Syrië in de vuurlinie van Bush

De speeltuin van Damascus

Damascus zwaait al jaren met Amerikaanse toestemming de scepter in Libanon. Maar nu ligt Syrië in de vuurlinie van Bush. Aan de vooravond van het bezoek van Powell harkte Damascus zijn Libanese speeltuin maar weer eens aan.

BEIROET — Een tamelijk on-Nederlands staaltje bestuurlijke slagvaardigheid: op 15 april verraste de Libanese premier Rafic Hariri vriend en vijand toen hij aankondigde dat het kabinet was ontbonden. Drie dagen later was de zakenman en multimiljonair alweer lachend terug aan het hoofd van een gloednieuwe equipe. Geen 24 maar 30 ministers ditmaal, met elf nieuwe gezichten. Hariri is echter geenszins de winnaar van de laatste Libanese stoelendans. De soennitische premier mag blijven, maar verloor drie van zijn medestanders, die niet toevallig allen op goede voet stonden met de christelijke maronieten. Nabil Berri, de sjiïtische parlementsvoorzitter, verstevigde zijn positie en president Emile Lahoud verzamelde een groot aantal van de zijnen om zich heen.

Uiteindelijk is er maar één echte winnaar: Damascus. De herschikking van de macht is vooral een verdere «syrificatie» van de Libanese politiek. Representativiteit speelt nauwelijks een rol; cohesie en saamhorigheid met «zusterland Syrië» is het enige dat telt. Een ministerieel woordvoerder noemt de nieuwe regering «een regering van confrontatie, want de regio bevindt zich op een vulkaan. Libanon moet zich scharen aan de zijde van Syrië en klaar staan voor alle mogelijke ontwikkelingen.»

Sinds het einde van de Libanese burgeroorlog in 1991 is Syrië feitelijk machthebber in Libanon. In Beiroet verheerlijken affiches de overleden «sfinx van het oosten», de voormalige Syrische president Hafez al-Assad, en diens zoon en opvolger «dokter» Bashar. Veel verder dan dat gaat het uiterlijk machtsvertoon niet. Het Syrische leger heeft zich grotendeels uit Libanon teruggetrokken. Slechts in de Bekavallei doemen nog Syrische checkpoints op en worden wijngaarden ontsierd door formaties Syrische tanks van sovjetmakelij.

In politieke zin gebeurt er in Libanon echter nog altijd niets zonder de al dan niet stilzwijgende goedkeuring van the powers that be in Syrië. Zodra de politici ruziën in Beiroet, zo zegt men, staan alle auto’s met een diplomatiek kenteken in een file naar Damascus. Hoe dicht de twee landen elkaar genaderd zijn, moge blijken uit het feit dat Libanezen zonder visum naar Syrië reizen en vice versa. Er is zelfs geen Syrische ambassade in Libanon.

De symbiose is niet slechts politiek van aard. Naar schatting een miljoen Syrische gastarbeiders werken in Libanon. Vaak voor niet meer dan een schamele tien dollar per dag, wat naar Syrische begrippen aan het einde van de maand nog altijd een klein vermogen oplevert. Zonder het krokodillenkapitalisme in belastingparadijs Libanon was het Syrische staatssocialisme waarschijnlijk allang failliet geweest.

Het is een publiek geheim dat controle over Libanon de Amerikaanse beloning was voor de Syrische steun in de Golfoorlog van 1991. De Amerikaanse aanval op Irak was echter een ander verhaal. Bashar al-Assad bleek een van de luidste critici van het Amerikaanse beleid en deze keer kreeg hij een lange reeks verwijten naar zijn hoofd geslingerd. Naast het produceren van massavernietigingswapens en het wellicht verbergen van Saddam Hoessein en diens handlangers, noemde Donald Rumsfeld ook de steun aan de «terroristische» Hezbollah en de «bezetting van buurland Libanon».

Wat betreft wapens en Irak lijkt Damascus bereid enige concessies te doen, maar aangaande Hezbollah en Libanon is dat uiterst twijfelachtig. Volgens Syrië is Hezbollah een legale verzetsbeweging en een politieke partij. Verder is Syrië van mening dat de Libanezen niet zonder de Pax Syriana kunnen, zoals de Irakezen (voorlopig) niet zonder Pax Americana kunnen. Zonder de heilzame hand van Damascus, aldus de Syriërs, is er binnen de kortste keren weer een burgeroorlog. Veel Libanezen, vooral christenen, zijn echter van mening dat het land allang weer op eigen benen kan staan.

Libanon wordt niet voor niets het scharnier van het Midden-Oosten genoemd. Enerzijds kent het land ondanks zestien jaar burgeroorlog een hoge mate van onderlinge verdraagzaamheid. Bovendien is het land, in elk geval op papier, een alleraardigst democratisch experiment waarin alle zeventien officieel erkende religies een stem hebben, afhankelijk van hun aandeel in de bevolking. In die zin is Libanon nog altijd een lichtend voorbeeld voor welke pluralistische samenleving dan ook.

