Menno Hurenkamp

De staat beschermt niet

Pim Fortuyn heeft volgens peilingen in tien dagen een derde van zijn aanhang verloren. Als hij geen konijn uit de mouw tovert, is het aannemelijk dat zijn verlies doorzet. Logisch, want lak bladdert snel op een glad oppervlak. Hij komt met zoveel als tien mensen in de Tweede Kamer en zal genoegen moeten nemen met de rol zoals Jan Marijnissen die op de linkerflank vervult: onvermijdelijk door aansprekende thema’s, en te negeren vanwege beperkte omvang. Dan heeft Fortuyn een paar dingen bereikt. Hij heeft de gevestigde politieke partijen wakkergeschud, maar niet meer dan dat. Daarmee heeft hij — in tegenstelling tot wat hij van plan was — de orde in stand gehouden. Hij heeft bovendien een paar maanden enorm in de belangstelling gestaan; op een manier die niet meer te evenaren zal blijken. Het is aannemelijk dat hij daarom binnen de kortste keren zijn biezen pakt. Wat blijft, is dat hij heeft duidelijk gemaakt dat veel mensen zich onbegrepen en vooral onbeschermd voelen door de politiek.

Is dat allang bekende maar nu verpletterend helder uitgesproken onbegrip nog weg te nemen? In de grootste boekhandel van Amsterdam ligt Fortuyns beroemde boek op een tafel pal naast het boek Rooksignalen van publicist Paul Kuypers. Het is een schamel argument, maar die ironische coïncidentie biedt toch genoeg aanleiding de twee even naast elkaar te houden. Kuypers verklaart zonder Fortuyns naam te noemen de opkomst van het Rotterdams fenomeen. Een van de kerntaken van de politiek is volgens Kuypers bescherming van de burgers. Oorspronkelijk was dat militaire protectie, tegen de Fransen en Duitsers. Sinds de landsgrenzen hun relevantie verloren, willen burgers bescherming tegen de (virtuele) consequenties van de globalisering en de mondiale migratie. Fortuyn voelt dat goed aan. Hij stelt: ik hou de wereld buiten, ik gooi gewoon de grenzen dicht. Het antwoord van Melkert en Dijkstal is praktischer, maar niet geruststellend: ik zorg dat u die overweldigende wereld aankunt, door u talen te leren en computers te geven. Ze verwachten door braaf mee te bewegen met de grote stroom der dingen, de toekomst van hun burgers te kunnen verbeteren. Het is maar te hopen dat hun oplossing werkt. Het streven van Melkert en Dijkstal wordt in ieder geval maar nauwelijks herkend door de kiezers. Fortuyn stelt op zijn beurt dat hij de wereld alleen aankan, en is gedoemd te falen. Zo blijft onvermijdelijk het ongeloof in de overheid, in de beschermende functie van de staat, groeien.

Kuypers bepleit als remedie het bedrijven van politiek op het kleinste lokale niveau, in de directe leefomstandigheden van mensen. Hij laat zich niet zo concreet uit maar vermoedelijk bedoelt hij dat politici mensen moeten vertellen wat hun omgeving nog meer inhoudt dan een huis om in te slapen en een parkeerplaats om je auto op te zetten. Dat is bescherming door betekenisgeving in plaats van het zoeken naar oplossingen voor problemen (wat Melkert en Dijkstal doen) of het vertalen van die problemen in haat (wat Fortuyn doet). Of je er daarmee bent, valt niet meteen te zeggen. Wel is duidelijk dat de Nederlandse politiek moet gaan nadenken, over de rol van de staat als hoeder van zijn burgers.