HET MIGRANTENMUSEUM

De speen

Wanneer de zomer aanbrak gingen de gastarbeiders de winkels af om heren-, dames- en kinderkleding te kopen. Jeans voor de kinderen, trui voor de vrouw, lange rokken voor moeder, lange rokken voor vrouw, jasje voor vader, blouses voor andere familie…
Een van de gastarbeiders ging eens voor de verandering een andere winkel in. Hij kocht een speen bij de apotheek.Deze gastarbeider had twee jaar lang boze blikken van iedereen getrotseerd. Niet het werk bij de fietsenfabriek viel hem zwaar maar deze haatblikken. ‘Ze betalen me een goed salaris, maar willen me tegelijkertijd ook dood hebben’, heeft de gastarbeider heel lang gedacht.
Een mens went aan veel, een migrant aan alles. Derhalve accepteerde de gastarbeider deze vijandelijke houding van iedereen in dit nieuwe land, keek uit naar zijn eerste vakantie en liep, toen die vakantie naderde, de apotheek binnen om een speen te kopen. De verkoopster wierp de gastarbeider de gebruikelijke vijandelijke blikken toe, nam het geld in ontvangst en gaf hem de speen met de lichtblauwe kop. De gehate gastarbeider was al lang gewend dat hij niet geliefd was in deze geografie, stopte de speen in zijn buitenzak en vertrok om elders in de stad het vliegticket te gaan ophalen bij een verkoper die hem wel erg kwaad zou aankijken. De gastarbeider werd pas verlost van de stille haat en de gruwelijke blikken die hem twee jaar lang geen moment hadden losgelaten toen hij uit het KLM-toestel stapte. Eenmaal buiten het vliegveld keek hij om zich heen om er zeker van te zijn dat er geen Nederlandse stewardessen of piloten waren die hem met walging aanstaarden.
De speen die in het Migrantenmuseum ligt had de tengere gastarbeider voor zijn zoontje gekocht dat toen de gastarbeider naar Nederland vertrok nog in moeders buikje was. Het kind had ronde wangen, liep behoorlijk stevig voor zijn leeftijd en blaakte van gezondheid. Zijn moeder had hem ter gelegenheid van de komst van papa de beste kleren aangetrokken en hem van top tot teen gewassen met de beste zeep die naar kaneel rook.
Maar niet alleen nam het kind de speen niet in zijn mond, hij verdomde het ook om naar zijn vader te gaan. Hij zette het op een verschrikkelijk huilen als de gastarbeider het waagde om in de buurt van zijn jongste zoon te komen.
Twee jaar lang was hij onderworpen aan de kwaadaardige blikken en de gastarbeider kon het niet aan om ook nog eens zo verstoten te worden door het product van zijn eigen levensvocht. Dezelfde dag nog liep hij naar de stad – op vier kilometer afstand van het dorp – en kwam in de avonduren met verse druiven terug. De moeder van het kind maakte hem wakker en liet hem de druiven zien die in papa’s handen waren. Na een kleine aarzeling door de heerlijke druiven zette het kind toch geen enkele stap in de richting van deze vreemde man. De druiven werden verorberd door de rest van de familie die al een tijd watertandend naar de vruchten zaten te kijken. Het kind dat niets kreeg: huilen, huilen, huilen…
De speen haalde de gastarbeider niet meer uit zijn buitenzak. Hij lag daar als het symbool van uit de handen geglipt vaderschap. Migranten wennen weliswaar aan alles, maar dat zij met hun kinderen – ook al word je na tien jaar met het hele gezin herenigd in de polder – nooit een echte vader-zoon-relatie zullen kunnen opbouwen, is een bittere zaak. Zeker moeilijker te accepteren dan de haatblikken van de Nederlanders.
Dat joch kwam dus op zijn twaalfde naar Nederland en zei twee jaar later tegen de gastarbeider, die hem nog steeds geen aai over het hoofd mocht geven: ‘Vader, waarom draag je een Hitler-snor? Nederlanders haten die man, hebben ze er nooit wat van gezegd?’
Namens alle analfabete migranten van de wereld die nooit van Hitler hebben gehoord, heeft de nog steeds tengere gastarbeider zijn omstreden snor niet afgeschoren. Hij weet namelijk niet wat liefde krijgen is. Boze blikken, hatelijke opmerkingen zijn weliswaar geen mooie dingen, maar de gastarbeider is er tenslotte aan gewend geraakt. Sinds de speen teruggleed in de buitenzak van zijn jas leeft hij in vrede met deze harde, harteloze wereld.