DE VEILIGHEID VAN AYAAN HIRSI ALI

De staat versus Ayaan

Volgende week getuigen Gerrit Zalm en Tjibbe Joustra voor de Haagse rechtbank, op verzoek van Ayaan Hirsi Ali. Salman Rushdie noemde het ‘werkelijk pervers’ dat de Nederlandse staat heeft geprobeerd onder de verantwoordelijkheid voor Hirsi Ali’s veiligheid uit te komen. ‘Ayaan’ wil die verantwoordelijkheid nu afdwingen.

AYAAN HIRSI ALI MOET ZELF voor haar beveiliging in het buitenland betalen, besloot het kabinet vorig jaar. De Tweede Kamer was het daarmee eens. De gelederen van volksvertegenwoordigers sloten zich voor Hirsi Ali, iemand die tot kort daarvoor een van hen was en in de media zo vaak liefkozend en bewonderend met alleen haar voornaam was aangeduid. Ayaan. Het parlement wist zich gesteund door negentig procent van de Nederlandse bevolking, die vond dat het maar eens afgelopen moest zijn met de besteding van gemeenschapsgeld aan de beveiliging van een van haar medeburgers. De orkaan Ayaan had zich over zee verplaatst. Laat haar daar in de Verenigde Staten maar razen en misbaar maken, dacht men opgelucht. Zij voelt zich toch te groot voor ons op haar pumps van Chanel, in haar jurk van Derek Lam. Dan moet zij ook niet verwachten dat wij haar beveiligen, dat wij nog enige verantwoordelijkheid voor haar dragen of nog een cent aan haar spenderen. Wat doet u hier eigenlijk, gaat u toch weg, was de feitelijke boodschap van minister-president Balkenende toen Hirsi Ali in oktober 2007 noodgedwongen naar ons land terugkeerde, omdat haar beveiliging in Amerika door Nederland was stopgezet: ‘Het kan niet zo zijn dat zij enkel terugkeert naar Nederland omdat haar hier wel bescherming wordt geboden.’ Kort tevoren, na publicatie van de Amerikaanse uitgave van haar autobiografie, waren nieuwe bedreigingen tegen Hirsi Ali geuit.
Internationaal werd er schande van gesproken. De Franse filosoof Bernard-Henri Lévy vond het ‘ondenkbaar dat een vrouw die onze waarden verdedigt zonder bescherming wordt overgeleverd aan hen die haar willen doden’. Als het aan de Franse staatssecretaris van Mensenrechten Rama Yade lag, zou Frankrijk er alles aan doen om Hirsi Ali te beschermen. Meer dan tachtig europarlementariërs pleitten ervoor om de beveiligingskosten uit EU-gelden te betalen. De al jarenlang bedreigde schrijver Salman Rushdie noemde de beslissing van de Nederlandse overheid ‘werkelijk pervers’. Terwijl wereldwijd politici, opiniemakers en schrijvers de houding van Nederland veroordeelden, bleven kabinet en Kamerleden in ons land volharden in hun eensgezinde opstelling. Alsof ze zojuist een vereniging tegen grote gebaren hadden opgericht. Alsof het erfgoed der Lage Landen in gevaar kwam als tegenover Nederlands staatsburger Hirsi Ali niet de meest ver doorgevoerde legalistische en formalistische kleingeestigheid aan de dag werd gelegd. Links en rechts en recht door zee verenigden zich in de viering van een altijd veronderstelde kruideniersmentaliteit waarvan nu voorgoed bewezen was dat ze met kracht de scepter zwaaide binnen de stammen uit de polders van het Land van Ooit.
In dit gure klimaat achter de dijken maakte de motie waarin Femke Halsema van GroenLinks in oktober 2007 de regering verzocht om met Hirsi Ali te overleggen over een laatste verlenging van haar beveiliging geen schijn van kans. Een grote Kamermeerderheid verwierp die. Sindsdien is het onderwerp praktisch uit het publieke en politieke debat verdwenen; er wordt mondjesmaat over bericht en serieuze analyses worden niet gemaakt. De kwestie-Hirsi Ali is luchtdicht verpakt in de vrieskast gezet met een stickertje erop met de waarschuwing: ‘Doos van Pandora. Niet openen’. Ondertussen stelt het voormalige Tweede-Kamerlid het al meer dan een jaar zonder een door de Nederlandse overheid bekostigde beveiliging.
