Essay Leven op Venus: Europa’s laatste mens

De spirituele toestand van het Avondland

Het is zo vredig en veilig in Europa, en alles gaat zo voorspoedig – dat kan niet goed gaan. Drie grote Europese romans laten zich lezen als een analyse van een beschaving die te gronde gaat aan haar eigen geluk.

IN DE GESCHIEDENIS zijn er maar weinig momenten dat we ons zorgen kunnen maken omdat de wereld té gelukkig is geworden. Zo’n moment was er in Europa aan het einde van de negentiende eeuw, toen de Napoleontische oorlogen waren vervaagd en de Eerste Wereldoorlog nog achter de horizon lag. Gedurende korte tijd konden we geloven dat het Westen op weg was naar een toestand van permanente vrede; dat technologie, democratie en globalisering een heilzame en effectieve cirkel vormden die door geen atavistisch geweld kon worden verbroken.
Die voorstelling zou nooit echt realiteit worden; het einde van de negentiende eeuw was per slot van rekening de tijd van communisme en anarchisme, imperialisme en wetenschappelijk racisme. Het is dan ook opmerkelijk om te zien hoeveel van de grootste schrijvers van die tijd werden beziggehouden door de mogelijkheid dat rede, vooruitgang en materieel welzijn – kortom, de bourgeois-orde – de menselijke geest zouden vernietigen. Nietzsche gaf definitief uitdrukking aan dit idee in het voorwoord van Aldus sprak Zarathoestra, waarin hij het spookbeeld oproept van de Laatste Mens:

De aarde is dan klein geworden, en op haar hipt de laatste mens, die alles klein maakt. Zijn geslacht is onuitroeibaar, als de aardvlo; de laatste mens leeft het langst.
‘Wij hebben het geluk uitgevonden’ – zeggen de laatste mensen en knipperen met hun ogen.
Men werkt nog, want arbeid is ontspanning. Maar men past op dat de ontspanning niet vermoeit.
Men wordt niet meer arm en rijk: beide zijn te bezwaarlijk. Wie wil nog regeren? Wie nog gehoorzamen? Beide zijn te bezwaarlijk.

UITEINDELIJK BLEEK de twintigste eeuw natuurlijk niet het tijdperk van de Laatste Mens te zijn. De twee wereldoorlogen en het mondiale geweld van de Koude Oorlog toonden tot ieders tevredenheid aan dat dwaasheid en wreedheid, waarvan Nietzsche vreesde dat het slinkende, eindige bronnen waren, nog steeds overdadig bloeiden vlak onder het dunne laagje moderne beschaving. Maar toen werd het 1989 en brak het einde van de geschiedenis aan – of in elk geval The End of History and the Last Man, zoals Francis Fukuyama zijn invloedrijke boek noemde. Meestal wordt alleen maar het eerste deel van de titel genoemd; voor zijn critici is Fukuyama de man die ‘het einde van de geschiedenis’ uitriep, triomfantelijk en, onnodig te zeggen, vroegtijdig.
Maar eigenlijk is het tweede deel van de titel belangrijker; dat representeert beter wat Fukuyama wil zeggen. De mensheid was nog maar nauwelijks opgekrabbeld uit een eeuw van hete en koude oorlogen of Fukuyama blies al nieuw leven in Nietzsche’s waarschuwing dat een wereld van vrede en voorspoed een wereld van Laatste Mensen zou zijn. ‘Het leven van de laatste mensen is een bestaan van fysieke veiligheid en materiële overvloed, precies datgene wat westerse politici zo graag aan hun kiezers beloven’, stelde hij. ‘Moeten we bang zijn dat we zowel gelukkig als tevreden zullen zijn met onze situatie, niet langer mensen maar dieren van de soort homo sapiens?’
