De actualiteit van Guy Debord

De spektakelmaatschappij

De beelden en boodschappen die de populaire cultuur verspreidt, vormen samen de «spektakelmaatschappij». De Franse situationist Guy Debord benoemde deze schijnsamenleving als eerste. Zijn ideeën zijn volgens de moderne protestbeweging hoogst actueel.

Hoe de verveling te bestrijden? Door naar een onbewoond eiland te vertrekken en er een miljoen pond te verbranden. Dat is de oplossing die het Engelse kunstcollectief K Foundation (tevens bekend als popgroep KLF) begin jaren negentig bedacht en ook uitvoerde. Hun daad wordt in een onlangs verschenen biografie rechtstreeks in verband gebracht met Guy Debord en zijn mede-situationisten. Andrew Hussey trekt in The Game of War de lijn surrealisme-situationisme-punk door naar de pop- en housemuziek van de jaren negentig, waar sommige clubs en bands verwijzen naar de situationisten.

Debord en de situationisten zijn hoogst actueel bij de protestbewegingen die in de tweede helft van de jaren negentig ontstonden en die dankbaar gebruikmaken van de subversieve denkwijze die warempel mede de Franse mei ’68-revolutie bepaalde. Op met zorg samengestelde websites als www.nothingness.org en www.notbored.org wordt de Situationistische Internationale tot leven gewekt. Kalle Lasn, oprichter van de Adbusters-organisatie, wijdt er vele bladzijden aan in zijn boek Culture Jam, Michael Hardt en Antonio Negri (Empire) nemen de analyse van de «spektakelmaatschappij» zonder horten of stoten over en Naomi Klein (No Logo) beschrijft hoeveel jonge actievoerders gemeen hebben met Debord.

Tegelijkertijd verschijnen vele heruitgaven van het situationistische werk, zijn de situationisten in Frankrijk weer een hot item op de literaire pagina’s en is Husseys biografie de vijfde van een man die zich slechts zeven jaar geleden van het leven beroofde. En in Debords slipstream volgt een deel van het gedachtegoed van een van Nederlands voornaamste historici. Debord liet zich sterk inspireren door Johan Huizinga’s analyse van de spelende mens, en op activistenwebsites duikt de theorie van de homo ludens veelvuldig op.

Guy Debord (1931-1994) is een dankbare cultheld. Pleeg revolutie of pleeg zelfmoord, riep hij in zijn branie. Hij stond vervolgens aan de oorsprong van mei ’68, en toen de door hem verfoeilijkte spektakelmaatschappij in de jaren negentig op volle kracht draaide, zette hij een pistool tegen de borst en drukte af. In alle eenzaamheid, zo de mogelijkheid voor conspiratiedenkers openhoudend dat het hier om een gerichte actie van de Franse geheime dienst ging. Dat dezelfde week twee andere Franse intellectuelen, die in verband gebracht konden worden met Debord en subversieve acties uit de jaren zestig en tachtig, ook zelfmoord pleegden, kon al helemaal geen toeval zijn. Niets doen. De verveling tot essentie van het leven verheffen. Guy Debord ging er zijn leven lang prat op nooit te werken en dat als subversieve daad te ervaren. Door een vriend gevraagd of hij zijn vriendin weleens hielp bij huishoudelijke taken, antwoordde hij: «Zij doet de afwas, ik doe de revolutie.»

In de vroege jaren vijftig dompelde hij zich onder in het Parijse nachtleven. Met een groepje gelijkgestemden sleepte hij zich van kroeg naar hotel en nam hij afstand van de gewone wereld met al die werkende mensen erin. Af en toe werd het groepje vastgelegd door Ed van der Elsken. Die noemde hen vagebonden die in hun jeugd waren blijven steken en nu «passief, donker, melancholisch» gedrag vertoonden.

De door Debord bewonderde surrealisten stelden dat het leven kunst moest zijn; om te beginnen verhief hij het drinken. De drankverhalen uit zijn leven zijn kleine legendes geworden. Van knokken in kroegen tot het op stelten zetten van nachtelijk Parijs. Vrienden memoreren hem als iemand die erin is geslaagd om een volwassen leven lang dronken te blijven. Het drinken als onderdeel van de revolutie. Drank maakte de poëtische gesteldheid los en het drinken was daarmee in zichzelf een artistieke, met rituelen beladen bezigheid. Debord schreef: «Er is wat wordt gedronken in de ochtenden, voor lange tijd was dat bier. In Cannery Row zegt een personage dat duidelijk een kenner is, dat er ‹niets is als de smaak van het eerste biertje›. Maar ik heb vaak op het moment van ontwaken een Russische wodka nodig gehad. Dat is wat er bij de maaltijden wordt gedronken, en in de middagen die er tussen de maaltijden in liggen. Op sommige avonden hoort er wijn bij, en daarna is bier prettig — waarvan een mens weer dorst krijgt. En er is ook nog wat wordt gedronken op het einde van de dag, op het moment dat een nieuwe dag begint.»

Tegen de middelmaat! Het slempen nam steeds structurelere vormen aan en werd door Debord en de zijnen verheven tot politiek-esthetische stroming. Eerst in de Letterist International (1952). Het vervolg heette Situationist International (1957) en had als actief lid onder meer de Nederlander Constant onder de gelederen. Het kroegslempen en nachtelijke dwalen door de stad ging Debord dérive noemen en tot levenskunst bestempelen. De eindeloze dronkemanstochten kregen betekenis doordat ze voortaan op poëtische wijze een existentiële verwantschap met plekken uit de stad blootlegden. Op basis van de door middel van dérive ontdekte verhoudingen kon een psycho-geografische kaart worden getekend (Constant gebruikte het concept om zijn Nieuw Babylon te ontwerpen).

