De spinozisten

Spinoza krijgt nog altijd niet de erkenning die hij verdient. Vinden veel spinozisten. Ondertussen worden steeds meer mensen lid van de Vereniging het Spinozahuis. En vechten de spinozisten onderling heftige controversen uit
Met dank aan Theo van Werf, secretaris van de Vereniging het Spinozahuis
ER ZIJN VAN SPINOZA bij zijn leven maar een paar portretten gemaakt. Een stuk of vier. Voor zover men weet is geen van die portretten echt naar het leven getekend. Ze lijken dan ook niet bijster op elkaar. Had hij nu een dikke neus, zoals op dat portret uit 1671, of een lange rechte, zoals op bijna alle andere afbeeldingen? Had hij een kinderlijke (1671), een weke vrouwelijke (1673) of een kalme mannelijke mond (1677)? Had hij bolle, vlakke of ingevallen wangen? Maar wat op alle portretten gelijk is, zijn de grote donkere ogen, gevat in geprononceerde oogleden, met daarboven fraai gewelfde wenkbrauwen. Alleen die ogen maken de portretten herkenbaar, zij verlenen iedere afbeelding de kracht van een icoon: ziehier Benedictus de Spinoza, de Gezegende, laaft u aan Zijn Wijsheid en gij zult de hoogste menselijke gelukzaligheid deelachtig worden.

Wie zich in de wereld van het spinozisme begeeft, komt overal weer die ogen tegen. Ze kijken je aan, nee, ze leggen hun wijze blik op je vanaf de kaften van boeken, vanaf de wanden van studeer- en werkkamers, en in het Rijnsburgse Spinozahuisje zelfs vanaf alle muren tegelijk, en ook nog eens vanuit de tuin, waar een groen verweerd beeldje naar binnen staat te turen.
BIJ THEUN DE VRIES hangt, in de hoek van zijn kamer, een heel fraaie Spinoza- icoon, speciaal voor hem vervaardigd door Eppo Doeve. Die prijkt ook op de biografie die De Vries van Spinoza schreef, althans op de vierde, herziene en uitgebreide druk daarvan, die in 1991 bij De Prom verscheen, bijna twintig jaar na de eerste druk bij uitgeverij Becht, die op zijn beurt weer volgde op de oorspronkelijke Duitse versie in de beroemde Rororo-reeks van uitgeverij Rowohlt.
Hoe kwam de schrijver ertoe zich ineens diepgaand met Spinoza te gaan bezighouden? ‘O nee, dat was helemaal niet ineens, ik kende hem al in de jaren dertig. Toen kwam ik hem bijna dagelijks tegen op de Paviljoensgracht in Den Haag, althans dat standbeeld van hem. Wat is dat voor man, vroeg ik me toen al af, welk leven, welke wijsheid gaat er achter die ogen schuil?’
Als het over de mens Spinoza gaat, praat De Vries op inlevende, haast sentimentele toon: 'Het is buitengewoon aandoenlijk dat een van de grootste filosofen van het mensdom - of de grootste zelfs, vind ik - in Nederland zo sober, teruggetrokken, bijna op de grens van armoe heeft geleefd in kleine huisjes, bij kleine mensen in de kost. Hij was niet in de gelegenheid om onder zijn eigen naam te publiceren, hij was tuberculeus, hij stierf jong. Daar zit een enorm pathetische kant aan.’
Maar uiteindelijk gaat het De Vries niet om Spinoza’s mooie, droeve ogen. 'Het belangrijkste vind ik Spinoza’s eis aan de mens zich te emanciperen tot een redelijk wezen dat afstand heeft gedaan van vooroordelen en dat een heldere en tolerante blik op de samenleving heeft. Dat was destijds een utopie, een schitterende utopie. Spinoza geloofde dat je, met het nodige geduld, tot een zekere menselijke volmaaktheid kunt komen. Maar’, zo voegt hij er, atypisch voor de marxist die hij is of was, aan toe, 'ik geloof dat niet, ik geloof niet dat die volmaakte mens ooit zal komen.’
Was Spinoza misschien zelf die volmaakte mens?
'In zekere zin wel. Het is ongelooflijk wat hij aan geduld, aan verdraagzaamheid heeft opgebracht. Hij is maar een paar keer in zijn leven erg kwaad geweest. Zoals na de moord op de gebroeders De Witt. Verder is er bijna geen enkel voorbeeld bekend dat hij zijn gelijkmoedigheid verloor.’
BEWONDERING VOOR de mens, waardering voor de leer - maar wie zijn biografie leest ontkomt niet aan de indruk dat De Vries’ diepste interesse ligt bij de historische achtergronden van Spinoza. Hetgeen niet verwondert bij een man die in de jaren dertig debuteerde met een bekroonde roman over Rembrandt en sindsdien meer dan eens in historische vertellingen de zeventiende eeuw heeft opgezocht. Zijn Spinoza-biografie handelt evenzeer over Amsterdam, de republiek en de intellectuele cultuur van die dagen als over de man zelve. Je vraagt je dan ook af waarom hij van zijn Spinoza-boek geen vie romancee heeft gemaakt. Maar wat de fictie betreft is het bij een filmscript gebleven, voor Joris Ivens. Van verfilming is het echter nooit gekomen; na het debacle van Tijl Uilenspiegel had Ivens de speelfilm definitief de rug toegekeerd. Het script werd een mooi boekje bij Querido, verluchtigd met tekeningen, onder de titel De gezegende.
