De spelonk van abdullam

Hij was directeur of voorzitter van alles wat opkwam of veranderde: de Federatie van Kunstenaarsverenigingen, de Raad voor de Kunst, de VPRO, de Theaterschool, het Bedrijfsfonds voor de Pers. En nog wat instituten. Neerlands kunstpaus Jan Kassies wordt 75 jaar.
DE TWEEDE WERELDOORLOG heeft hun levens een tegenovergestelde zwaai gegeven. Jan Kassies was voor de oorlog een gereformeerde jongen uit een groot gezin, die voor accountant studeerde. Door z'n contacten in het verzet maakte hij na de oorlog een enorme carriere als kunstpaus nummer een. Zijn vrouw Louki van Oven was voorbestemd om balletdanseres te worden. Zij stond aangekondigd als soliste toen Sonia Gaskell in 1954 startte met het Nederlands Ballet. Maar zij heeft nooit gedanst in dat eerste professionele Nederlandse dansgezelschap. Door de blessure aan haar heup, of vooral door een zware hypotheek uit de oorlog? Zij mocht als joods meisje onderduiken bij een balletliefhebber, omdat Gaskell in haar een nieuwe Pavlova zag: ‘Iemand met zulke armen laten we niet naar Polen gaan.’

Jan Kassies is bijna 75 jaar, maar nog altijd voorzitter van het Bedrijfsfonds voor de Pers en het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties. Hij is lid van de Eerste Kamer voor de PvdA, maar dat is bijna afgelopen. Eigen keuze? Niet helemaal. Jan Kassies: ‘Ik had nog best een poosje in de Eerste Kamer willen blijven. Nu het zo gelopen is, of liever is gedaan door de partijleiding, moet het ook maar zo gebeuren. Elegantie in menselijke omgangvormen scoort niet hoog in m'n partij, misschien in geen enkele partij.’
Louki heeft sinds 1954 nooit meer gedanst. Zij werd huisvrouw, moeder. Dansen kon zij niet meer. Louki: 'De bodem was onder me weggeslagen. Ik kon echt niet meer van de pijn, anders had ik nu nog gedanst bij wijze van spreken. Ik dans nog altijd van binnen.’
Toen ze elkaar leerden kennen, in 1948, was Jan administrateur bij de Federatie van Kunstenaarsverenigingen. Louki kwam bij hem om advies over een of ander financieel conflict. Het was van zijn kant liefde op het eerste gezicht. Ze vertegenwoordigde alles wat anders was: danseres, joods, niet-gelovig. Zij dacht maar aan een ding: dansen. Jan: 'Ik heb haar jarenlang aanbeden. Nu nog natuurlijk. In het begin zagen we elkaar maar een paar keer per jaar. Zij moest altijd dansen. Ik hoor het Sonia Gaskell nog zeggen tijdens een lezing: “Dames en heren, dansers zijn altijd moe.” Toen dacht ik: Dat is een ongezonde kunst, dat moet je niet doen. Het had ook te maken met mijn zoeken naar das ganz Andere.’ Louki: 'Bij mij was het niet zo van pam! zoals bij hem. Het is gegroeid. Maar er was toch ook iets gemeenschappelijks: onze grote nieuwsgierigheid, een grote behoefte het nieuwe te ontdekken en te onderzoeken.’ Jan: 'Het biologeerde me, dat je zo kan leven, zo kan opgaan in je werk, in het dansen. Werken was voor mij altijd iets heel anders geweest. Dat had te maken met het milieu waar ik uit kom.’ Louki: 'Jij had je kantoortijden, bij mij was het een gekozen slavernij. Tot het in 1954 plotseling allemaal voorbij was en ze me als een baksteen hebben laten vallen.’
Voor Louki was de keuze voor het dansen ook een overwinning op haar milieu, de gegoede joodse bourgeoisie. Toen de oorlog in 1939 uitbrak, was zij in Engeland voor haar balletopleiding. Haar vader liet haar terugkomen naar Nederland. Hier waren ze immers veilig. Later doken ze onder. Louki werd een keer opgepakt bij een razzia, maar meneer Aus der Funten vond haar blijkbaar aardig. Louki had voor de oorlog les gehad van Sonia Gaskell, die als kind in Kiev pogroms had meegemaakt. Na de oorlog ging Louki weer naar Engeland om daar te dansen. Lang duurde dat niet, want toen uitkwam dat zij op een studentenvisum werkte werd zij het land uitgezet.