Op dit moment probeert Hirsi Ali te bewijzen dat de staat aan haar heeft toegezegd dat hij verantwoordelijk is en zal blijven voor haar beveiliging. Ter voorbereiding van een procedure tegen de staat verzocht zij de Haagse rechtbank dit jaar om acht getuigen te laten horen. Beschikt werd dat Hirsi Ali er in eerste instantie vijf mocht voordragen, ‘aangezien de praktijk uitwijst dat met het horen van meer dan vijf getuigen doorgaans geen redelijk doel wordt gediend’. Hirsi Ali koos ervoor de volgende personen te laten oproepen: Iris van den Berg, voormalig persoonlijk medewerker van Hirsi Ali, Gerrit Zalm, voormalig minister van Financiën en tevens oud-vice-premier, Tjibbe Joustra, Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb), A.J. Jonge Vos, Coördinator Bewaking en Beveiliging (CBB) van de NCTb en A. Visser, coördinerend senior adviseur van de Eenheid Bewaking en Beveiliging (EBB) van de NCTb.
Op 24 september werd Iris van den Berg gehoord. Zij was aanwezig bij het gesprek van 8 juni 2006 tussen Hirsi Ali en Tjibbe Joustra (NCTb). Tijdens het gesprek zijn afspraken gemaakt over de beveiliging van Hirsi Ali in de VS. Van den Berg verklaarde onder ede dat de kosten voor de beveiliging in de VS door Nederland betaald zouden worden en dat daarbij geen eindtermijn is vastgesteld. Als Hirsi Ali erin slaagt te bewijzen dat deze afspraken inderdaad zijn gemaakt, heeft zij een goede grond om de bekostiging door Nederland van haar beveiliging in binnen- en buitenland af te dwingen, ook als zij besluit in de VS te blijven wonen en werken. Bovendien zou dan zijn aangetoond dat de Tweede Kamer op het moment dat zij de motie van Halsema verwierp niet over alle relevante en zelfs over verkeerde gegevens beschikte.
Dat laatste kan, behalve de betrokken minister, ook de Kamer zelf verweten worden. Voorafgaand aan het spoeddebat maakte de advocate van Hirsi Ali, Britta Böhler, een aantal documenten openbaar. Het ging om twee aan de EBB gerichte verslagen van gesprekken die in 2006 tussen haar cliënte en vertegenwoordigers van de NCTb en de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) zijn gevoerd en om twee brieven: een van Hirsch Ballin aan Hirsi Ali en het antwoord daarop van Böhler. De stukken werden aan alle justitiewoordvoerders van de Tweede-Kamerfracties gestuurd. Deze actie van Böhler schoot minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin in het verkeerde keelgat. Bij aanvang van het spoeddebat beweerde hij dan ook dat de gespreksverslagen van de DKDB en de NCTb buiten het openbare debat moesten worden gehouden, omdat de inhoud ervan zich niet leende voor bredere verspreiding. De Kamer ging daar verbazingwekkend snel mee akkoord.
Er was onder de Kamerleden een gedeeld gevoel van ergernis over de handelwijze van Böhler. CDA-Kamerlid Sybrand van Haersma Buma stelde dat Böhlers actie hem het ‘onaangename gevoel’ gaf dat de Kamer werd ‘ingezet als deel van de onderhandelingen’: ‘En dat wil ik niet. Daarbij gaat het om stukken die gedeeltelijk het systeem van bewaken en beveiligen tot in detail beschrijven. Ik vind dat gevaarlijk en het is een schande dat een advocaat zoiets doet. Overweegt de minister eventueel strafrechtelijk op te treden? Is wellicht sprake van overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (opzettelijke schending van het ambtsgeheim – AK)?’ De VVD-fractie was ‘verbijsterd’ over de verspreiding van de gespreksverslagen, aldus Laetitia Griffith, die Böhler ervan beschuldigde dat zij het leven van haar cliënte in gevaar bracht, ook al had Hirsi Ali ingestemd met de handelwijze van haar advocaat. PVV-fractievoorzitter Geert Wilders betichtte Halsema’s fractie van een één-tweetje en partijpolitiek, omdat Böhler senator is voor GroenLinks. Zelfs van iemand die zelf bedreigd wordt en afhankelijk is van beveiliging, kreeg Hirsi Ali geen spatje solidariteit.
