Gastcolumn

De spraakzame kunstliefhebber

‘Kunst voor allen’ is altijd een riskant idee geweest. Wie nu nog dit evangelie wil verkondigen moet heel goed op zijn tellen passen.

HOUDEN van kunst is een onbaatzuchtige liefde die geen jaloezie kent. Wie van kunst houdt, kan zich niet voorstellen dat anderen die liefde niet delen. Toch zijn ze er. De kunstliefhebber weet zeker dat die ongelukkigen door welke betreurenswaardige omstandigheden dan ook iets missen wat essentieel is voor hun mens zijn. Ter wille van hen wordt de kunstliefhebber een spraakzame kunstliefhebber. Enthousiast vertelt hij hoe gelukkig het hem maakt om met kunst om te gaan. Hij wil de anderen verheffen boven hun horizon door kunst in musea. De anderen luisteren of doen alsof. Ze geven zelfs belastinggeld uit om de spraakzame kunstliefhebber aan de praat te houden. Er was tot voor kort niemand die onomwonden tegen hem zei: ‘Die kunst van jou interesseert mij geen moer. Ga jij maar vissen. Daar heb je tenminste mijn belastinggeld niet voor nodig.’

De spraakzame kunstliefhebber had geen weet van die agressieve onverschilligheid. In zijn café werd over veel gekankerd, maar zijn kunstliefde werd er niet door aangetast. Hij kon er ongestoord getuigen van zijn geloof in kunst uitgaande van de romantische gedachte dat kunst goed is voor iedereen. Maar nu is alles anders geworden. Er is een horde opgestaan die geen cent geeft voor zijn hobby en hem met zijn kunstliefde terugdringt achter de linies van een verzonnen elite. De spraakzame kunstliefhebber is zich rot geschrokken. Kunst is toch voor iedereen? Waarom ziet men dat niet? Vanwaar die verdachtmakingen? Hoezo elite? Laten we ons toch verheffen tot de droom van het museum boven de horizon van ons menselijk bestaan. ‘Aan m’n reet’, huilt de horde, want hordes huilen dit soort dingen.

Even voelt de spraakzame kunstliefhebber de neiging om uit te barsten in een woedende schreeuw om cultuur, maar hij bedenkt nog net op tijd dat schreeuwen de kloof, die hem scheidt van de horde, alleen maar groter zal maken. En dan bedenkt de spraakzame kunstliefhebber nog iets anders. Iets wat hij altijd wil vergeten, maar dat zich nu onontkoombaar aan hem opdringt. Hij mag dan wel denken dat houden van kunst een onbaatzuchtige liefde is die geen jaloezie kent, maar historisch gesproken is dat helemaal niet waar! De geschiedenis van de kunst had hem moeten leren dat door de eeuwen heen kunst nu juist heeft gediend om je ermee te onderscheiden van de horde, om een klootjesvolk te genereren. Generaties lang is de romantische droom van een universele cultuur verkracht om er jezelf mee te profileren.

Hij herinnert zich een schilderij van Arnold Böcklin, Villa am Meer uit 1878. Zware golven spoelen naar de kust en beuken op de rotsen, waar mensen hun prachtige villa’s, hun culturele bolwerken op hebben gebouwd. Ooit zal de zee in eindeloze deining, zullen de onbeheersbare krachten van de natuur alle sporen van schoonheid hebben uitgewist. Toen iemand Böcklin vroeg wie die bange, peinzende vrouwenfiguur was die de stemming van het schilderij bepaalt, liet hij zich ontvallen: ‘Zij is de laatste loot van een adellijk geslacht.’

Die vrouw van Böcklins schilderij is het prototype voor generaties van cultuurpessimisten, van een zelfbenoemde geestesadel die zich van de kunst heeft meester gemaakt. Ook in Nederland. Die nepadel houdt niet op met jeremiëren. Om hen heen worden de sporen van menselijke beschaving uitgewist door de ongunst der tijden. Het is een pose die sommigen een lekker gevoel geeft en altijd goed verkoopt in eigen kring, maar zeker is dat dit cultuurpessimisme, en het bijbehorend exhibitionisme, verantwoordelijk is voor de polarisatie tussen culturele elite en populistische cultuurhaters.

In de vrouw van Böcklins schilderij ziet de spraakzame kunstliefhebber een mevrouw uit een voornaam villapark. Samen met haar, de eerste loot van een vermogend geslacht, stond hij ooit voor De nachtwacht te midden van tientallen andere bezoekers van het Rijksmuseum. Opeens pakt zij zijn arm en roept wanhopig uit: ‘Professor, wat moeten al die mensen toch met onze kunst.’ Dat soort mevrouwen en mijnheren zijn overal te vinden. Niet alleen in de private maar ook in de publieke sector, zelfs bij de financiering van zogenaamd educatieve projecten. ‘Kunst voor allen’ is altijd een riskant idee geweest, dat heeft de populistische horde zichtbaar gemaakt. Wie nu nog dit evangelie wil verkondigen moet heel goed op zijn tellen passen. Er is wel degelijk strategisch gedrag voor nodig.

Het wordt tijd dat ik achter die spraakzame kunstliefhebber te voorschijn kom. Ongeveer vierhonderd televisie-uitzendingen heb ik gedurende zestien jaar aan mijn spraakzaamheid uiting kunnen geven. Tijdens de voorbereidingen van de programma’s onder leiding van Kees van Twist heb ik van hem en de redacteuren geleerd wat je wel en niet moet doen om kunst toegankelijk te maken voor velen. Toegankelijk maken doe je vooral door 1. van feitelijke gegevens over een kunstwerk een spannend verhaal te maken of door 2. te vertellen waarom een bepaald kunstwerk zo veel voor jou betekent. Ik moest bij mijn praatjes te allen tijde vermijden de indruk te wekken dat de luisterkijker kunst mooi moest vinden of iets absoluut moest weten om met kunst om te kunnen gaan.

Dring je niet op. Gedraag je niet als kunstpaus of orakel. Het waren lessen in nederigheid. In De Groene Amsterdammer van 24 februari beveelt Ronald Plasterk in een belangwekkend interview positief paternalisme aan. Maar paternalisme, hoe positief ook, werkt niet. Dat heb ik van mijn zonen, vrienden en van de luisterkijkers geleerd. Vertel verhalen van kunst en wat kunst voor jou betekent, maar vertel hem niet van boven naar beneden, ga naast hem staan en toon die liefde voor kunst door aanstekelijk enthousiasme. Als spraakzame kunstliefhebber ben ik door de cultuurhaat sadder and wiser geworden. Daardoor weet ik één ding zeker: het komt nu meer dan ooit op jezelf aan, als je ondanks alles nog steeds wil dromen van ‘kunst voor allen’.