Libanon is tevens een tribale samenleving met een hoog Dallas- en Dynasty-gehalte waarin politiek bedrijven en zaken doen hand in hand gaan. Bovendien draait de politiek hier om personen, niet om partijen, en meer om contacten dan om ideeën. Het is een wereld van eeuwenoude familievetes, ordinaire zakkenvullers en snel wisselende allianties, een wereld van oude-stempel-aristocraten, oorlogsveteranen en nieuwe rijken à la Rafic Hariri, die vanuit het niets de grootste aannemer van Saoedi-Arabië werd.

Het nadeel van deze heerlijke veelkleurigheid is dat het voor buitenstaanders vrij gemakkelijk is medestanders te vinden. Immers, in Libanon is een vijand van de vijand (bijna) een vriend. Farid Khazen, die een dik boek schreef over het ontrafelen van de Libanese staat na 1967 zei: «Libanon is een gecompliceerd land naar elke maatstaf, zowel in oorlog als in vrede.»

Een en ander moge blijken uit de gang van zaken rond de recente kabinetsformatie. Directe aanleiding voor het Syrische ingrijpen was de sjiïtische parlementsvoorzitter Berri, die al weken om ontbinding van het kabinet riep. In maart stapten twee van zijn ministers uit zijn Amal-partij en Berri wilde hen vervangen door loyalere lieden. Toen dat niet snel genoeg ging, dreigde hij bepaalde kabinetsbesluiten niet te ondertekenen om zijn eisen kracht bij te zetten.

Berri is, net als Hariri, een relatieve nieuwkomer in de Libanese arena. Hij is advocaat en zoon van een diamanthandelaar in Afrika, en staat bekend als de ongekroonde onderkoning van Zuid-Libanon waar economisch niets gebeurt zonder zijn toestemming. Sinds het begin van de burgeroorlog is Berri ook een van de trouwste bondgenoten van Syrië. En dus, na een goed gesprek in Damascus, werden Berri’s eisen ingewilligd en konden de afvallige ministers Beyhoun en Hamdane op zoek naar een andere baan. De sjiïeten, Libanons grootste bevolkingsgroep, worden dan ook niet zoals velen denken slechts vertegenwoordigd door de «terroristische» Hezbollah. Integendeel. Hezbollah mag dan de krantenkoppen halen; Berri’s (liberale) Amal-partij heeft twee keer zoveel parlementszetels en zit in het kabinet. Beide staan op goede voet met Damascus, maar onderling kunnen ze elkaar niet luchten of zien.

Behalve Berri werd ook druzen-leider Walid Djoemblat recentelijk in Damascus gesignaleerd. De druzen zijn Libanons vierde bevolkingsgroep en de Djoemblats zijn al honderden jaren een trouw leverancier van gezagsdragers. Maar Walid maakte geen deel uit van het laatste kabinet-Hariri, omdat hij vorig jaar te luid riep om Libanese onafhankelijkheid. Prompt verscheen een telg van de familie Arslan, de eeuwige rivaal van de Djoemblats, in de regering, en die zit er nu nog. Achter de schermen echter is de flamboyante Walid Djoemblat nog altijd een machtig personage. Hij wordt wel de octopus genoemd, vanwege zijn vele relaties.

Grote verliezers in het huidige kabinet zijn de maronieten, Libanons op een na grootste bevolkingsgroep en traditioneel de meest fanatieke tegenstanders van Syrië. Alle maronieten die benoemd zijn, staan bekend om hun pro-Syrische standpunt en genieten nauwelijks aanzien. Dat is niets nieuws. Na de burgeroorlog werden alle traditionele christelijke leiders buitenspel gezet. Generaal Aoun, die met zijn volgelingen een onafhankelijk Libanon zonder Syrië wil, werd verbannen naar Frankrijk, en Samir Geagea, leider van de extreem rechtse Libanese Strijdkrachten die een eigen christelijke staat in Noord-Libanon wensen, ging het gevang in. Beide partijen zijn verboden.

In plaats van Aoun en Geagea verschenen relatief onbekende personages, zoals de huidige president Lahoud, een voormalig officier, en Elie Murr, de huidige minister van Binnenlandse Zaken en hoofd van de steeds machtiger wordende veiligheidsdiensten. De familie Murr illustreert daarbij als geen ander de Libanese verdeeldheid. Elies oom Gabriël is een fervent tegenstander van Syrië en liet dat via zijn televisiestation Murr TV regelmatig weten. Na enkele keren te zijn gewaarschuwd, werd het station vorig jaar gesloten door de veiligheidstroepen van neef Elie.

Een politiek commentator noemde de gang van zaken rond het nieuwe kabinet «een slechte soap» geproduceerd in Syrië. «Maar», voegde hij er onmiddellijk aan toe, «een volk krijgt de leiders die het verdient.»

Syrië mag dan in de Amerikaanse vuurlinie liggen, de Verenigde Staten, die van Irak een op westerse leest geschoeide democratie willen maken, kunnen nog wat leren van Damascus’ inmenging in Libanon. Immers, ook Irak is een twintigste-eeuwse koloniale creatie en een langs scherpe tribaal-religieuze lijnen verdeelde samenleving waarin verschillende buitenstaanders een vinger in de pap hebben. In Libanon blijkt de liberale democratie niet bestand tegen de soapelites. Het is zeer de vraag of dat elders in het Midden-Oosten anders is.