Jan was twintig jaar toen de oorlog uitbrak. Hij was assistent-accountant en kwam uit een streng gereformeerd gezin in de Watergraafsmeer. 'Het was wel een benauwd milieu, maar in vergelijking met mensen die geen religieuze achtergrond hadden, hadden mijn ouders een innerlijk leven. Het is ook een cultuur van geletterdheid, vanuit de Statenbijbel. Ik las Rilke en Thomas Mann, dat had grote invloed op me. De band met de kerk is in de oorlog natuurlijk doorgesneden. Want je ging voor alles in het verzet, omdat je al in verzet was. Mijn vriend en mentor Kees Troost vergeleek het verzet met de spelonk van Abdullam, waar David terecht kwam toen hij op de vlucht was voor Saul. Daar verzamelde zich alleman die een schuld had, die een misdaad had begaan, iedereen die moest zorgen dat hij weg kwam. Bij bijna alle mensen die in het verzet waren speelde dat een rol, dat ze weg wilden uit het leven dat ze leidden. Er waren er trouwens ook die een tijdje bij hun vrouw weg wilden. De illegaliteit rechtvaardigde veel.
Die oorlog en het illegale werk gaf je de gelegenheid om je aan huis te ontworstelen. Al was het maar om te kunnen zeggen dat je om tien uur ’s avonds nog even weg moest. In een gezin met tien kinderen, waarvan ik de oudste was, konden ze niet eens vragen waar ik naar toe ging. Al waarschuwde mijn vader me: “Zij hebben de geweren, jij hebt papieren.” Dat was niet erg bemoedigend, maar ik had weinig twijfel. Volgens Calvijn mag je je verzetten als de overheid zich niet meer gedraagt als dienaresse Gods. En dat was met de Duitsers overduidelijk het geval.
Dat begon al half mei 1940, toen ik een verkeersagent zag met zo'n bord waarop nu niet meer Stop stond, maar Halt, op z'n Duits. En toen voor het Parkhotel, dat voor de Wehrmacht was ingeruimd, een bordje Fur Juden verboten stond, wilde ik daar in machteloze woede een steen door de ruit gooien. Als je wat kon doen, was je blij en deed je dat. Dat betekende voor mij voorlopig colporteren op de Middenweg, eerst met De Standaard en toen die verboden was met Nederland Waakzaam, een blad van de Anti-Revolutionaire Partij. Daarna met Hou en Trou, maar dat duurde maar twee weken, toen was ook dat verboden. Toen was legaal alles uitgeput en vroegen kennissen me of ik wilde helpen bij het verspreiden van een nieuw blad, Vrij Nederland. Dat verscheen op 31 augustus 1940, de verjaardag van Wilhelmina. Dat eerste nummer heb ik helpen verspreiden, toen vroegen ze of ik niet een paar mensen wist als redacteur. M'n enige referentiepunt was Kees Troost, twaalf jaar ouder, onderwijzer, ook zo'n opstandeling in de kerk. Hij las elke week De Groene, maar die hield in augustus ook op met verschijnen. Hij wilde best meewerken, maar dan moest het niet zo'n vodje worden met scheldartikelen over die rotmoffen. We maken een krant, zei hij, als we gepakt worden wil ik tegen de president van de rechtbank kunnen zeggen dat het allemaal waar is wat we hebben geschreven. Het was zijn grote ambitie een blad te maken en dat kon hij nu waarmaken in deze spelonk van Abdullam.’
JAN KASSIES WERD na acht maanden illegaal werk, in mei 1941, gearresteerd. Van kunstenaarsverzet was toen nog geen sprake. De Duitsers begonnen een kunstbeleid op te zetten, dat er voor de oorlog in Nederland nauwelijks was geweest. Jan: 'De Duitsers waren ervan overtuigd dat ze een cultuurtaak te vervullen hadden. Het was hier voor de oorlog in de kunst armoe troef. De Duitsers kwamen al direct met een herziening van de orkestsalarissen. De orkestleden kregen nu ineens een vast salaris gedurende twaalf maanden per jaar. Dan moet je wel van goede huize komen om er fervente anti-Duitse gevoelens op na te houden.’
Louki: 'Er werden ook balletten en operagezelschappen opgericht. Natuurlijk vooral ten behoeve van de bezetter en door totaal verkeerde mensen die lid waren van de Kultuurkamer, maar het was er wel. Er waren ook clandestiene optredens tussen de schuifdeuren van mensen die zich niet hadden aangemeld voor de Kultuurkamer. Ook joodse mensen deden dat soort dingen, huisconcerten en zo. Maar dat gold niet voor mij, want ik kon niet over straat.’
Jan Kassies werd op 9 mei 1941 gearresteerd en in februari 1942, samen met onder meer Kees Troost, veroordeeld tot zeven jaar tuchthuisstraf in Duitsland. Het grootste deel van de oorlog zat hij, gewond geraakt in een fabriek, in Dusseldorf. Het gevangenisregime was onvergelijkbaar met de concentratiekampen, er waren zelfs nog sporen van een humaan justitiebeleid uit de Republiek van Weimar.