Debord was een arrogant en vaak naar mannetje dat tot geen enkel compromis bereid was, zo is het beeld dat uit de laatste biografie ontstaat. Het arrogante toontje uit zijn situationistische geschriften versterkt dat beeld — dat toontje is natuurlijk ook inherent aan de manifesten van een avant-gardebeweging.

Voornaam doelwit voor Debord zijn de kapitalistische bewegingen, maar hij spaart ook het socialisme, anarchisme en communisme niet. Zelfs voor de aanhangers van het situationisme heeft hij dédain. Geen van allen zijn in staat zich werkelijk los te maken van de spektakelmaatschappij. Hij wel, hij richt zich tegen «alle aspecten van het moderne kapitalisme en het systeem van illusies dat het overal in stand houdt».

Dat systeem van illusies laat zich benoemen als spektakelmaatschappij, door Debord beschreven in zijn bekendste werk, La société du spectacle (1967). Hij beschrijft erin hoe de mens een passief toeschouwer is geworden. Zijn wereld bestaat uit een aaneenschakeling van spectaculaire beelden die als beelddrager de populaire cultuur tot hun beschikking hebben. Er wordt steeds minder verschil ervaren tussen het beeld en de werkelijkheid. De Twin Towers zien ontploffen, Amerikanen «holy shit» horen roepen, het ís de werkelijkheid. De ervaring dat naar een kopie of een afbeelding wordt gekeken, is weggezakt. In de spektakelmaatschappij is alles vals, zelfs de geschiedenis en de toekomst, die we alleen kunnen of willen zien door de bril van de hedendaagse spektakelmaatschappij. Daarmee zijn we in een constant heden beland. Een heden waarin slechts dat bestaat wat verschijnt — en wat verschijnt, dat bepalen de machthebbers.

In 1988, vlak voor de door hem voorspelde ineenstorting van de communistische wereld, publiceerde Debord Comments on the Society of the Spectacle. Daarin beschrijft hij andermaal de spektakelmaatschappij en signaleert hij dat die vandaag de dag veelal wordt aangeduid met het begrip «de media». En hij merkt nog eens op dat de spektakelmaatschappij alles opslokt. Alles bestaat immers pas als het op tv is geweest, of als het is gefotografeerd. Zo ook kritiek. Alsof hij No Logo van Naomi Klein — zelf bijna een brand — ziet aankomen, schrijft hij: «Het grappige is dat alle boeken die dit fenomeen, dit ‹moderne spektakel›, analyseren, meestal om het te betreuren, wel mee móeten doen aan het spektakel als ze aandacht willen krijgen. Het lege debat over het spektakel — dat dus gaat over de activiteiten van de bezitter van deze wereld — wordt zo georganiseerd door het spektakel zelf.»

Bestuurd door de bazen van de wereld? Nee, niemand is de baas, maar het schijnt wel dat iemand de baas is. De spektakelmaatschappij is tegelijkertijd diffuus en geïntegreerd. Michael Hardt en Antonio Negri sluiten zich daarbij aan en schrijven: «Het spektakel functioneert alsof de media, het leger, de regering, de transnationale bedrijven, de mondiale financiële instituties, enzovoort, allemaal bewust en expliciet gedirigeerd worden door een single power, hoewel ze dat in werkelijkheid niet worden.»Het is de vervreemding van Marx die inspireerde tot gedachten over de spektakelmaatschappij. En het is de homo ludens van Johan Huizinga die de sleutel tot haar omkering is. In 1952 leest Debord Homo Ludens, dat dan net in het Frans is vertaald. De notie dat het spel onderliggend is aan de grote cultuur en niet andersom, is geheel aan Debord besteed. Hij trekt de conclusie dat de rationele wereld van werkende mensen bestreden kan worden door er de spelende mens tegenover te zetten. Het ludieke kan het saaie, rationalistische blootleggen. Het spel kan «situaties» creëren die het echt belangrijke even blootleggen. Deze gedachte zou ook provo inspireren.Er is niets dat men niet zal doen om de verveling nog groter te maken, is een situationistische slogan. De valsheid moet doorbroken worden door situaties te creëren die haar ondermijnen. Debord noemt het detournement: het construeren van situaties die Hussey benoemt als «moments of poetic intensity when ‹real life› could be glimpsed». Detournement behelst het uit de context lichten van een beeld of boodschap om in een nieuwe betekenis meer van het echte leven te zien te krijgen. Het is wat de culture jammers doen die reclameslogans, -acties en -advertenties niet vernietigen, maar veranderen. Soms zeer gericht, dan weer met de nadruk op het spel — en daar lijken ze het dichtst in de buurt van de situationisten te komen.

In Londen voerde de actiegroep Reclaim The Streets abstractere acties uit als onderdeel van een Carnaval van het Kapitalisme. En in de Verenigde Staten is sinds enkele jaren de leukste attractie op April Fools Day het rondstrooien van dollars in een groot warenhuis. Het leven wordt door de actievoerders tot kunst verheven, in het spel wordt de absurditeit van het rationele, heersende systeem zichtbaar. Ze werken in de traditie van Huizinga’s theorie van de homo ludens, het surrealisme, de house en de K Foundation.