De spruitjesgeur van voskuils volkskunde

Wat men ook van Voskuils monumentale romancyclus Het Bureau mag vinden, hij is er in ieder geval in geslaagd de kat op het spek te binden. De onbarmhartige blik die de boeken bieden in de keuken van het P.J. Meertens Instituut, heeft wijd en zijd de mening doen postvatten dat het daar een soepzooitje is. Voskuil zou in zijn roman gehakt hebben gemaakt van de halvegare volkskundigen, dialectologen en naamkundigen die dat instituut bevolken. Van onderzoek doen heeft geen enkele medewerker kaas gegeten. Men werkt er slechts om den brode.

De eerste drie delen van de uiteindelijk zevendelige roman zijn de medewerkers van het Meertens Instituut rauw op de maag gevallen. Vooral degenen die Voskuil nog als collega hebben gekend - de schrijver heeft er dertig jaar lang, van 1957 tot 1987, de kost verdiend - vinden dat hij het wel erg bruin bakt. En dat hij bovendien de nodige boter op zijn hoofd heeft. Zeker de laatste jaren, toen Voskuil als hoofd van de afdeling Volkskunde veel in de melk te brokkelen had, was het met hem kwaad kersen eten.
In een smakelijk artikel in Vrij Nederland (28 november 1996) kregen Voskuils oud-collega’s de kans hun gal te spuwen op het boek. Ze hebben het gevoel jarenlang niet te hebben geweten wat voor vlees ze in de kuip hadden. Voskuil bleek een uitgekookte pottekijker, die achteraf de complete vuile vaat op straat zette. Met name voor de nieuwe directeur van het Instituut, Van Marle - van wie Voskuil al spoedig na diens aanstelling de buik vol had omdat hij vanaf dat moment geen vinger meer in de pap had; Voskuil koos eieren voor zijn geld en vertrok - waren na het verschijnen van de eerste delen van Het Bureau de rapen gaar. ‘Deze exercitie is uit moreel oogpunt verwerpelijk. Ik vind het een persoonlijke afrekening, een therapeutische onderneming over de ruggen van anderen. Maar voor ons instituut telt vooral dat een vakgebied onderuit wordt gehaald. Het beeld dat wordt opgeroepen is dat van een instituut waar een aantal malloten rondloopt dat onnutte dingen doet.’
De hamvraag in de discussie rond Voskuils romancyclus lijkt een uitgekauwde kwestie: heeft een schrijver het morele recht oud-collega’s als een stel rare snijbonen te kakken te zetten? De afgelopen weken heeft NRC Handelsblad dit oude kliekje - A.F.Th. van der Heijden kreeg er jaren geleden in de Volkskrant ook al zijn portie van - nog eens opgewarmd en uitgesmeerd over talloze opinie- en brievenpagina’s. Een zekere Hans Werdmölder gooide de eerste olie op het smeulende vuur, waarna pizzakelner Arnon Grunberg als smaakmaker optrad door op de van hem bekende, onbekookte wijze het recht van de schrijver te verdedigen te allen tijde de ongelikte beer te mogen uithangen.
Hij heeft gelijk, maar dat is niet het hele eieren eten. Het is nooit Voskuils bedoeling geweest zijn vroegere collega’s voor rotte vis uit te maken, noch zijn vakgebied tot moes te hakken. In Het Bureau haalt hij vooral zichzelf door de gehaktmolen, in de hoop erachter te komen waarom hij zijn leven zo in de soep heeft laten lopen. Dat de verhoudingen op het instituut zo rot als een mispel waren, interesseerde hem geen biet. In de roman zet hij zichzelf neer als een naargeestige eigenheimer, die van een afstand toeziet hoe de mensen om hem heen in hun sop gaar koken.
Werdmölders aanval en Grunbergs verdediging leveren weliswaar aardige, zij het ietwat oudbakken kost, iets pittiger is de kwestie die naderhand kwam bovenborrelen. Op 19 juli diste NRC Handelsblad het verhaal op dat directeur Van Marle met 'studieverlof’ was gestuurd. Van Marle zou de volkskundigen van het Meertens Instituut voortdurend zout in de wonden hebben gestrooid door hun Voskuils boek onder de neus te wrijven. Al tien jaar lang probeert hij vergeefs de volkskundigen uit een ander vaatje te laten tappen, teneinde de penetrante geur van onwetenschappelijkheid die het Instituut sinds Voskuils boeken aankleeft te verdrijven. Tien jaar lang heeft Van Marle voor het bestuur de kastanjes uit het vuur gehaald, maar met een houding van: de soep wordt niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend, hebben de medewerkers ervoor weten te zorgen dat de beker met reorganisaties aan hen voorbijging. Totdat Van Marle de druk op de ketel zo hoog opvoerde dat het bestuur het raadzaam achtte diens hervormingsdrift op een lager pitje te zetten.
De kwestie is: volkskunde is vlees noch vis, het is iets tussen wetenschap en hobbyisme in. Voskuil heeft de afdeling Volkskunde in de dertig jaar dat hij er zijn brood verdiende maar zo'n beetje laten doorsudderen. Het was hem allemaal worst. Onder zijn leiding werden er wel veel volkskundige liflafjes verzameld, maar hij vertikte het er een stevige wetenschappelijke saus over te gieten. In die situatie wilde Van Marle, een moderne wetenschapsmanager, type jaren tachtig, het mes zetten. Om uit de ruif van onderzoeksgelden te kunnen blijven meeëten, moest er degelijke wetenschappelijke kost worden geproduceerd. Maar hoe kun je volkskunde als wetenschap opdienen zonder knollen voor citroenen te verkopen?
Van Marles eigen wetenschappelijke werk lijkt niet bepaald the proof of the pudding. Blijkens een interview in de wetenschapsbijlage van de NRC (19 juli) doet hij in Amerika onderzoek naar de laatste resten Nederlands in de taal van vierde, vijfde en zesde generaties emigranten uit ons land, waarbij hij de wetenschappelijke reuzeontdekking deed dat men het er nog over 'patatten’ en 'siepels’ heeft in plaats van 'aardappelen’ en 'uien’. Dat soort onderzoek riekt naar dure snoepreisjes waarbij vergeleken Voskuils treinreisjes naar Drentse boeren om er onder het genot van koffie met krentenkoek naar boerenverhalen te luisteren klein bier zijn.
Volkskunde, met of zonder wetenschappelijke saus - het is en blijft gebakken lucht. Voor de volkskundigen is het zuur om dat te moeten inzien, zeker als het een oud-collega als Voskuil is die hun dat inpepert. De gesmoorde ambities van Van Marle bewijzen het gelijk van Voskuil: volkskunde zal nooit van haar spruitjesgeur afkomen. Maar dat kan ook moeilijk anders met een wetenschap die zich toelegt op het verzamelen van allerlei dialecten, van verhalen over heksen en kabouters, of van - om nog maar iets te noemen - spreekwoorden en gezegden die met eten te maken hebben.