Fukuyama onderkent de ernst van de nietzscheaanse waarschuwing, maar hoort die vanuit het perspectief van de medestander, en niet de vijand, van het liberalisme. Het gevaar dat hij voorziet is niet simpelweg dat de bourgeois-democratie mensen zal doen degenereren, maar dat gedegenereerde mensen niet in staat zullen zijn de democratie in stand te houden. Zonder het gevoel van trots en de liefde voor strijd die Fukuyama, in de woorden van Plato, thymos noemt, kunnen mensen – waarbij thymos altijd stilzwijgend als een specifiek mannelijke deugd wordt gezien – geen vrijheid bewerkstelligen of die beschermen:

Alleen de thymotische mens, de man van woede die afgunstig is op zijn eigen waardigheid en de waardigheid van zijn medeburgers, de man die meent dat zijn waarde wordt bepaald door iets anders dan het complexe stelsel van verlangens waaruit zijn fysieke bestaan is opgebouwd – die man alleen is van zins om voor een tank te gaan staan of tegenover een rij soldaten. En vaak is het zo dat zonder zulke kleine manifestaties van dapperheid als reactie op kleine manifestaties van onrecht, de grotere reeks gebeurtenissen die leiden tot fundamentele veranderingen in politieke en economische structuren nooit zouden plaatsvinden.

TOEN FUKUYAMA in 1992 zijn boek publiceerde maakte hij zich vooral zorgen over het verlies van thymos onder Amerikanen. Vandaag de dag zijn zijn voorspellingen over de verzwakking van de posthistorische wereld nog steeds gemeengoed onder neoconservatieven; wat ingrijpend is veranderd is de consensus over waar die posthistorische wereld gevonden kan worden. Het Amerikaanse antwoord op de aanslagen van 9/11 – de war on terror, de oorlogen in Irak en Afghanistan – heeft elke angst verdreven dat Amerika passief en onstrijdvaardig zou worden. De tegenovergestelde klacht zullen we veel eerder horen, vooral uit de mond van Europese Amerika-critici. En mede daarom kijken Amerikanen nu naar Europa om voorbeelden te vinden van de Laatste Mens. De oppositie van Europeanen tegen de Irak-oorlog, is, vanuit neoconservatief perspectief, de belichaming van het onvermogen ‘om voor een tank te gaan staan of tegenover een rij soldaten’ waar Fukuyama voor waarschuwde.
Dat was de kern van Robert Kagans betoog in Of Paradise and Power, dat werd gepubliceerd in 2003, aan de vooravond van de Irak-oorlog. Kagan schreef dat Europa ‘zich afkeert van de macht’ en ‘een posthistorisch paradijs van vrede en relatieve voorspoed binnengaat’, terwijl de Verenigde Staten ‘vast blijven zitten in de geschiedenis’. Hij weidde uit, in een terminologie die met opzet moest herinneren aan Nietzsche en Fukuyama, over de psychologische breekbaarheid, het thymotische verval, van de hedendaagse Europese samenleving. ‘De werkelijke vraag’, schrijft hij, ‘is een vraag naar ongrijpbaarheden – naar angsten, hartstochten en overtuigingen.’ Kagans vaak geciteerde uitdrukking ‘Amerikanen komen van Mars en Europeanen komen van Venus’ is een min of meer openlijke beschuldiging van Europese verwijfdheid. Of, zoals James Sheehan het verwoordt, in meer waardenvrije termen, in Where Have All the Soldiers Gone?: ‘De aftakeling van de bereidheid en het vermogen om geweld te gebruiken die ooit zo fundamenteel waren voor de soevereiniteit van een natie heeft een nieuw soort Europese staat geschapen, die diep is geworteld in nieuwe vormen van publieke en private identiteit en macht. Als gevolg daarvan kan de Europese Unie misschien een superstaat worden – een super-burger-staat – maar niet een supermacht.’
IS HET WAAR dat West-Europeanen, na een halve eeuw van vrede en voorspoed, lijden aan de morele malaise waar Nietzsche voor waarschuwde, en die Fukuyama en Kagan vaststelden? Eén manier om antwoord te geven op die vraag is door niet te luisteren naar Amerikaanse deskundigen maar naar de Europeanen zelf – met name naar hun schrijvers. In de negentiende eeuw kon iemand die Dostojevski of Flaubert las inzichten in de staat van Europa verwerven die een krantenlezer zou hebben gemist. In de 21ste eeuw kunnen de belangrijkste Europese romanschrijvers ons vergelijkbare inzichten verschaffen. Juist omdat een roman geen politiek geschrift is, en dat ook niet moet zijn, geeft hij een minder bedekt, intuïtiever verslag van het innerlijke leven van een maatschappij. En wanneer romanciers uit verschillende Europese landen, die schrijven in verschillende talen en zeer verschillende stijlen, elkaars inzichten lijken te bevestigen, kunnen we ons afvragen of er wellicht werkelijk een verschuiving gaande is in de cultuur.