Zo verontwaardigd waren de voormalige collega’s en partijgenoten van Hirsi Ali dat zij het niet eens meer van belang vonden om de door Böhler verstrekte informatie eens goed te bestuderen. Aan wat er in de stukken staat is zowel in de media als tijdens het spoeddebat dan ook nauwelijks aandacht besteed. Dat had wel moeten gebeuren, want de stukken geven een goed inzicht in de wijze waarop Hirsi Ali door de overheid is bejegend in de maanden na het overleg met de NCTb op 8 juni 2006 waarover Van den Berg onder ede een verklaring aflegde.

Het gesprek van 30 augustus 2006
In mei 2006 meldt minister Rita Verdonk van Integratie dat Hirsi Ali de Nederlandse nationaliteit waarschijnlijk ten onrechte bezit. Prompt geeft Hirsi Ali haar Kamerlidmaatschap op. Zij kondigt aan dat zij naar de VS zal verhuizen om voor het American Enterprise Institute te gaan werken. Over haar veiligheid in het buitenland voert zij op 8 juni een gesprek met de NCTb. Diezelfde maand wordt bekend dat Hirsi Ali haar Nederlands paspoort mag behouden. Toch trekt D66 in juli de steun voor de coalitie in, omdat ze Verdonk niet wil laten vallen in verband met de kwestie-Hirsi Ali. Het kabinet-Balkenende II valt en gaat verder als rompkabinet-Balkenende III.
Op 30 augustus, een paar dagen voor haar verhuizing naar de VS, spreekt Hirsi Ali met de NCTb en de DKDB over de wijze waarop de beveiliging in Amerika verder geregeld zal
worden.
Het verslag van dat gesprek van 30 augustus dateert van 5 september 2006. Het is afkomstig van de Eenheid Bewaking en Beveiliging (EBB), die onder het gezag van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie valt. Het memo, dat vol met spel- en schrijffouten staat, is gericht aan de bij de NCTb ondergebrachte Coördinator Bewaking en Beveiliging (CBB).
Het gesprek vindt plaats in het gebouw van de DKDB aan de Noordwal in Den Haag. Behalve Hirsi Ali zijn de Unitchef en de Teamleider Diplomatieke Beveiliging (beiden van de DKDB) en de coördinerend senior adviseur van de EBB aanwezig. Volgens het verslag heeft het gesprek tot doel om Hirsi Ali in kennis te stellen van de nieuwe situatie die zal intreden op het gebied van haar persoonsbeveiliging. Deze nieuwe situatie is door de Evaluatiedriehoek (bestaande uit de NCTb, de CBB, de directeur-generaal Rechtshandhaving van het ministerie van Justitie en de directeur-generaal Veiligheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) vastgesteld en vervolgens besproken met en goedgekeurd door de toenmalige minister van Justitie Donner.
Het nieuwe beveiligingsregime houdt in dat Hirsi Ali geen persoonsbeveiliging maar persoonsbegeleiding krijgt. Dit betekent dat zij zelf een grotere verantwoordelijkheid voor haar veiligheid draagt en dat de beveiligers in sommige gevallen niet meer dicht bij haar zijn, maar zich op vijftig tot honderd meter afstand van haar bevinden. Bepaald is dat Hirsi Ali in de VS haar eigen vervoer moet regelen. Over reizen buiten de VS wordt afgesproken dat per geval beoordeeld wordt welke vorm van persoonsbeveiliging de meest geëigende is. Voor een reis naar ‘Oslo, Zweden’, zoals de slordige dan wel onverschillige rapporteur noteert (het moet natuurlijk Oslo, Noorwegen zijn) zou bijvoorbeeld volstaan kunnen worden met persoonsbegeleiding, terwijl een reis naar Brussel valt onder de normen van persoonsbeveiliging zoals die in Nederland plaatsvond. Voor toekomstige bezoeken aan ons land zal er voor persoonsbeveiliging worden gekozen.