En dan waren er nog twee hoorspelen. 'Mijn biografie was net klaar, het was ongeveer 1970. De NCRV vroeg mij een hoorspel over Spinoza te maken. Toen kreeg ik het idee van Spinoza op zijn sterfbed die nog eenmaal spreekt met personen die in zijn leven een bijzondere rol hebben gespeeld. Ik noemde het “gesprekken op de grenslijn”. Met zijn moeder, met zijn leraar Franciscus van den Enden, met Adriaan Koerbagh, spinozist van het eerste uur, met regenten. Ik vond het zelf wel een mooi gegeven. Ik was dan ook min of meer geschokt toen toneelgroep De Appel met een stuk over Spinoza kwam dat ongeveer op dezelfde manier in elkaar stak, het was van een Duitser. Vreemd he. Ik heb er nog met Erik Vos van De Appel over gepraat. Die zei, het is absoluut geen plagiaat, meer een soort merkwaardige gelijktijdigheid. Het was in ieder geval na mijn hoorspel, dat geeft wat zielerust.’
Na enig peinzen voegt de zevenentachtigjarige schrijver eraan toe: 'En ik moet nog een hoorspel hebben gemaakt, maar ik weet op het ogenblik waarachtig niet hoe dat zat. Ik heb een beeld van een soort dialoog waarin Spinoza spreekt met Redelijkheid, Onverstand, Staatkunde, enfin, met een aantal abstracte instanties. Het was geloof ik voor de Avro, ik moet dat nog eens nakijken.’
DE HISTORISCHE kwestie die De Vries het meest bezighoudt, is wat hij 'de geboorte van het spinozisme’ noemt. 'Het is nog steeds niet precies duidelijk hoe Spinoza vanuit het jodendom een volledig vrije en autonome denkwijze voor zichzelf heeft ontwikkeld. Daarom is het interessant om te zien met welke mensen hij is omgegaan. Welbeschouwd nam Spinoza al uit het jodendom vrijgevochten ideeen mee, ontleend aan middeleeuwse joodse denkers die eigenlijk ook al ketterse opvattingen hadden. Vervolgens had hij allerlei contacten met Amsterdamse kooplieden, onder wie veel doopsgezinden, remonstranten, collegianten, niet-gereformeerden. En daarna, nadat hij uit de joodse gemeenschap was gestoten, werd hij opgenomen in de school van Franciscus van den Enden, een vrijgevochten man met geniale trekken. Guido van Suchtelen, de zoon van Spinoza-vertaler Nico van Suchtelen, heeft een boek over die man geschreven, waaruit blijkt hoe veelzijdig en radicaal hij was.
Het hoofdstuk waarmee ik de laatste editie van mijn Spinoza-biografie heb uitgebreid, gaat over die Van den Enden. Daarin heb ik de ontdekking verwerkt die Wim Klever een jaar of vijf geleden deed. Hij stuitte op politieke geschriften van Van den Enden in de Bibliotheque Nationale te Parijs. De Fransen konden er niets mee, ze konden ze niet lezen.
Uit die geschriften blijkt dat Van den Enden allengs radicaler is geworden. Hij is naar Parijs gegaan, waar hij onder meer betrekkingen aanknoopte met tegenstanders van Lodewijk XIV. Die beraamden een komplot tegen de despoot, dat op het laatst werd verijdeld, verraden. Onze vriend Van den Enden, toen al zo'n 67 jaar oud, heeft het met de dood moeten bekopen: hij werd opgehangen. Een treurige geschiedenis. Spinoza moet er erg van onder de indruk zijn geweest, maar daar zijn geen aanwijzingen voor. Volgens mij hebben degenen die zijn nagelaten werken en zijn brieven uitgaven, het niet aangedurfd uitlatingen van Spinoza over Van den Endens levenseinde te publiceren. Ik denk dat er een aantal documenten is vernietigd.’
De Vries heeft veel waardering voor het historische graafwerk van Wim Klever, de met regelmaat omstreden Spinoza-vorser van de Rotterdamse Erasmus Universiteit. 'Klever heeft heel veel details verzameld over allemaal bijfiguren uit Spinoza’s leven. En hij heeft ook een uiterst interessante studie geschreven over Spinoza als opticien. Hij heeft laten zien dat Spinoza niet zomaar leverancier van vergrootglazen aan Christiaan Huygens was, maar dat hij ook heel nauw betrokken was bij diens onderzoek. Spinoza heeft een duidelijk wetenschappelijke kant, dat is wat Klever overtuigend aantoont.’
Maar Klevers fanatieke idolatrie is De Vries vreemd. 'Klever is helemaal verzot op hem, die heeft zich bijna met hem geidentificeerd. Zo is het met mij niet. Ik heb Spinoza heel hoog en ben gefascineerd door zijn leer, niet in de laatste plaats omdat ik in hem, oude marxist als ik ben, een materialistisch denker herken. Marx was een groot bewonderaar van Spinoza, vooral omdat hij had vastgesteld dat alles met een zekere onverbiddelijke noodzakelijkheid gebeurt. De grote bewegingen van de natuur en van de geest zijn gebonden aan processen van noodwendigheid, het is geen los toeval, geen gril. Voor Marx was dat een aantrekkelijk gegeven. En, zegt Spinoza dan, als je begrijpt dat alles volgens een zekere noodzaak in elkaar steekt, dan pas ben je vrij. Je bent niet vrij als je niets begrijpt.’
