De sprookjesman

Nummer 225 in de serie literaire egodocumenten Privédomein is getiteld Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd en lijkt daar prima te passen. Het materiaal is autobiografisch: brieven en dagboekaantekeningen van Hans Christian Andersen. De auteur is belangrijk genoeg om zijn aanwezigheid te rechtvaardigen tussen Flaubert, Strindberg, Canetti en Schopenhauer, maar bij de literaire zeggingskracht van het gepubliceerde heb ik enige twijfel. Wie de mens Andersen wil leren kennen en zich toch ook wil laten meevoeren op de vleugels van de verbeeldingskracht, die leze zijn sprookjes. Terecht stelde iemand eens dat Andersen meer zelfportretten schreef dan Rembrandt ooit schilderde.

Schoenmakerszoon Hans Christian Andersen (1805-1875) was een van de beroemdheden van zijn tijd. ‘Mijn leven is een lieflijk, rijk en gelukkig sprookje’, luidt de eerste zin van zijn autobiografie, maar uit de dagboeken en correspondentie spreekt een overtuigde sombermans, met bijzonder lange tenen, tranen die immer hoog zaten en een ziekmakend gebrek aan zelfvertrouwen: 'O, mijn hart is zo bedroefd, maar er zal met ons gebeuren wat God wil, o lieve, lieve Jette, bidt ook u voor een broeder, die innig van u houdt, wiens streven het was een groot kunstenaar te worden, maar die tijdens het grote gietproces van het leven is mislukt.’ Het zijn Andersens zeurpieterigheid en verongelijkte toon die maken dat je samenstelster Edith Koenders dankbaar bent voor haar selectieve arbeid: de voorliggende 260 pagina’s vormen slechts drie procent van het bestaande materiaal! Gelukkig bieden ze zeker belangwekkende, curieuze en soms aandoenlijke informatie. Ontwapenend zijn de momenten dat de lezer een blik mag werpen op strikt privé-terrein: 'Ik heb vannacht puistjes gekregen die me erg verontrusten’; 'Gevoelige penis en daar bezorgd over’; 'Ik heb een kunstgebit gekregen dat me zeer doet’. Daar horen ook de talloze wanhoopskreten over onvervulde seksuele verlangens bij, door de dagboekschrijver samengevat als 'erg zinnelijk’, vaak gevolgd door een plusteken dat waarschijnlijk stond voor masturbatie. 'Almachtige God! Geef me een bruid! Mijn bloed wil liefde, net als mijn hart!’ God bleef ongevoelig voor deze en andere smeekbeden van de jonge dichter. Andersen liep driemaal een blauwtje en bleef zijn leven zonder vrouw, aangewezen op eigen handwerk en bordeelbezoek, na afloop waarvan hij melding maakt van goede gesprekken met de jongedames. De schrijftafel moet voor Andersen de belangrijkste plek in zijn leven zijn geweest. Nummer twee staat de dinertafel (ergens staat een adembenemende opsomming van de op een dag genoten spijs en drank) en daarna komen de theaterloge en het openbaar vervoer. Met nooit afnemende reislust is hij op zoek naar iets dat altijd elders is, op de vlucht voor miskenning en venijnige kritiek. Uit Parijs: 'Uit Denemarken waait zoals altijd de koude wind die me doet verstenen! Ze spuwen op me, ze halen me door het slijk, ik ben toch een dichternatuur waar God er niet veel van heeft geschonken! Maar ik zal hem op mijn sterfbed verzoeken iets dergelijks nooit meer aan deze mensen te geven.’ Tientallen malen vertrok Andersen voor langdurige verblijven in de belangrijke Europese cultuurcentra van zijn tijd. (Pas toen hij 61 werd kocht hij zijn eigen bed.) En naarmate zijn bekendheid als sprookjesschrijver groeide, werd hij uitgenodigd in steeds hogere kringen, om er met name voor een gehoor van licht hysterische dames voor te lezen uit eigen werk. Andersen was een soort Europeaan avant la lettre, en het is verbluffend wie van de culturele elite hij ontmoette: Liszt in Hamburg, Mendelssohn en Schumann in Leipzig, Balzac, Dumas en Victor Hugo in Parijs, Dickens in Londen. Sommigen worden mooi neergezet, zoals Heine: 'Heine is een geestige kletsmeier; goddeloos en lichtzinnig en toch een echte dichter; zijn boeken zijn elfjes in sluier en zijde gehuld, die wemelen van het ongedierte zodat je ze niet vrij rond kunt laten lopen in een kamer vol goed geklede mensen.’ Zo is er ook terloops commentaar op boeken die nog beroemd moesten worden: 'Peer Gynt uitgelezen, het lijkt door een idiote dichter geschreven, je raakt zelf in de war als je je in dit boek wilt inleven; de gedichten zijn evenmin goed, het hele boek heeft iets ziekelijk wilds.’ Dat uitlezen was noodzakelijk omdat Ibsen dezelfde avond kwam eten. Het is bijzonder om verschillende sprookjes in wording te zien. Tussen neus en lippen door worden ze genoemd, als werk: 'Ben begonnen aan “het zwanenjong”(’, of 'het Chinese sprookje voltooid’. In 1835, het verschijningsjaar van de eerste bundel, lezen we: 'Daarnaast ben ik begonnen aan een paar sprookjes verteld voor kinderen en ik denk dat ze zullen slagen.’ Twee jaar voor zijn dood treurt de schrijver over het opdrogen van de bron: 'Het is alsof mijn sprookjestrommel leeg is. Als ik door de tuin loop tussen de rozen - ja, wat hebben zij en de slakken mij niet al verteld. Kijk ik naar het brede waterlelieblad, dan heeft Duimelijntje haar reis erop al volbracht. (…) In het bos onder de oude eik herinner ik mij dat de oude eikenboom mij al lang geleden zijn laatste droom heeft verteld.’ En ergens geeft de schrijver een rake typering van zijn eigen werk, waar hij ontsteekt in woede over het ontwerp van een standbeeld ter ere van zijn aanstaande zeventigste verjaardag. Daar zou hij zitten voorlezen geheel omringd door kinderen, één zelfs met het hoofd in zijn schoot! Niets hebben die beeldhouwers van zijn werk begrepen. Ze beschouwen hem uitsluitend als 'kinderschrijver’ en ze zien niet in 'dat het mijn streven was een schrijver voor alle leeftijden te zijn en dat kinderen mij niet kunnen representeren; het naïeve is slechts een onderdeel van mijn sprookjes, de humor daarentegen is het zout erin’. Zo is het precies. Juist door het ontbreken van de pathetische en gekwetste toon die in zijn egodocumenten nogal eens vrij baan krijgt, weet Andersen de weg naar het hart rechtstreeks te vinden: met de mol die in stilte zijn hart verliest aan Duimeliesje en de sneeuwman die smelt van 'kachelverlangen’, met de kleine zeemeermin, die tevergeefs afstand doet van haar stem, haar staart en haar zeepaleis, om de liefde van de prins en daarmee een onsterfelijke ziel te verwerven. En wat een triomf voor het gehoonde eendje om uit te groeien tot de mooiste van de vijandig snaterende hoenderhof. Al die keren ontmoeten wij Andersen ten voeten uit.