is. Vanaf mei 2009 gaat die fabriek tweehonderd kubieke hectometer per jaar leveren. Oftewel eenderde van de behoefte in de stadsregio Barcelona, waarmee de problemen voorlopig van de baan zullen zijn.

Minister Elena Espinosa van Milieu in het zojuist aangetreden tweede kabinet-Zapatero en de Catalaanse president José Montilla haalden dan ook opgelucht adem na het bereikte akkoord. Zo veel te meer omdat de overheveling uit de Ebro niet ten koste zou gaan van de watermassa in de rivier, wat om verschillende redenen een uiterst gevoelig punt is in Spanje. De veertig kubieke hectometer die Barcelona voor uitdroging moeten behoeden, zou Catalonië kopen van de boeren uit de Ebrodelta. Precies de hoeveelheid die deze boeren niet gebruiken van hun jaarlijkse quotum van 120 kubieke hectometer irrigatiewater. Het ei van Columbus, dachten beide socialistische bewindslieden. Want wie zou daar nou bezwaar tegen kunnen maken? Bijna iedereen, zo leek het. De milieubeweging vond dat er onvoldoende werk was gemaakt van waterbesparing en dat Barcelona best een paar uur per dag zonder water kon. Daarmee gingen de milieuactivisten voorbij aan het feit dat juist Barcelona de Spaanse stad is met het laagste dagelijkse waterverbruik: 110 liter per inwoner tegenover de 166 liter die de gemiddelde Spanjaard wegspoelt. Ook de boeren uit de Ebrodelta in Zuid-Catalonië waren boos. Zij voelden zich in de steek gelaten door hun regering in Barcelona. Natuurlijk, de inwoners van de Catalaanse hoofdstad hadden recht op drinkwater. Maar dat water moest elders vandaan komen, want van een overschot aan irrigatiewater was volgens hen geen sprake. Zij wezen op het gevaar van verzilting in de delta, ondanks de tijdelijke aard van de overheveling en de relatief geringe omvang ervan.

Het luidruchtigste protest tegen het noodplan voor Barcelona kwam uit de regio’s Valencia en Murcia, zuiderburen van Catalonië aan de Middellandse Zee en beide stevig in handen van de conservatieve Volkspartij (PP). ‘Een vernedering voor Valencia’, riep regiopresident Francisco Camps verongelijkt. ‘Niemand hier in Valencia zal knielen voor zo’n laag en onrechtvaardig besluit.’ Hij kreeg van harte bijval van zijn collega uit Murcia. Samen kondigden ze aan alles in het werk te stellen om het onrecht ongedaan te maken, van volkspaella’s en protestdemonstraties tot een beroep op het Constitutionele Hof.

Het onrecht schuilt volgens de presidenten van Valencia en Murcia in de weigering van premier José Luis Rodríguez Zapatero om deze regio’s hetzelfde te geven als Barcelona, namelijk water uit de Ebro. Zij eisen daarom dat Zapatero het Nationale Waterplan (Plan Hidrológico Nacional) van zijn conservatieve voorganger Aznar in ere herstelt.

Intrekking van dit Nationale Waterplan was een van de eerste maatregelen van Zapatero toen hij in 2004 aan de macht kwam. Het plan, dat op veel verzet uit de samenleving stuitte, voorzag in de aanleg van 130 stuwmeren. Een bijna duizend kilometer lange pijpleiding zou jaarlijks 1050 kubieke hectometer water uit de Ebro overhevelen naar Murcia, Valencia en in mindere mate Barcelona. De Ebro zou daardoor eenderde van zijn watermassa verliezen, wat verzilting van de rivierdelta meer dan waarschijnlijk maakte. Het project van bijna vier miljard euro was volgens critici vooral bestemd om de dorst te lessen van een wildgroei aan golfbanen, vakantieresorts en de ongecontroleerde uitbreiding van de intensieve tuinbouw in het kurkdroge zuidoosten.

Als alternatief voor het Nationale Waterplan heeft de regering-Zapatero het programma agua in werking gesteld, Maatregelen voor het Beheer en Gebruik van Water. Het plan moet aan de ene kant belangrijke besparingen opleveren door de irrigatiesystemen te moderniseren. Op dit punt valt veel winst te behalen, want de agrarische sector neemt tachtig procent van het totale waterverbruik in Spanje voor zijn rekening en neemt het daarbij vaak niet al te nauw.

