De sprakeloze muze

IRIS MURDOCH heeft al drie jaar de ziekte van Alzheimer. Haar man John Bayley heeft daar een prachtig boek over geschreven. Toen ik het uit had, had ik behoefte haar stem nog een keer te horen. In 1993 had ik voor De Groene een gesprek met haar gehad dat ironisch genoeg over ‘tegenwoordigheid van geest’ ging.

Murdoch vond, net als Plato, dat de lijfelijke aanwezigheid van een gesprekspartner te allen tijde boven het geschreven woord gaat. De menselijke stem is de meest directe verbinding met de geest. Ik vond dat een merkwaardig standpunt voor een schrijfster. Boeken zijn maar al te vaak beter dan hun auteurs. Maar haar stem was mooi, diep en aandachtig. Zij leek naar haar eigen woorden te luisteren. Beter dan naar de mijne, kreeg ik de indruk, want ze wilde absoluut niet op tegenstrijdigheden in haar werk gewezen worden.
Aanleiding van ons gesprek was het verschijnen van haar filosofische hoofdwerk Metaphysics as a Guide to Morals (1992). Alles wat daarin over het Absoluut Goede wordt gezegd is op een of andere manier in Murdochs romans terug te vinden. Maar welke voorbeelden ik ook gaf, ze bleef volhouden dat daar geen sprake van was. Ze wilde er op geen enkele manier over uitweiden hoe het zat met al die filosofen in haar fictie. Met wie die te vergelijken waren, als hun denkbeelden niet de hare waren. Haar personages waren allemaal volstrekt zichzelf. Ze wilde maar één boodschap kwijt tijdens dat gesprek: hoe we zonder God toch Goed kunnen zijn.
Zij had iets onbenaderbaars en onwezenlijks, maar ook iets koppigs. Ik begrijp waarom John Bayley haar met een stiertje vergelijkt. Ik begrijp ook waarom haar werk zo slecht is geredigeerd: het had waarschijnlijk geen zin haar op inconsistenties te wijzen. Of op het feit dat een aantal van haar romans op precies dezelfde manier begint. Na een kort dialoogje worden de personages geïntroduceerd met zinnetjes als: ‘The first speaker was…’ en 'The second speaker was…’ Zou dat werkelijk niemand zijn opgevallen of durfde men het gewoon niet te zeggen? Ik heb het idee dat Murdoch beter was in dialogen schrijven dan voeren.
JOHN BAYLEY vond het aanvankelijk ook moeilijk om met haar te praten. Hun relatie kwam stamelend tot stand en zo eindigt die ook weer. Eerst was hij door verliefdheid 'at a loss for words’, nu is zij het door de ziekte van Alzheimer. In de tussenliggende veertig jaar leefden zij in opperste harmonie voornamelijk langs elkaar heen. Hun huwelijk was niettemin een warm badje waar ze als twee gelukkige kinderen in rondspetterden zodra ze samen waren.
Iris hield van 'moistness’, in alle opzichten, schrijft Bayley. Ze schreef een belangrijk essay dat 'Against Dryness’ heet. Bayley maakt haar voorkeur voor 'moistness’ tot de centrale metafoor van zijn boek. Wie dacht in haar roman The Sea, the Sea, de mooiste passage over zwemmen gelezen te hebben vergist zich. De manier waarop Bayley zijn laatste zwempartij met Iris in de Theems bij Oxford beschrijft, is van een ongekende kippevelkwaliteit.
Bayley was tot 1992 professor in de Engelse Literatuur in Oxford en deed daarnaast het huishouden, zo goed en zo kwaad als dat ging. Ze hadden liever een vervuild huis dan een werkster.
Iris leefde in haar boeken. Hij verzorgde en bewonderde haar. Haar geest was briljant, haar verbeeldingskracht onuitputtelijk. 'To find a person inexhaustible is simply the definition of love’, zegt iemand in Murdochs eerste roman Under the Net (1954). Daarmee is de liefde van Bayley voor Murdoch wel ongeveer weergegeven. Zij bleef mysterieus voor hem, hij heeft haar nooit helemaal leren kennen. Daardoor wordt zij in zijn boek een typisch murdochiaans personage. 'Unreal’ is het woord dat Bayley voor haar gebruikt.
Iris Murdoch was 'deeply spiritual’, absoluut niet narcistisch, wezenlijk bescheiden en intens goed. Beter dan wie dan ook die Bayley in zijn leven heeft gekend. Veel beter dan hijzelf bijvoorbeeld, want over zijn eigen inborst is hij niet erg te spreken. 'I get by by being nice.’
En zelfs dat niet altijd, want hij gaat soms geweldig tekeer tegen Iris. 'Je bent knetter, weet je dat, je weet helemaal niets meer’, schreeuwt hij buiten zinnen als zij voor de zoveelste keer de planten verzopen heeft en het water over de vloer stroomt. 'Well’, zegt Dame Iris dan alleen maar, trillend over haar hele lichaam, 'Well’, voor ze begint te huilen. Dan zou je haar zo in je armen willen nemen. Gelukkig doet John Bayley dat voor je. 'We kiss and embrace now more than we used to.’