NET ALS IEDEREEN die Spinoza’s Ethica tot en met de laatste stelling heeft uitgelezen, zo lijkt het, is ook Theun de Vries lid van de Vereniging het Spinozahuis. De vereniging telt rond de achthonderd leden, groeit nog steeds en bereidt zich voor op haar honderdste verjaardag in 1997. De Vries heeft, het klinkt curieus, een band met de vereniging die die volle honderd jaar omspant. 'Willem Meijer, de allereerste secretaris van de vereniging, was in het bezit van een beroemd boek, Der junge Spinoza van Dunin Borkowski, een Poolse jezuiet. Dat boek gaat over middeleeuwse joodse filosofen door wie Spinoza zou kunnen zijn beinvloed. Meijer gaf dat boek aan Van der Tak, zijn opvolger als secretaris van de vereniging. Die heeft het weer overgedaan aan de Rotterdamse advocaat Dirkzwager, ook een vurig spinozist. Dirkzwager heeft het aan mij gegeven en ik heb het verleden jaar aan Klever gegeven met de opdracht om het weer aan een jongere spinozist door te geven.’
Meijer en Van der Tak bepaalden het vooroorlogse gezicht van de vereniging. Dat was vooral een rationalistisch gezicht, een gezicht dat momenteel nog steeds domineert, maar dat in de jaren twintig en dertig moest opboksen tegen een meer mystieke interpretatie van Spinoza, verwoord met name door de jurist en wijsgeer J. H. Carp, voorzitter van de rivaliserende stichting Domus Spinozana. Carp schreef in 1937 een boekje over staatsleer op spinozistische grondslag, waarin hij de onvermijdelijke opkomst van de 'volksgemeenschap’ voorspelde. Met diezelfde onvermijdelijkheid werd Carp in de oorlog lid van de NSB, hetgeen na de oorlog leidde tot de opheffing van Domus Spinozana en het doodbloeden van de idiosyncratische opvattingen van Carp en de zijnen.
De Vereniging het Spinozahuis en Domus Spinozana rivaliseerden nog op een ander vlak. Ze beheerden beide een huis waar Spinoza geleefd heeft: de vereniging het huis in Rijnsburg en de stichting het huis aan de Haagse Paviljoensgracht. Toen in het begin van de jaren zeventig de stichting die het bezit van Domus Spinozana beheerde, het Haagse huis aan de vereniging schonk, werd dat haar door iedereen in dank afgenomen, behalve door de voorzitter. Zijn bezwaar: het huis had in het verleden als bordeel dienst gedaan en werd nog steeds omgeven door bordelen. Ter redding van zijn pruderie trad hij af.
Wie dergelijke bezwaren in ieder geval nooit zou hebben gehad, is de man die in 1899 de feestelijke toespraak hield bij de ingebruikneming van het Spinozahuis te Rijnsburg - een wijsgeer die ooit een merkwaardig cultuurfilosofisch pleidooi hield voor bordelen: G. J. P. J. Bolland. Diens probleem met Spinoza lag op een ander vlak: de joodse afkomst van de denker. Maar daar redde Bolland, bekend als Hegels buikspreker ten onzent, zich met grootse dialectische souplesse uit. De feestredenaar verzekerde zijn publiek 'hoezeer de wijze jood met de geestesgeschiedenis van het Nederland der zeventiende eeuw valt saam te denken’, en vervolgde: 'Ik reken op eene als van zelve sprekende instemming aller aanwezigen, wanneer ik het niet eens geheel betamelijk noem, in het bijzijn hier van hooggeachte joodsche landgenooten de zelf iet en wat potsierlijke verzekering uit te spreken, dat een geboren Nederlander, die Nederlandsch op onzen grond gedacht heeft en gesproken en Nederlanders tot vrienden heeft gehad, van zijne verdiensten en zijne eerwaardigheid door eene Semitische afkomst in onze oogen niets verliezen kan.’
De vraag rijst: zou deze gedoger der prostitutie, ware hij na de oorlog bestuurslid van de vereniging geweest, misschien wel bezwaren hebben gehad tegen het feit dat in het Rijnsburgse huisje tijdens de oorlog twee joodse vrouwen zaten ondergedoken?
HET RIJNSBURGSE HUISJE, een goed onderhouden, zeventiende-eeuws chirurgijnenwoninkje te midden van naoorlogse nieuwbouw, wordt nog altijd bewoond en beheerd door een vrouw van wie men zich maar al te goed kan voorstellen dat die in de oorlog joden hielp onderduiken. Rondborstig, steil, Hollands-hartelijk laat mevrouw Van Dam de bezoekers binnen. Een bestuurslid van de vereniging is gekomen om toelichting te geven: Kitty Gokkel- Egyedi, geboren als dochter van een Hongaarse tandarts te Indonesie, zelf ook tandarts - zij het niet praktizerend - en zoals ze zelf zegt 'de enige niet-hooggeleerde persoon in het verenigingsbestuur’.