Aan het eind van de oorlog ontmoette hij in het tuchthuis Eduard Veterman, toneelschrijver en regisseur, die in Nederland betrokken was geweest bij de illegale voorbereiding van een Federatie van Kunstenaarsverenigingen en daar na de oorlog publiciteit en propaganda deed. Veterman bezorgde de vijfentwintigjarige Jan Kassies een baantje bij de Federatie als administrateur, eigenlijk zoiets als directeur.
Daar maakte hij de eerste teleurstellingen mee. Jan: 'De kunstenaars die de Federatie hadden voorbereid, behoorden doorgaans tot de linkse groepen, meestal kleine groepjes met veel pretenties. Natuurlijk viel het tegen, zeker toen we zagen dat de mensen die voor de oorlog hoge posten hadden gehad, gewoon weer terugkwamen. En toen kwamen die verpletterende eerste naoorlogse verkiezingen, op 24 mei 1946; toen bleek dat de pas opgerichte Partij van de Arbeid minder zetels had dan de groeperingen waaruit de partij voortkwam. Dat was een duidelijk signaal dat het heel anders liep dan we hadden gedacht. Het duurt een poosje voor je dat accepteert. Je zit dan nog jarenlang met een verouderd gedachtengoed over hoe de maatschappij moet worden ingericht. De informele machten, met name in de industrie, waren natuurlijk toch heel sterk. Ik had de indruk dat het bleef afglijden tot het midden van de jaren zestig.
Ik was intussen van de Federatie overgestapt naar de Raad voor de Kunst. Dat moest een parlement voor alle kunstenaars worden, maar dat is niet gelukt. Vanaf 1966 was ik directeur van de Toneelschool en hadden we het druk om er een Theaterschool van te maken. Het lukte wel een paar schooltjes op theatergebied bij elkaar te brengen, maar wat betreft de samenwerking met de Rietveldacademie en de conservatoria, heb ik me voor de zoveelste keer verkeken op de mate waarin mensen vast blijven houden aan hun posities. Misschien niet eens omdat dat ze macht geeft, maar vooral omdat ze niet kunnen denken buiten de geijkte kaders.
Toch begon er halverwege de jaren zestig iets te veranderen in Nederland. Dat merkten we heel duidelijk op straat. Maar rellen op straat is niets voor mij. Op het toneelschooltje aan de Marnixstraat drong daar ook maar heel weinig van door. Ik heb zelf die jongens Ton Regtien en Guy Kilian moeten uitnodigen om de leerlingen te komen uitleggen wat er eigenlijk in de studentenwereld aan de hand was. Dat werkte wel. Een heleboel zijn toen de ogen open gegaan. Toen kort daarna door twee leerlingen tomaten werden gegooid in de Schouwburg was dat niet alleen uit balorigheid.’
Toch had Jan Kassies ook tegen de kunstenaarsacties bedenkingen. De beeldend kunstenaars kregen wel veel publiciteit met hun bezetting van de Nachtwachtzaal van het Rijksmuseum, maar ze wisten dat niet in praktische resultaten, in klinkende munt om te zetten. Het protest van de BBK was ook tegen de instellingen gericht waar Jan Kassies een belangrijke positie vervulde. Jan: 'Als we met het hoofdbestuur van de Federatie vergaderden, brak het bestuur van de BBK gewoon binnen en ging zitten om te verifieren wat we daar eigenlijk deden. Daar had ik als voorzitter een truc op, ik opende gewoon de vergadering niet. Er kwam ook veel intimidatie bij kijken en lol om de autoriteiten een loer te draaien, en ik was daar, als ondervoorzitter van de Raad voor de Kunst en voorzitter van de Federatie, natuurlijk een van geworden, dat is vragen om problemen. Ik vond dat die BBK een verkeerd beleid voerde, rumoer maken om het rumoer. Ze wilden de ballotage afschaffen, iedereen moest kunstenaar kunnen zijn. Maar er was gewoon geen maatschappelijhk draagvlak voor zulke onzin.’
Zijn er er ook geen dingen ten goede veranderd in de cultuur?
'Absoluut, maar de vraag is in hoeverre overheidsbemoeienis daar een rol bij heeft gespeeld. Mensen hebben meer vrije tijd en besteden die ook aan culturele zaken.’
Het aanbod is toch veel minder oudbakken geworden, zowel in het toneel als in de muziek?
Jan: 'Je ziet inderdaad een heel sterke produktdifferentiatie. Dat is waar de warenhuizen ook naar streven.’
Louki: 'Je bent wel in staat om alles te ontluisteren!’