De drie romans die ik hier onder de loep neem zijn natuurlijk geen representatieve voorbeelden van de literatuur die in de afgelopen twee decennia in Europa is geschreven. Maar De ringen van Saturnus van W.G. Sebald, Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq en Zaterdag van Ian McEwan zijn het meest emblematisch. Alle drie schrijvers werden geboren in de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw, en ze groeiden uit tot belangrijke auteurs in de jaren negentig. Met andere woorden, ze horen bij de generatie van na de Tweede Wereldoorlog, en schreven of schrijven hun belangrijkste werk in het tijdperk na de Koude Oorlog. Ze behoren tot, en schrijven over, een kosmopolitisch, vreedzaam en verenigd West-Europa: McEwan (1948) is Engels; Sebald (1944-2001), Duitser, bracht het grootste deel van zijn volwassen leven door in Engeland, en Houellebecq (1958), Fransman, heeft in Ierland en Spanje gewoond.
Omdat het drie zulke verschillende schrijvers zijn is het volgens mij des te opmerkelijker dat hun portretten van de spirituele toestand van het hedendaagse Europa elkaar zo sterk aanvullen. Zij tonen ons een Europa dat kosmopolitisch is, welvarend en verdraagzaam en gezegend met alle materiële genoegens waar mensen altijd naar hebben gestreefd en die Europeanen van zeventig jaar geleden als onbereikbaar hadden beschouwd. Toch zijn deze drie boeken ook doordrenkt van suggesties van ondergang en verval, van de angst dat Europa te veel geschiedenis achter zich heeft om te kunnen gedijen. Ze suggereren onderstromen van woede en wanhoop onder het kalme oppervlak van de maatschappij, die nu en dan op gewelddadige wijze uitbarsten. En ze maken zich zorgen over wat er zal gebeuren wanneer een Europa, verzadigd van historische voorspoed, zichzelf moet verdedigen tegen een jaloerse en verongelijkte wereld.

ELEMENTAIRE DEELTJES (1998) komt het dichtst in de buurt van een bevestiging van Nietzsche’s idee van de Laatste Mens. De roman opent met een onheilspellend voorwoord, schijnbaar geschreven vanuit de nabije toekomst, dat ons vertelt dat het personage dat we zullen ontmoeten – Michel Djerzinski, ‘een eersteklas bioloog en een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs’, die ook een emotioneel autistisch, seksueel verknipt wrak van een mens is – aan het einde van de twintigste eeuw letterlijk het einde van de menselijke soort heeft teweeggebracht. Door zijn ontdekkingen op het gebied van de genetica kon de mensheid zichzelf vervangen door een nieuwe soort die niet afhankelijk is van seksuele voortplanting, en daarom vrij is van lijden en dood.
De roman is Houellebecqs portret van een samenleving – de hedendaagse Europese samenleving, afdeling Frankrijk – die zo ongeneeslijk ellendig is dat ze uitgeroeid verdient, en dient, te worden. Maar de ironische boodschap van Elementaire deeltjes is dat het juist door alle overvloed en veiligheid onverdraaglijk is om in de Franse maatschappij te leven. Alle verworvenheden waar de Europese sociaal-democratie zich op laat voorstaan – haar seksuele bevrijding, politieke verdraagzaamheid en economische gelijkheid, gratis gezondheidszorg en de lange betaalde vakanties – worden martelwerktuigen voor Michel en zijn halfbroer Bruno, de twee onsympathieke helden van de roman.