Zij laat de twee kamers zien die Spinoza bewoonde, de ingenieuze houten werkbank waaraan hij zijn lenzen sleep, het indrukwekkende, bijna een eeuw oude gastenboek met de handtekeningen van Einstein en de koningin erin, en natuurlijk de verschillende portretten van Spinoza. 'Kijk, hier is een afbeelding van een Italiaanse roverhoofdman waarvan iemand uit de kring van Spinoza ooit gezegd heeft dat die sprekend op hem leek.’
Inderdaad, die ogen.
Wat boeit een ex-tandheelkundige uit Bloemendaal in vredesnaam zo aan Spinoza? Op die vraag heeft ze zich voorbereid. Uit haar tas haalt ze een in kleurig fluweel gebonden exemplaar van de Ethica tevoorschijn. Het is haar bijbel, waaruit ze wijsheden put voor het praktische leven van alledag. Bijvoorbeeld voor de dagelijkse strijd tegen vooroordelen. 'Ik zal de betreffende stelling even voorlezen’, zegt ze en slaat moeiteloos de pagina op waar die staat. Ze blijkt volgekrabbeld met minuscule aantekeningen.
'Spinoza schrijft hier: “Als iemand door de ander die tot een andere stand of natie behoort blij of droevig gestemd is geworden, met de voorstellng van die persoon als oorzaak der aandoening, maar alleen inzoverre hij in het algemeen tot die stand of die natie behoort, dan zal hij niet alleen die persoon maar allen die tot dezelfde stand of natie behoren beminnen of haten.” Dus als je alleen maar afgaat op je eigen gevoelens van sympathie of antipathie, en niet verder kijkt, ben je geneigd tot vooroordelen tegenover alle vertegenwoordigers van die stand of natie. Wil je dat vermijden, dan kan dat alleen door je verstand te gebruiken en de dingen wat objectiever te bekijken.’
MET EEN KORDAAT 'Ik heb een lekker bakkie koffie gezet, heppu trek?’ onderbreekt mevrouw Van Dam de verdere exegese van de stelling. Kitty Gokkel zet dan haar persoonlijke motieven om Spinoza te bestuderen uiteen: 'Als je een gevoelsmens bent zoals ik, dus moeite hebt om redelijk te zijn, kun je een geweldige steun hebben aan Spinoza. Ik leer van hem dat het goed is af en toe wat meer secundair te zijn en een tijdje je mond te houden en na te denken voor je een positie inneemt. Hij heeft mijn leven verdiept. Ik ben er sterker door in mijn schoenen komen te staan. Vroeger dacht ik vaak in nieuwe situaties, o, dat kan ik niet aan. Spinoza beschrijft die onzekerheid in de Ethica en heeft er weinig goede woorden voor over. Een beetje moediger zijn, dat leer ik ervan.
Nee, ik heb geen behoefte andere filosofen te lezen, ik ben met dit boek volmaakt tevreden. Ik heb ook de andere boeken van Spinoza niet echt bestudeerd, behalve Over de verbetering van het verstand, een boek dat bedoeld is om het ons makkelijker te maken redelijk te leven. Dat boek gaan we binnenkort op de vereniging in een serie bijeenkomsten met elkaar bespreken.
Het zou zelfs kunnen dat wanneer ik me meer in de politieke geschriften van Spinoza zou verdiepen, ik de neiging zou hebben tegen een aantal opvattingen van hem aan te schoppen, omdat ik het er absoluut niet mee eens kan zijn. Er zijn best wel dingen bij Spinoza waar ik me aan stoor. Zoals aan dat verhaal over hem dat hij heel erg moest lachen toen hij zag hoe een vlieg door een spin werd opgegeten. Maar toen ik de Ethica las, ging ik dat verhaal in een heel ander licht zien. Toen besefte ik dat mensen dat verhaal vertekend hebben weergegeven, dat hij gewoon belangstelling had voor hoe de natuur is, hoe het dierenrijk werkt en hoe dat lijkt op de omgang van mensen met elkaar.
Ja, ik moest wel grinniken bij de passages waarin Spinoza het heeft over de vrouwelijke sentimentaliteit, over hun medelijden met dieren. Ik vond dat eigenlijk wel grappig. Maar ik heb ook begrepen uit een mooie lezing op een van onze bijeenkomsten dat Spinoza in de praktijk geen onderscheid maakte tussen mannen en vrouwen, of tussen burgers en arbeiders. Wel vond hij dat vrouwen en arbeiders niet geschikt zijn om te oordelen over de beste staatsvorm omdat ze zo door hun bezigheden worden opgeslokt dat ze nauwelijks tijd hebben om diep na te denken.’
DIE KWESTIE BLIJKT onder spinozisten een heikel punt te zijn. Vorig jaar nog lokte Wim Klever heftige reacties uit met zijn verdediging van Spinoza’s opvatting over vrouwen. Uit het historische feit dat mannen en vrouwen nooit succesvol samen hebben geregeerd en het psychologische feit dat mannen maar al te vatbaar zijn voor de vrouwelijke bekoorlijkheden, concludeerde Spinoza dat 'het niet kan gebeuren dat beide seksen gelijkelijk regeren, en nog veel minder dat mannen door vrouwen geregeerd worden’. In Een nieuwe Spinoza, een bundel prikkelende columns over de wijsgeer, noemt Klever Spinoza op dit punt 'glashelder’ en 'onweerlegbaar’. 'Dat we er niet vrolijk van worden, is een andere zaak.’