WAT OOK MINDER IS geworden is het geloof dat kunst de houding van mensen zou kunnen veranderen. Jan: 'Het is niet zo dat ik daar heel anders over ben gaan denken, alleen de mate waarin de kunst mensen beinvloedt is veel bescheidener dan ik hoopte. Het veranderingspotentieel van de kunst bleek veel kleiner. Toch wil ik daar niet over klagen. Kunst heeft wel degelijk een mogelijkheid de houding van mensen te veranderen, alleen moet je dat niet tot programma maken, zoals Proloog deed. Het bewustzijn van kinderen veranderen door ze een toneelstukje over een kapitalist en een arbeider voor te schotelen, dat is nu niet aantrekkelijk meer. Eerder zoals Brecht het zag: je zit te kijken en denkt: ja, zo kan het ook. Het aanbieden van gedragsalternatieven is een van de mogelijke functies van kunst.’
HET INSTITUUT VOOR Theateronderzoek, waar Jan Kassies vervolgens directeur van werd, gaf veel schrijvers een kans - Judith Herzberg en Henk Bernlef bijvoorbeeld - om voor acteurs te schrijven. Het klimaat voor Nederlandse toneelschrijvers is mede daardoor wel degelijk verbeterd. Het werk van het Stimuleringsfonds voor Omroepprodukties sluit daar in zekere zin op aan, met bijvoorbeeld de cursussen voor scenarioschrijvers. Jan Kassies heeft dat Stimuleringsfonds niet zelf bedacht, maar vond het wel meteen leuk toen ze hem vroegen als voorzitter. Dat was ook zo met de VPRO. Jan: 'Ik zat in het bestuur en zag aankomen dat die dominees naar de bliksem gingen met dat verenigingetje. Ze zagen absoluut niet wat er in de wereld gebeurde. Toen het in '68-69 uitbarstte, was ik daar helemaal niet verbaasd over. Het was wel een curieus gebeuren.’
Hij lijkt er wel altijd bij te zijn als er veranderingsprocessen gaande waren. Jan: 'Ik heb er nooit zo op gelet, maar misschien zit er wel een bepaalde lijn in. Ik ben zelf ook door zoveel veranderingen heen gegaan en ik hoop het nog een tijdje mee te beleven en mee te maken. Natuurlijk zijn er ook gevaarlijke ontwikkelingen. Zo'n Mahlerfeest vind ik in meerdere opzichten verpletterend. Mahler is natuurlijk heerlijk, maar zo'n grootschalige manifestatie is erg bepalend voor het klimaat van het muziekleven en ik ben bang dat er kleinschalige dingen door worden weggedrukt. En die kleine schaal is heel belangrijk geworden. Toneelmensen maken nu veel vaker voor zesduizend gulden een produktie. Dat zou veel vaker moeten gebeuren, daarvoor zou er een basisinkomen moeten zijn voor theatermakers. Er is veel veranderd in Nederland, het klimaat is opener geworden. Maar het is maar betrekkelijk. Je verkijkt je daar snel op, als je hebt geprobeerd iets aan die geborneerdheid te doen.’
Louki: 'En nu is er weer een geweldige terugslag naar die benepenheid van het ikje voorop en de hebbedingetjes. Ik denk dat Jans depressie daar vandaan komt. En dan die verdomde ouder wordende lijven. Dat is ook niet gering.’
Is het voor haar niet moeilijk geweest thuis te zitten wachten terwijl Jan de buitenwereld te lijf ging? Louki: 'Het is niet leuk om een vrouw te zijn, ik was ook veel liever een man geweest, vooral omdat ik eigenlijk een onbehoorlijke geldingsdrang heb. Je denkt dat je zulke dingen hebt verwerkt als je ouder wordt, maar dat is niet zo. Me niet kunnen uiten, doordat ik niet meer kan dansen, dat is moeilijk. Van binnen gaat dat niet dood. Jan was veel op reis en sprak mensen die ik totaal niet kende, had natuurlijk ook avonturen in die grote buitenwereld. Maar het is niet alleen de aftakeling van het eigen lijf, ook de aftakeling van de wereld stemt je niet vrolijk. Niet zozeer voor ons, we hebben niet zo lang meer te gaan, maar voor de kinderen en kleinkinderen.’
Jan: 'Toch is er op bepaalde punten vooruitgang in de geschiedenis te bespeuren. De kindersterfte bijvoorbeeld is afgenomen, dat betekent minder verdriet voor vaders en moeders. De gezondheidszorg, de pil betekent een onvoorstelbare vooruitgang. En verder? Ik tippel in elk geval niet meer overal in.’
Louki: 'Ik wel, ik tippel net zo hard overal in, op dat punt ben ik helemaal niet vooruit gegaan.’