Ze zijn slachtoffer van de Zeitgeist – van ‘West-Europa, in de laatste helft van de twintigste eeuw’, die Houellebecq in de eerste zinnen van de roman beschrijft als ‘een tijd die ellendig en somber was’, toen ‘de verhoudingen tussen (…) tijdgenoten op z’n best onverschillig en vaker wreed’ waren. De meest destructieve representant van die onverschilligheid is de moeder van Bruno en Michel, Janine, die Houellebecq beschrijft als een vroege aanhanger van de hedonistische, materialistische levensstijl die na de jaren zestig en de seksuele revolutie routine zou worden. Janine denkt alleen aan haar eigen genoegens en bekommert zich niet om haar kinderen. Ze laat de peuter Michel letterlijk achter zittend in zijn eigen stront. Geen wonder dat hij als volwassene niet in staat is tot liefde of seksuele intimiteit; of dat Bruno, die net zo werd be/mishandeld, een verachtelijke perverseling wordt, geobsedeerd door pornografie en masturberen in het openbaar, en die alleen dankzij zijn eigen lafheid geen kinderverkrachter wordt.
Bruno en Michel zijn de primaire bewijsstukken in Houellebecqs programmatische aanklacht tegen de moderne Europese mores. In de jaren zestig van de twintigste eeuw, schrijft hij, ‘begon een “jeugdcultuur” die in de eerste plaats was gebaseerd op seks en geweld’ de klassieke joods-christelijke cultuur te verdringen waarin monogamie, wederzijdse toewijding en zelfbeperking centraal stonden. Het innovatieve element in Houellebecqs betoog is de koppeling van dit nieuwe hedonisme aan de triomf van de Europese welvaartsstaat. Bevrijd van alle politieke en economische zorgen hadden mannen en vrouwen niets anders om zich mee onledig te houden dan het najagen van zinnelijke bevrediging. Maar die jacht ontaardde al snel in een hobbesiaanse oorlog van allen tegen allen, waarin jonge en mooie mensen aanbeden worden en lelijke en verlegen mensen, zoals Bruno, worden veracht. ‘Van alle aardse goederen’, tiert Bruno, ‘is lichamelijke jeugd overduidelijk het waardevolste, en tegenwoordig geloven we alleen nog maar in aardse goederen.’
In een van de vele passages waarin hij leunstoelsociologie bedrijft zegt Houellebecq: ‘Interessant is dat de “seksuele revolutie” soms werd voorgesteld als een gemeenschappelijk Utopia, terwijl het in feite gewoon een volgende fase was in de historische opkomst van het individualisme. Zoals het prachtige woord “huiselijk” suggereert, zouden het echtpaar en het gezin het laatste bastion van primitief communisme in de liberale maatschappij vormen. De seksuele revolutie zou die gemeenschappen vernietigen, de laatste die het individu scheidden van de markt. De vernietiging duurt nog steeds voort.’ Geen wonder dat ‘in de laatste jaren van de westerse beschaving’ de ‘algehele stemming er een [was] van depressie neigend naar masochisme’.
Uiteindelijk is het voor de lezer van Houellebecq geen verrassing om te horen dat, in de toekomst, mensen hun eigen uitsterven verwelkomen met ‘deemoedigheid, overgave, wellicht zelfs heimelijke opluchting’. De vrijetijd-wereld die het contemporaine Europa is, zo betoogt Houellebecq, is een verzoeking die mensen niet kunnen verdragen.

VAN ELEMENTAIRE DEELTJES naar De ringen van Saturnus gaan is het hartstochtelijke klagen van een woedende tiener inwisselen voor de stille, hypnotische monoloog van een oude man. Anders dan de avatars van Houellebecq heeft Sebalds verteller nooit calamiteiten meegemaakt in zijn privé-leven, waar we geen woord over horen. Zijn crisis is strikt filosofisch, veroorzaakt door ‘de verlammende angst die verscheidene malen over me was gekomen toen ik werd geconfronteerd met de sporen van vernietiging, die tot in het verre verleden reikten’, die hij overal ziet.
Het boek kan worden beschreven als een catalogus van de diverse soorten vernietiging, door de natuur en door de mens, die zich opdringen aan de schrijver tijdens een voettocht langs de oostkust van Engeland. De ringen van Saturnus is niet echt een roman; er is geen plot en geen karakterontwikkeling. Het is eerder een zich vertakkende reeks verhalen en herinneringen, waarbij de ene de volgende oproept volgens geen andere logica dan de vrije associatie.