Op zijn zolderkamer in Capelle aan de IJssel, een ruimte volgestouwd met spinozania, werkt Klever de argumentatie verder uit: 'Mannen hebben meer kracht, redeneert Spinoza. En er is een absolute afstemming tussen ziel en lichaam. Naarmate een lichaam meer geschikt is om een grotere verscheidenheid aan indrukken te ontvangen, is de ziel ook meer geschikt om te denken. Er is een absolute correlatie tussen lichaamskracht, gedrag en intelligentie. En mannen zijn nu eenmaal krachtiger dan vrouwen, op de Olympische Spelen zijn er niet voor niets aparte wedstrijden. Ik heb zelf drie dochters, mij was het ook liever dat het anders was. Maar het is niet zo. Een van mijn dochters klaagt erover dat ze in vergaderingen zo hard moet schreeuwen om de aandacht te krijgen, terwijl mannen die veel gemakkelijker krijgen omdat ze een zwaardere stem hebben. Tja, dat is gewoon een gegevenheid, een institutum zoals Spinoza zegt.’
Klevers pad pad door de wereld van het spinozisme is geplaveid met controversen. Te beginnen bij zijn eerste voordracht voor de Vereniging het Spinozahuis, halverwege de jaren zeventig. 'Ik heb toen de kritiek van Hegel op Spinoza verdedigd, wat een heftige discussie uitlokte.’ Het werd het begin van zijn afscheid van Hegel en zijn ommezwaai naar Spinoza. 'In Amsterdam, waar ik bibliothecaris was aan de universiteit, was ik in de ban geraakt van Hegel. Dat kwam doordat ik de Bolland-collectie onder mijn beheer had - ik heb nog een boekje geschreven over de jeugd en Indische jaren van Bolland. Ik ben later erg op hem afgeknapt, ik werd er kotsmisselijk van.’
Begin jaren tachtig zorgde hij opnieuw voor opschudding door het op te nemen voor het boek De wilde anomalie, een politieke verhandeling over Spinoza, geschreven door de radicale Italiaanse politicus en terrorist Antonio Negri toen die een jaar in de gevangenis zat. 'Anarchisme hoort bij Spinoza’, vind hij nu nog steeds. 'Een anarchistische vorm van democratie is de beste manier om het met elkaar te rooien - dat is de pointe van Spinoza’s politieke theorie.’
De laatste jaren zorgde Klever voor het nodige rumoer door om de haverklap met nieuwe ontdekkingen te komen die, naar hij een en andermaal beweerde, het Spinoza- beeld volledig op zijn kop zetten. Eind vorig jaar nog haalde Klever de voorpagina’s van de landelijke dagbladen met een spectaculaire vondst. Hij was gestuit op aantekeningen van Spinoza in een exemplaar van zijn postume (!) werken. Er volgde een onverkwikkelijk debat met andere Spinoza- vorsers, die de ontdekking onbestaanbaar achtten. Piet Steenbakkers van de Utrechtse universiteit in Filosofie Magazine: 'Klever heeft allerlei ingewikkelde constructies nodig om zijn theorie hard te maken. Je kunt natuurlijk verzinnen wat je wilt, je kunt zelfs nog verzinnen dat Spinoza in 1677 niet gestorven is, maar is verdwenen om op de achtergrond zijn werk te redigeren. Mijn aanpak zou anders zijn, ik zou de conclusie aan de feiten aanpassen in plaats van omgekeerd.’ Waarop Klever in hetzelfde artikel antwoordt: 'Het is een feit dat sommige aantekeningen van Spinoza komen. Over een feitelijke toedracht heb je nooit wiskundige zekerheid, maar wel een morele, een term die Spinoza zelf noemt. En die morele zekerheid heb ik.’
'Dat de studie van Spinoza blijkbaar niet bijdraagt tot een verstandige manier van communiceren, hebt u de afgelopen maanden wel kunnen zien, toen ik me in gesprekken met journalisten meer heb laten leiden door ijdelheid dan door verstandig inzicht’, zegt Klever nu. Eerder had hij ook al in zijn openbare college, november vorig jaar, zijn spijt betuigd over de weinig elegante manier waarop hij het debat in de pers had gevoerd. Dat verhindert hem echter niet heilig in zijn ontdekking te blijven geloven. 'Neem die ene fantastische aantekening bij zijn stelling dat de mensheid wellicht voor altijd in de duisternis van de godsdienst zou zijn blijven steken, ware het niet dat de matesis - dat moet je eigenlijk met wetenschap vertalen - een andere waarheidsnorm had getoond. Hij voegt daar vervolgens aan toe dat er nog vele andere oorzaken dan die matesis zijn om tot inzicht te komen. Iedereen vroeg altijd: wat zijn dan die andere oorzaken? Welnu, in die aantekeningen, die van Spinoza zelf moeten zijn, noemt hij als een van die oorzaken de “aandacht voor de verscheidenheid der ervaring”. Die verscheidenheid staat voor iedereen open, daar hoef je geen wetenschap voor te bedrijven of Spinoza voor te lezen. Een buitengewoon verhelderende toevoeging, zou ik zeggen.’