De tweede pilaar van Zapatero’s waterplan is de bouw van een netwerk van vijftien grote ontziltingsinstallaties. Enkele jaren geleden was de ontzilting van zeewater nog onrendabel door het hoge energieverbruik. Nieuwe technieken als de omgekeerde osmose hebben de prijs inmiddels omlaag gebracht naar veertig cent per kubieke meter. Volgens de econoom Pedro Arrojo van de Universiteit van Zaragoza zijn de ontziltingsinstallaties een betrouwbaar middel om periodes van droogte te bestrijden, in tegenstelling tot het traditionele model van stuwmeren en overhevelingen. Arrojo: ‘Dat zijn heel slechte instrumenten om het water te beheren. Om de eenvoudige reden dat periodes van droogte meestal een behoorlijk groot gebied beslaan. Dus als de rivier Segura een droge cyclus meemaakt, dan is dat waarschijnlijk ook het geval bij de Júcar en de Ebro. In de huidige situatie van droogte zou het Nationale Waterplan nutteloos zijn, omdat de Ebro onvoldoende water zou hebben om over te hevelen. Dat stond trouwens ook in de kleine letters van dat plan: gemiddeld eens in de vijf jaar zou geen overheveling kunnen plaatsvinden wegens de droogte. Gelukkig heeft de regering voor ontzilting gekozen.’ Het zijn precies deze ontziltingsinstallaties die Murcia en Valencia nu behoeden voor de noodsituatie waarin Barcelona zit – tot ook daar de ontziltingsfabriek klaar is.

Desondanks hebben Murcia en Valencia premier Zapatero de intrekking van het Nationale Waterplan nooit vergeven. Zapatero, zo herinneren zij, is altijd een verklaard tegenstander geweest van overhevelingen van water uit de ene rivier naar de andere. Nu de socialistische regeringsleider zo’n trasvase wél goedkeurt voor Barcelona ruiken zij hun kans om hem een voorkeursbehandeling voor de Catalaanse hoofdstad te verwijten.

Helemaal terecht is dat niet. Murcia en Valencia hebben immers geen dreigend drinkwatertekort, en toen Valencia dat wél had, in 2006 en 2007, nam de regering-Zapatero eenzelfde noodmaatregel als nu voor Barcelona. Toch lijken veel Spanjaarden wel gevoelig voor het verwijt van de presidenten van Murcia en Valencia aan het adres van Zapatero. De hardnekkige weigering van de regering om de noodmaatregel voor Barcelona gewoon trasvase te noemen heeft daar zeker toe bijgedragen. De angst voor het t-woord zou Zapatero wel eens meer schade kunnen toebrengen dan zonder omwegen erkennen dat je in een noodsituatie soms met je principes moet breken – vooral als dat tijdelijk is, zoals in dit geval.

Water ligt gevoelig in Spanje. Tot voor kort was het land een overwegend agrarische samenleving, met een traditie die water beschouwt als een natuurlijke hulpbron die vrij, gratis en onbeperkt voorhanden moet zijn – dat is in deze denkwijze zo ongeveer de essentie van beschaving. Het is een model dat aan het einde van de negentiende eeuw gestalte kreeg en dat zijn hoogtijdagen beleefde in het Spanje van generaal Franco, met het typische beeld van de dictator die alwéér een stuwmeer inhuldigde. Stuwmeren golden als symbolen van de vooruitgang. Ze maakten beheersing van het water voor de landbouw mogelijk en leverden tegelijk als waterkrachtcentrale energie. Water dat door rivieren in zee werd geloosd, gold als weggegooid.

Het oude model van waterbeheersing staat op de helling. Nieuwe stuwmeren zijn niet meer rendabel. Langzaam wint ook in Spanje het idee terrein dat je niet onbeperkt water kunt dragen naar een gebied waarvan jij beslist dat je er rijkdom wilt creëren. De ervaringen met de intensieve tuinbouw en de toeristenindustrie in de provincies Alicante, Murcia en Almería laten zien dat dit model op zijn laatste benen loopt. De grondwaterbronnen raken uitgeput en de afhankelijkheid van water van elders is bijna totaal. Bovendien lost de komst van nieuwe waterreserves niets op, zegt hoogleraar María Teresa Pérez van de economische faculteit in Murcia: ‘Iedere aankondiging van de komst van meer water wekte zo veel verwachtingen onder projectontwikkelaars en tuinders dat de onmiddellijke reactie een nog grotere vraag naar water was.’ Op termijn ziet ze maar één oplossing: een agrarische en stedenbouwkundige ontwikkeling die aangepast is aan de beperkingen van de structurele droogte in het gebied.