Sebald wordt aangetrokken door verhalen over verlatenheid en verlies, door plekken waar de westerse beschaving lijkt te zijn verstorven, door verouderde technologieën en onherroepelijk verzonken verledens. En omdat Sebald de wandelaar bijna nooit een ander mens tegenkomt kan hij het beklemmende gevoel oproepen dat Engeland zelf verlaten is, en dat hij wellicht de laatst overgebleven mens is om de verwoesting in kaart te brengen. De algehele stemming van het boek wordt prachtig verwoord in een van Sebalds vele citaten van Sir Thomas Browne, de polyhistor uit de Renaissance wiens meanderende, encyclopedische werken voorbeelden zijn voor die van hemzelf: ‘De schaduw van de nacht wordt over de aarde geschoven als een zwarte sluier, en omdat bijna alle schepselen, van de ene keerkring tot de andere, zich neerleggen nadat de zon is ondergegaan, (…) zou men misschien, de zakkende zon volgend, op onze globe niets anders zien dan voorover gevallen lichamen, rij na rij, als waren ze neergemaaid door de zeis van Saturnus – een eindeloos kerkhof voor een mensheid die is geslagen door de vallende ziekte.’
Het beeld van een wereld die is veranderd in een kerkhof is Sebalds metafoor voor het Europa dat hij kent. Hij, geboren in Duitsland in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog, is van nature geobsedeerd door de oorlog en de slachtoffers ervan; in andere boeken, zoals De emigranten en Over de natuurlijke geschiedenis van de vernietiging, houdt hij zich expliciet bezig met de holocaust en het geallieerde bombarderen van Duitsland. Maar De ringen van Saturnus neemt een unieke plaats in in het oeuvre door de manier waarop zelfs de oorlog gaat lijken op niet meer dan de zoveelste manifestatie van de entropie die voortdurend tussen mensen bestaat. Het boek evoceert een Europa waar simpelweg te veel geschiedenis heeft plaatsgevonden, waar te veel levens zijn geleid en verloren, zodat ze niet langer allemaal begrepen of zelfs goed herinnerd kunnen worden.

ELEMENTAIRE DEELTJES en De ringen van Saturnus verbeelden allebei een beschaving die van binnenuit ten val wordt gebracht, niet in staat te verdragen wat ze is geworden. Het past precies dat ze werden gepubliceerd in de jaren negentig, toen het Westen genoot van een korte vakantie van de geschiedenis, zonder een externe vijand aan de horizon. Zaterdag daarentegen werd gepubliceerd in 2005, op het hoogtepunt van de war on terror, toen het Westen zich opnieuw bedreigd voelde, ditmaal door het islamitisch fundamentalisme. Ian McEwan plaatst zijn roman precies in dat historische moment door het conflict te dramatiseren tussen een geprivilegieerde, door schuld verscheurde, besluiteloze beschaving en een kwaad, jaloers barbarisme. Hij stelt in de vorm van een parabel dezelfde vraag die Kagan stelde in Of Paradise and Power: kan Europa zijn waarden verdedigen tegen zijn vijanden, als een van die waarden een principiële afkeer van geweld is?
De complete handeling van de roman vindt plaats op één zaterdag: 15 februari 2003, de dag van de wereldwijde protesten tegen de naderende Irak-oorlog. McEwans protagonist Henry Perowne, een middelbare neurochirurg en pater familias, belandt in de demonstratie en voelt ‘de verleiding en opwinding die kenmerkend is voor zulke gebeurtenissen; een mensenmassa die bezit neemt van de straten, tienduizenden vreemden die samenkomen met één en hetzelfde doel en een suggestie van revolutionaire vreugde uitstralen’.