TROTS LAAT KLEVER zijn boekerij zien. Planken vol met verhandelingen van en over Spinoza. Met name de internationale bundels met congresbijdragen laat hij graag zien, omdat daarin niet zelden een bijdrage van zijn eigen hand staat. Hij somt de verschillende Spinoza-verenigingen op: 'In Frankrijk heb je de Association des Amis de Spinoza, in Spanje heb je het Seminario Spinoza, in Duitsland het Spinoza Gesellschaft, in Italie de Associazione degli Amici di Spinoza, in Japan heb je de Spinoza Kyokai, en ook in Israel en Amerika zijn er verenigingen. Ik ben van de meeste clubs lid en bezoek regelmatig hun congressen.’
Klever heeft daarbij wel zo zijn voorkeuren: 'De Amerikanen bijvoorbeeld kunnen helemaal niet met Spinoza omgaan. Ik erger me daar iedere keer weer aan op internationale congressen. Ze hebben de neiging iedere grote filosoof meteen als hun gelijke te beschouwen, ze gaan er meteen mee in debat in plaats van eens goed te studeren en te luisteren.
Zo is er een Amerikaan die in Spinoza een liberaal avant la lettre wenst te zien. Dat idee wil ik ten heftigste bestrijden. Spinoza is een voorstander van een sterke staat, haast een totalitaire staat, maar het is wel een staat van de burgers, die met elkaar uitmaken welke ruimte er voor elke burger apart en voor elke niet-burger is. Met die gedachte zou Spinoza nu een revolutionair zijn. Het systeem waarin wij leven is partitocrazia en als Spinoza iets verderfelijk vindt, is het wel partijpolitiek. Hij heeft een afkeer van representatieve democratie, hij zou een voorkeur hebben voor een federatief systeem, een federatie van stedelijke en districtsdemocratieen, waar de soevereiniteit aan de basis ligt.’
Zou het, gezien de grote verscheidenheid aan verenigingen, niet eens tijd worden voor een overkoepelende internationale vereniging? 'Dat is wel eens geprobeerd. Yirmeyahu Yovel heeft op een bijeenkomst in Israel voorgesteld zo'n internationale Spinoza-vereniging op te richten. Maar daar hadden we geen zin in, want anarchisme is ons erg lief, we houden niet van hierarchie. Bovendien wisten we dat Yovel zelf maar wat graag president van die vereniging wilde worden.
Daar komt nog bij dat ik vind dat mensen als Yovel haast alleen maar oog hebben voor de joodse bronnen van Spinoza en de andere bronnen nauwelijks zien. Hij trekt een lijn van Maimonides naar Spinoza, wat absurd is als je bedenkt dat Spinoza zelf het standpunt van Maimonides fel heeft bestreden. En ook zijn idee dat Spinoza een pleitbezorger van een seculiere maatschappij zou zijn, zit er helemaal naast.’
MAAR DAN ZAT David Ben Goerion er ook naast. De eerste premier van de staat Israel stond bekend als een vurig bewonderaar van Spinoza, juist omdat de wijsgeer de weg naar een seculiere joodse maatschappij zou hebben gewezen. In verschillende artikelen prees hij de verdiensten van 'het genie uit Amsterdam’ en plaatste hij hem op gelijke hoogte met, inderdaad, Maimonides, de twaalfde-eeuwse joodse arts en wijsgeer.
Het lijkt een echte kwestie, de vraag of Spinoza nu wel of niet een joodse denker is. En in het verlengde daarvan speelt de vraag of de cherem, de excommunicatie van Spinoza door de Portugees-joodse gemeenschap van Amsterdam in 1656, nu moet worden herroepen of niet. Ben Goerion vond van niet. Hij was van mening dat de cherem zijn historische betekenis had maar niet langer bindend was, omdat de halacha, de joodse religieuze wet, in zijn ogen geen autoriteit meer had.
Dat standpunt stuitte uiteraard op verzet bij religieus-joodse politici in Israel. Toen in 1956 op het Haagse graf van Spinoza een uit Israel afkomstige, basalten steen met het Hebreeuwse opschrift 'Amcha’ ('Jouw volk’) werd aangebracht en in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de staat Israel werd onthuld, stelden rechtse Knessetleden kritische vragen, die door minister van Buitenlandse Zaken Golda Meir resoluut werden gepareerd.
Maar was Spinoza wel een joodse denker? Yirmeyahu Yovel heeft een ingewikkelde constructie nodig om dat aan te tonen. Terwijl Spinoza alom gewaardeerd wordt voor zijn helderheid en ondubbelzinnigheid, komt Yovel met de stelling dat Spinoza met vele tongen sprak. 'Spinoza was een grootmeester in dubbelzinnig en verhullend taalgebruik. Hij kon aparte publieken aanspreken door gebruik te maken van verschillende betekenissen van eenzelfde bijbelvers of uitdrukking. Hij kon zijn ware bedoeling verhullen voor de ene groep lezers, terwijl hij die aan de andere blootgaf. Hij was in staat een verborgen boodschap door te geven door middel van een uitdrukking met een tegenovergestelde letterlijke betekenis.’ Dat riekt naar een exegetische methode waarmee je alles van iedereen kunt beweren.