MAAR WAT is goed? vraag je je aanvankelijk toch af bij zoveel loftuitingen. Als Iris Murdoch wezenlijk goed is, heeft ze in haar werk iets gepredikt waar zij zelf geen moeite voor hoefde te doen. Waar kwam haar obsessie met het Goede vandaan? Op dat soort vragen geeft John Bayley geen antwoord, omdat hij ze niet stelt.
Haar goedheid is een feit. Haar ziekte bewijst zijn gelijk. Bij Alzheimer-patiënten worden slechte karaktertrekken vaak uitvergroot. Hij heeft wat dat betreft geluk, want die heeft zij niet. Zij is zo mogelijk alleen maar zachtaardiger geworden. Gaandeweg ga je hem geloven. Ik ben door John Bayley’s memoire meer van Iris Murdoch gaan houden dan door alle boeken die ik ooit van haar gelezen heb.
Hoe komt het dat zijn verslag over haar aftakeling niet echt ontluisterend wordt? Het boek is ontroerend, grappig, soms zelfs hilarisch, maar het is vooral mooi - zo mooi dat hun uitzichtloze situatie naar een hoger plan wordt getild. Hoe doet hij dat? Komt het door haar letterlijke nabijheid?
Bayley schreef zijn boek ’s ochtends in bed, met zijn Olivetti op schoot, terwijl Iris als een kleuter naast hem lag te slapen. Je hoort haar als het ware ademen. Ze snurkt zachtjes of maakt andere pruttelende geluidjes. Als hij voelt dat ze wakker wordt, onderbreekt hij zijn verhaal en weet je dat de worstelpartij om het aankleden gaat beginnen.
'Je bent nu bijna vier, is dat niet wonderbaarlijk?’ zegt hij ergens, alsof hij zichzelf ervan wil overtuigen dat je het ook zo kunt bekijken. Na een kinderloos huwelijk heeft hij alsnog een kind dat ’s ochtends niet aangekleed en ’s avonds niet uitgekleed wil worden; waar hij af en toe boos op moet worden als ze al te ongehoorzaam is, maar dat verder ontzettend lief en knuffelig is. Het eet en drinkt goed. En het is gezellig om met haar naar de Teletubbies te kijken. Waarom is deze afhankelijke fase niet even acceptabel als die van de eerste kinderjaren, vraag je je tot je eigen verbazing op sommige momenten af. Omdat het nergens heengaat? Daar heeft Bayley iets op gevonden.
HIJ BESCHRIJFT een soort omgekeerde huwelijksreis. Zoals ouders de neiging hebben zich met de toekomst van hun kinderen bezig te houden, zo kijkt Bayley terug om zich in het verleden te verliezen. Het hier en nu blijkt hoe dan ook niet te voldoen, zoveel wordt door Alzheimer wel duidelijk. En wat hebben die twee een prachtig, leuk en rijkelijk met drank besproeid leven gehad. Het is een aaneenschakeling van 'happy hours’.
John Bayley herinnert zich voor twee, daar in dat grote victoriaanse bed dat al een huwelijksleven lang meegaat. 'This Bed Thy Centre’, citeert hij de dichter John Donne ironisch, want de literatuur neemt in zijn boek uiteraard een enorme plaats in.
Bayley had aanvankelijk zelf ook romans willen schrijven, maar hij liet dat al gauw aan Iris over. Toen zij dat door haar ziekte niet meer kon, nam hij de fakkel van haar over. Zo werd zij zijn onderwerp, zijn muze en inspiratiebron. Nu haar lichaam sprakeloos naast hem ligt, gaat hij bij het corpus van haar werk te rade om haar geest tot spreken te brengen.
Je krijgt onmiddellijk de neiging in haar boeken te gaan bladeren om je geheugen op te frissen. Waar gingen ze ook weer over? Bijna alle Murdoch-lezers zijn het erover eens dat je haar romans snel vergeet. Komt dat omdat het, zoals Bayley schrijft, 'werelden op zich zijn’? Haar romankunst vertegenwoordigt juist om die reden voor hem de hoogste vorm van creativiteit. Alles is verzonnen.
Maar dat houdt zelfs hij niet vol. Er loopt een mysterieuze figuur in zijn herinneringen rond die ongelooflijk belangrijk in Iris’ leven en werk is geweest. Bayley noemt hem nergens bij naam, alsof hij die nog steeds niet over zijn lippen kan krijgen. Het is alsof hij nog altijd jaloers op hem is. Hij noemt wel zijn enige roman: Die Blendung, waar hij ook al niets mee op heeft.
EN ZO WETEN we dat het om Elias Canetti gaat, die jarenlang in Londen woonde, waar hij hof hield in Hampstead. Hij werd na de oorlog door jonge schrijvers als Iris Murdoch als een 'master-spirit of literature’ beschouwd. Een magiër, een tovenaar van het soort waar Murdochs werk van wemelt. Bayley haat hem, hij noemt hem het Monster van Hampstead.