Toch is Perowne innerlijk verscheurd over de moraliteit van de Irak-oorlog. Hij weet te veel over de gruwelijkheden van Saddam Hoesseins regime om net zo zeker en overtuigd te zijn als de demonstranten: ‘Per definitie is niemand van de mensen die nu rond metrostation Warren Street samendrommen toevallig gemarteld door het regime, of kent en houdt van mensen die dat zijn, of weet veel over dat land.’ Tegelijkertijd voelt Perowne, wanneer hij over de oorlog praat met zijn squashpartner en collega-chirurg, de Amerikaan Jay Strauss – wiens naam zijn joods-zijn representeert en zijn trouw aan het neoconservatisme – een enorme afkeer van Strauss’ strijdlust. ‘Hij is een man met onbezorgde zekerheden, die graag praat over diplomatie, massavernietigingswapens, inspectieteams, bewijzen van banden met al-Qaeda en zo voort (…) Elke keer als hij met Jay praat, neigt Henry vanzelf naar het anti-oorlogskamp.’
Perowne kent geen ‘onbezorgde zekerheden’. Dat hij in staat is beide kanten van het oorlogsdebat te zien, dat hij weigert scherpe ideologische oordelen te vellen – dat is één teken van zijn volwassenheid; het is een essentieel onderdeel van beschaafd zijn. Want McEwan maakt duidelijk dat Perowne het beste van de Europese beschaving vertegenwoordigt. Hij is gezond, knap, verstandig, gul, een goede vader en toegewijde echtgenoot en een betrokken burger. Zijn werk als hersenchirurg wordt beschreven tot in het kleinste technische detail, om de wonderlijke bekwaamheid te benadrukken waarvan de wetenschap en zijn vakmanschap hem hebben voorzien: op de eerste bladzijden van het boek zien we hem het ene leven na het andere redden met zijn state-of-the-art operatie-instrumenten. En wat Perowne op individueel niveau is, en doet, zo suggereert McEwan, is Londen op macroniveau: ‘Henry vindt de stad een succes, een briljante uitvinding, een biologisch meesterwerk – miljoenen mensen die krioelen rond de geaccumuleerde en opgestapelde verworvenheden der eeuwen, als rond een koraalrif; ze slapen, werken, amuseren zich, voor het grootste deel in harmonie, en vrijwel iedereen wil dat het werkt.’
Het probleem is natuurlijk wat je moet doen met de mensen die niet willen dat het werkt. In de context van Zaterdag is dat duidelijk een geopolitieke vraag; maar McEwan is een veel te slinkse schrijver om Perowne rechtstreeks in conflict te brengen met een terrorist, dus bedenkt hij een alledaagser soort conflict, dat de veerkracht van Perowne’s beschaving even zwaar op de proef stelt.
De moeilijkheden beginnen wanneer Perowne een aanvaring krijgt met Baxter, een jonge schurk die al snel gewelddadig wordt. Uit zijn gedrag en bepaalde subtiele symptomen kan Perowne afleiden dat de heetgebakerde Baxter lijdt aan een neurologische aandoening in een vroeg stadium: ‘En zo wordt de briljante machinerie van het leven onklaar gemaakt door het minuscuulste beschadigde tandwieltje, de geniepige fluistering van vernietiging, een enkel slecht idee huizend in elke cel…’ Als Perowne duidelijk maakt aan Baxter dat hij van zijn toestand afweet – het is erfelijk, en Baxter weet precies wat hem te wachten staat – stort de schurk in.
Maar later op die dag, wanneer Perowne’s familie aan tafel gaat voor het diner, stormt Baxter zijn dure huis binnen en neemt de hele groep in gijzeling. Met de exquise narratieve wreedheid die hij zo meesterlijk beheerst, laat McEwan ons toekijken terwijl Baxter de volwassen dochter van Perowne, Daisy, dwingt zich uit te kleden door haar moeder een mes op de hals te zetten. Dat Daisy een dichteres is, die net met de drukproeven van haar eerste bundel thuis is gekomen, maakt de symbolische dimensie van de confrontatie onontkoombaar: hier wordt de passieve, vrouwelijke cultuur onderworpen door blind mannelijk geweld.