Voor anderen bestaat er geen enkele twijfel dat Spinoza volledig met het jodendom had gebroken. 'Ik wijs alleen maar even op het boekje De gezegende van Theun de Vries’, zegt Klever. 'Daarin staat die mooie tekening van Spinoza die aan het water een boek zit te lezen terwijl tezelfdertijd in de synagoge de ban over hem wordt uitgesproken. Dat illustreert zo mooi dat Spinoza al lang vertrokken was uit de gemeente. Voor hem had die excommunicatie nauwelijks betekenis.’
WIE ER OOK GEEN moeite mee heeft om Spinoza buiten het jodendom te plaatsen, is Nathan T. Lopes Cardozo, opgegroeid in een liberaal-joods gezin te Amsterdam ('Spinoza’s naam was een huis-, tuin- en keukenwoord bij ons’) en momenteel rabbijn te Jeruzalem. 'Het lijkt mij onmogelijk hem een joodse denker te noemen’, laat hij desgevraagd via de fax weten. 'Zijn pantheisme valt niet met het jodendom in overeenstemming te brengen, zelfs niet met het liberale jodendom. Pantheisme is nu eenmaal de leer die elke persoonlijkheid aan God ontzegt. Voor Spinoza is God het totaal van alle dingen maar niet de schepper ervan. Dus alleen immanent. Voor het jodendom is God niet alleen immanent maar ook transcendent.’
Lopes Cardozo wijst erop dat Spinoza slechts een zeer gebrekkige kennis had van het jodendom. 'Spinoza werd opgevoed binnen de muren van een joodse gemeenschap die maar net uit Portugal en Spanje naar Nederland was gekomen. Na jarenlang door de inquisitie in de katholieke leer te zijn onderwezen wenste men terug te keren naar het jodendom. Hieruit ontstond de welbekende Portugese Israelitische Gemeente te Amsterdam, waar ik ook toe behoor. Maar deze gemeenschap bestond uit voormalige crypto-joden, die vele generaties lang van het jodendom waren afgesneden. Joodse waarden hadden deze mensen niet meegekregen.’
De rabbijn meent voorts dat Spinoza het antisemitisme in de kaart heeft gespeeld. 'Het kan moeilijk worden ontkend dat veel filosofen Spinoza’s kritiek op het jodendom hebben gebruikt om hun anti-joodse gevoelens te voeden. De Duitse kantiaan Herman Cohen noemde Spinoza de aanklager van het jodendom par excellence. Of dat heeft bijgedragen tot de opkomst van het nazi-regime, blijft een open vraag.’
En over Ben Goerion schrijft Lopes Cardozo: 'Diens fascinatie voor Spinoza was vooral het gevolg van zijn minimale kennis van het jodendom. Hij zag Spinoza ten onrechte als de ideale moderne jood. Hij heeft niet begrepen dat met een instelling als die van Spinoza het joodse volk nimmer een staat had kunnen bouwen of zelfs maar in leven had kunnen blijven. Ik denk ook niet dat Spinoza zelf zo ingenomen zou zijn geweest met Ben Goerions poging tot eerherstel. Uiteindelijk heeft Spinoza met het joodse volk gebroken en men doet de geschiedenis onrecht aan door hem nu opeens als jood op te eisen.’
'SPINOZA WAS HOE dan ook een vreemdeling in een vreemd land. Ook al maakte hij geen deel meer uit van de joodse gemeenschap, toch werd hij nog altijd als vreemdeling behandeld. Er bestaan brieven van Christiaan Huygens, waarin Spinoza consequent als “de Jood” wordt aangeduid.’
Marin Terpstra, Spinoza-vorser aan de Nijmeegse universiteit en gepromoveerd op een proefschrift over Spinoza’s politieke filosofie, ziet in de joodse achtergrond van de denker een belangrijke verklaring voor diens politieke standpunten. 'In een klein boekje over de politieke tradities van de diaspora-joden heb ik recent ontdekt dat de joodse kolonies door de eeuwen heen de neiging hebben gehad om coalities te sluiten met de hoogste overheden. Ze zochten steun en bescherming altijd bij de hoogste macht, en in de meeste gevallen met succes. Dat kon natuurlijk ook omdat de joden iets te bieden hadden, met name op intellectueel en financieel vlak.’
Die neiging om met de hoogste macht te pacteren vind je volgens Terpstra terug in Spinoza’s politieke filosofie. In zijn proefschrift (De wending naar de politiek: Over de begrippen potentia en potestas bij Spinoza) bestrijdt hij de opvatting van Antonio Negri dat Spinoza een principieel criticus van de heersende machten zou zijn geweest. 'Negri ziet de filoofie van Spinoza als een strijd tussen het dynamische principe, potentia, en de institutionele macht, potestas, dat wil zeggen de politieke macht, de rechtsmacht, de vaderlijke macht. Negri stelt Spinoza voor als een “wilde anomalie”, een ongerijmdheid in het vroege kapitalisme, omdat hij een radicaal anti-institutioneel perspectief zou hebben geschetst. Die spanning tussen institutionele macht en de kritiek daarop vind je inderdaad wel bij Spinoza. Maar hij kiest uiteindelijk onvoorwaardelijk voor de institutionele macht, hij is een heel traditioneel denker.