Was Canetti de matrix voor alle 'enchanters’ in Murdochs romans?
Bayley suggereert zoiets, al zegt hij ook dat 'she got him out of her system’ door over hem te schrijven, 'and finally in a sense out of her novels too’.
Maar na haar tweede roman, The Flight From the Enchanter (1960), was het nog lang niet afgelopen met haar fascinatie voor Elias Canetti, aan wie de roman is opgedragen. Je herkent hem ook in The Black Prince (1973) en The Book and the Brotherhood (1987).
Murdoch had voor haar huwelijk een verhouding met Canetti en daarna bleef zij hem zo nu en dan ontmoeten. Bayley en Murdoch wonen zolang zij getrouwd zijn in of vlakbij Oxford, maar zij ging regelmatig naar Londen om vrienden te zien die ze voor zichzelf wilde houden. Bayley had daar begrip voor, al vroeg hij zich vaak jaloers af wat zij onder 'see’ verstond. Maar hij zag al snel in dat hij van het idee af moest stappen 'the one’ in haar leven te willen zijn. Ze wilde met meerdere mensen een exclusieve relatie; iedereen vereiste op een andere manier aandacht. Ze wilde haar vrienden daarom het liefst een voor een zien, niet in gezelschap.
Het kost tijd om zo met je vrienden om te gaan. Waar haalde ze die vandaan? Ze schreef zevenentwintig romans die steeds dikker werden, vier toneelstukken, zes boeken over filosofie en nog wat poëzie. Ze was een 'one book a year’-auteur - het tegenovergestelde van iemand als Canetti, die er bijna een kwart eeuw over deed om zijn levenswerk Masse und Macht (1960) te schrijven.
JOHN BAYLEY’S memoire over Murdoch is niet dik, maar je kunt er tamelijk lang mee bezig zijn omdat je steeds naar andere boeken grijpt. Wat had Susan Sontag ook weer over The Flight From the Enchanter te zeggen, behalve dat Canetti daarin model heeft gestaan voor Mischa Fox? Voor je het weet zit je in haar essaybundel In het teken van Saturnus het hele stuk over Canetti te lezen en weet je waarom zijn geest zo aantrekkelijk was voor Murdoch. Zijn ethisch gebod te allen tijde de zijde van de vernederden en machtelozen te kiezen, strekte zich net als bij haar uit tot een diepe deernis voor dieren. Zelfs tot voorwerpen die door iedereen over het hoofd worden gezien, of weggegooid. 'Heb je ook het gevoel dat er zoveel dingen zijn die onze bescherming nodig hebben’, vraagt Mischa Fox in The Fight From the Enchanter, 'zelfs dit lucifersdoosje, bijvoorbeeld.’
Wat zou Canetti eigenlijk gevonden hebben van het boek dat aan hem was opgedragen? En van de rest van haar romans? Hij stond ambivalent tegenover het genre, schrijft Susan Sontag, hij dacht er liever over na dan dat hij ze schreef. Hij vond dat er zo veel boeiende mensen bestonden over wie je kon schrijven dat je er niet nog meer hoefde te verzinnen.
Misschien had hij gelijk en is John Bayley’s boek over Murdoch daarom zo veel beter dan de romans van Murdoch zelf. Hoewel er sprake is van een mysterieuze interactie. Je oog hoeft maar op het lucifersdoosje in The Flight From the Enchanter gevallen te zijn of je ziet de sigarettenpeuken en dode wurmen die zij nu van straat oppakt en mee naar huis neemt, in een ander licht. Denkt ze dat die dingen haar bescherming nodig hebben? Wil ze ze verzorgen, net als die planten die ze ieder moment water wil geven?
WAT DENKT ze nog, wat weet ze nog? Die vraag houdt Bayley meer dan enige andere bezig. In het begin had hij het idee dat zij momenten van luciditeit had waarin zij zich helder bewust was van de leegte in haar hoofd. Een stukje bewustzijn dat nog werkte en tot niets anders in staat was dan zich over het weggevallen bewustzijn te buigen. Hij is blij als hij merkt dat ze die momenten niet meer heeft. Een verslechtering van haar toestand is in haar geval een verbetering. Zij weet nu helemaal niets meer. Alles is weg, behalve haar behoefte aan hem. Hij is eindelijk 'the one’ in haar leven.
Over 'loss’ heeft Murdoch in Metaphysics as a Guide to Morals gezegd: 'Live close to the painful reality and try to relate it to what is good.’
Dat doet John Bayley: onnavolgbaar, onsentimenteel, ons diep ontroerd achterlatend met een beeld van twee totaal verknochte mensen, die in een groot bed in hun halfslaap langzaam een rivier afdrijven 'all the rubbish from the house and from our lives - the good as well as the bad - sinking slowly down through the dark water until it is lost in the depths. Iris is floating or swimming quietly beside me.’ Mooier worden liefdesgeschiedenissen niet geschreven.