Want Perowne, ondanks al zijn chirurgische vakmanschap, is niet in staat de indringer te overmeesteren, door een fataal tekort aan thymos: ‘Nooit in zijn leven heeft hij iemand in het gezicht geslagen, ook niet toen hij klein was. Hij heeft alleen maar een mes gepakt om te gebruiken op een geanestheseerde huid in een gecontroleerde en steriele omgeving. Hij weet gewoon niet hoe hij roekeloos moet zijn.’ Perowne kan het kwaad waarmee hij wordt geconfronteerd wel begrijpen, maar zijn begrip van wat het kwaad voor ogen heeft helpt hem niet om het te verslaan. Sterker nog, McEwan suggereert dat het tegenovergestelde het geval kan zijn: misschien begrijpt hij Baxter zo goed dat hij te ambivalent is om tegen hem te vechten, net zoals hij ambivalent is geweest over de rechtvaardigheid van de Irak-oorlog. Hij wordt de hele dag al gekweld door twijfels over zijn oorspronkelijke conflict met de crimineel: ‘Zijn houding was verkeerd vanaf het eerste begin, onvoldoende defensief; zijn gedrag kan hoogdravend hebben geleken, of minachtend. Wellicht provocerend.’ Had hij maar op Baxters gestoorde gevoel van trots kunnen werken, dan was hij misschien met rust gelaten in de cocon van zijn cultuur en zijn rijkdom: exact dezelfde berekening die, zoals Kagan suggereert, Europa als geheel maakte na 11 september.
Het is de manier waarop McEwan deze dodelijke confrontatie oplost die Zaterdag zo’n ambigu en onrustbarend boek maakt. Op het laatste moment, net voordat Baxter Daisy zal verkrachten, ziet hij haar poëziebundel en beveelt haar één gedicht hardop voor te lezen. In plaats daarvan reciteert ze Dover Beach, de geweldige overpeinzing van Matthew Arnold over de onzekerheid en het verlies van vertrouwen van de moderne Europese mens. Baxter is zo onder de indruk van de schoonheid van de poëzie, van de hoge cultuur die hij nooit heeft gekend, dat hij Daisy loslaat en even niet meer op zijn hoede is, waardoor Perowne hem kan overmeesteren.
Het is een ongeloofwaardige oplossing voor een zeer geloofwaardig dilemma; het heeft iets van de opgelegde onwerkelijkheid van Shakespeare’s late verhalen, zoals The Winter’s Tale, waarin de doden op magische wijze tot leven komen. De beschaving hoeft niet het barbarisme te bestrijden, wil McEwans parabel zeggen. Ze dient alleen maar haar betovering te tonen, en het barbarisme zal zichzelf ontwapenen.
Het is het verlangen dat doorklinkt in Zaterdag waardoor de roman een passende parabel wordt voor Europa’s eigen zaterdag – de laatste dag van de week, de dag van rust. Die metafoor geldt even goed voor Houellebecqs roman, met zijn nachtmerrie van eindeloos genotzoeken, en voor die van Sebald, met zijn dromerij over retrospectie: beide lijken zich af te spelen in een beschaving die haar historische taken heeft laten liggen, die zoveel heeft gedaan en ondergaan dat verdere inspanningen onmogelijk lijken. Maar in de actuele geschiedenis kunnen natuurlijk geen rustdagen bestaan, en de historische wereld waar Europa een deel van is zal hem niet overgeven aan de tedere euthanasie van Houellebecqs verbeelding, of de stille ouderdom van die van Sebald. McEwans voorstelling van een beschaving die wordt teruggezogen in conflicten en strijd, door tegenstanders die wreder en onberekenbaarder zijn dan zijzelf is, zal waarschijnlijk meer lijken op de daadwerkelijke toekomst. Daarom is vanwege McEwans onmogelijkheid om een realistische overwinning in die strijd voor te stellen Zaterdag misschien zelfs nog verontrustender, in de hoedanigheid van spirituele diagnose, dan De ringen van Saturnus en Elementaire deeltjes. De beschaving die Houellebecq verbeeldt is het niet waard om gered te worden, en de beschaving waarin Sebald verblijft is niet meer te redden; maar de beschaving die McEwan beschrijft, realistischer en affirmatiever dan beide, verdient het gered te worden.

De Amerikaan Adam Kirsch is dichter, literatuurcriticus, redacteur van The New Republic, columnist van Nextbook.org en publiceert in The New Yorker, The Times Literary Supplement en andere bladen. Zijn meest recente boek is Benjamin Disraeli (2008). Bovenstaand artikel komt uit World Affairs (vertaling: Rob van Erkelens)