Daarin verschilt Spinoza ook uitdrukkelijk van Van den Enden. Die komt uit de protestantse traditie, de koningsmoordtraditie, de traditie van het recht om in opstand te komen als de hoogste macht de ware religie onderdrukt. Daar ligt een groot verschil. Klever heeft dan ook geen gelijk wanneer hij Van den Enden als een soort proto-Spinoza voorstelt. Met name in Spinoza’s werk na het rampjaar 1672, toen de gebroeders De Witt werden vermoord en het stadhouderschap werd hersteld, zie je duidelijk een aanvaarding van de aristocratie.’
In Terpstra’s proefschrift is voorts een opmerkelijke rol weggelegd voor de omstreden Duitse rechtsfilosoof Carl Schmitt. 'Schmitt behoort tot de conservatieve intellectuelen die in 1933 met het nationaal-socialisme zijn meegegaan en er in 1938 achter kwamen dat ze volstrekt misgegokt hadden. In die tijd publiceerde hij een boek over Thomas Hobbes, een tijdgenoot van Spinoza. Daarin heeft Schmitt het voortdurend over “der Jud Spinoza”. Maar hij geeft diens ideeen wel knap weer. Hij laat zien dat bij Hobbes de staat alle macht toekomt, maar dat hij tegelijk beweert dat iedereen “in secret” toch vrij blijft. Welnu, die verborgen vrijheid, zegt Schmitt, is het zaad van de geheime genootschappen, van de vrijmetselarij die vanaf de Franse revolutie doorbreekt en tot het zo verfoeilijke liberalisme heeft geleid. En dat zaad, zegt hij, is ontdekt door Spinoza. Die stelt letterlijk dat niemand de macht heeft om te bepalen wat iemand denkt. Dat nu ziet Schmitt als de subversieve impact van “der Jud Spinoza” - en in die beoordeling ligt ook een hoop bewondering.’
TERPSTRA’S WEG naar Spinoza begon echter niet bij Negri en niet bij Schmitt, maar bij Louis Althusser, de Franse marxist die eind jaren zeventig grote populariteit genoot in het Nijmeegse. Althusser beroept zich regelmatig op Spinoza. 'Toen ben ik Spinoza gaan lezen en ik moet zeggen dat hij me meer greep dan Althusser. Het was alsof ik daarin iets van mezelf tegenkwam. Misschien kwam het doordat ik geen gymnasiale achtergond had; ik kwam van HBS-b, ik was mathematisch ingesteld. Ik denk ook dat het ambachtelijke van Spinoza me aansprak, het functionele, zakelijke taalgebruik. En ook zijn materialistische kijk op de wereld. Hij is niet zo'n filosoof die zich opsluit in een geestelijke spookstad, zijn filosofische wereld is een wereld van steen en vlees. Spinoza is niet voor niets de eerste filosoof die het geestelijke en lichamelijke op een lijn stelde.
De fout die mensen als Negri maken is dat ze Spinoza’s politieke opvattingen willen afleiden uit zijn filosofie. Maar Spinoza’s politieke opvattingen hebben direct betrekking op de bestaande wereld. Er is bij hem sprake van een heuse wending naar de politiek. Hij schreef zijn Theologisch-politiek traktaat in het besef dat er buiten zijn filosofische universum dingen gebeuren die relevant zijn. Zoals de politiek die in Nederland werd gevoerd ten aanzien van de godsdiensten: de vraag of cartesianen aan de universiteit mochten doceren en of ze met theologen in discussie mochten gaan. Daar gaat zijn traktaat over. Daarin betoogt hij dat het beperken van de ideeenvrijheid uiteindelijk ten nadele van de staat uitpakt. De overheid reageerde daarop met het verbieden van het traktaat.
Als je me vraagt waar Spinoza in het huidige politieke spectrum zou staan, dan zeg ik: ik kan me niet voorstellen dat je als spinozist een soort plat rechts kunt verdedigen, maar ook niet een radicaal links. Ik denk dat je je met Spinoza in de sociaal-democratie redelijk thuis kunt voelen, althans wanneer je die aanvult met duidelijk liberale elementen.’
In het voorwoord van zijn proefschrift gebruikt Marin Terpstra de term 'spinozistische redelijkheid’. Wat bedoelt hij daarmee? Bestaat er zoiets als een 'spinozistische levenshouding’?
Terpstra moet hartelijk lachen om deze vraag. 'Die term daar heeft betrekking op mijn vrouw. Bij die term moet je denken aan de laatste drie boeken van de Ethica. Daar zet Spinoza een soort stadialeer uiteen: hoe je je van een wezen met louter lust- en onlustgevoelens kunt ontwikkelen tot een redelijk en uiteindelijk wijs mens. Het is haast een cliche in de Spinoza-wereld om te zeggen: nou, zo ver ben ik nog niet, ik word nog te veel door mijn passies bepaald. Dat geldt ook voor mij. Wat dat betreft is mijn vrouw verder. Zij is moeilijker uit haar evenwicht te brengen. Ik ben veel chaotischer. Bovendien ben ik iemand die weerstanden opzoekt, ik ben van het polemische type. Een spinozist gaat het gevecht uit de weg.’