Hirsi Ali maakt op de aanwezigen een ontspannen indruk en lijkt volgens de rapporteur te begrijpen wat haar wordt voorgelegd. Ze vertelt dat ze zich in haar nieuwe appartement in Washington niet helemaal veilig voelt en vraagt naar de alarminstallatie, de videofooninstallatie bij de toegangsdeur en de beveiliging van die deur die de NCTb en de CBB haar eerder namens de Nederlandse overheid toegezegd hebben. De rapporteur kan haar daarover geen opheldering geven. Hij is niet op de hoogte van die afspraken en laat weten dat hij de toezeggingen moet verifiëren.
Van een eventuele eindigheid van het beveiligingsregime wordt niet gesproken. De persoonsbegeleiding lijkt in geen enkel opzicht bedoeld te zijn als een overgang naar een situatie zonder persoonsbegeleiding of persoonsbeveiliging. Dit alles maakt de verklaring van Iris van den Berg voor de Haagse rechtbank over het gesprek van 8 juni 2006 bijzonder aannemelijk. Op basis van het gesprek van 30 augustus kon Hirsi Ali in redelijkheid aannemen dat zij verzekerd was van de continuïteit van haar beveiliging door de Nederlandse overheid. Voor het gesprek dat daarna op 27 september 2006 plaatsvindt, geldt hetzelfde.

Het gesprek van 27 september 2006
Op 21 september 2006 moeten minister van Justitie Donner en minister van VROM Sybilla Dekker van het rompkabinet-Balkenende III aftreden in verband met de conclusies van het eindrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de Schipholbrand. Hirsi Ali woont dan inmiddels zo’n drie weken in de VS en keert naar Nederland terug voor een bespreking met de NCTb en de DKDB.
In het gesprek van 27 september komt opnieuw de beveiliging van het appartement in Washington ter sprake. Inmiddels heeft de rapporteur daar navraag over gedaan. Hij vertelt Hirsi Ali dat de overheid eenmalig voor de genoemde voorzieningen en het hang- en sluitwerk van haar deur zorgdraagt, maar dat de kosten voor de abonnementen en het onderhoud voor haar eigen rekening zijn. Mocht zij uit of binnen Washington verhuizen, dan wil Nederland niet betalen voor de videofoon en de sloten in haar nieuwe appartement. Hirsi Ali neemt daar geen genoegen mee. Uit het verslag wordt duidelijk dat het gesprek van 30 augustus er niet toe heeft geleid dat de voorzieningen in haar appartement zijn aangebracht. Ze heeft het al die weken zonder moeten stellen.
Ook met de persoonsbegeleiding in de VS is het niet altijd goed verlopen. Hirsi Ali vertelt dat ze zich vaak onveilig heeft gevoeld in taxi’s met Somalische chauffeurs, waarvan er één haar merkbaar herkende. Tijdens een symposium waren de beveiligers eerder vanuit New York naar Washington gevlogen en moest Hirsi Ali met een vriendin per trein naar Washington reizen. De rapporteur verzekert haar dat er in de VS geen dreigingen in haar richting zijn gesignaleerd die om opschaling van de beveiliging vragen. Maar dat is het punt niet. De persoonsbegeleidingsopdracht is niet altijd goed uitgevoerd. Bovendien heeft Hirsi Ali van de FBI begrepen dat er nog geen dreigingsanalyse voor haar persoon is gemaakt.
In het vervolg van het gesprek biedt de rapporteur Hirsi Ali aan om over ‘de individuele situatie rondom haar persoon’ een vertrouwelijk gesprek te hebben met een hoogleraar die verbonden is aan het Academisch Medisch Centrum. Het gaat om psychiater Berthold Gersons, die gespecialiseerd is in posttraumatische stress. Op het moment dat dit aanbod wordt gedaan, werkt Gersons in opdracht van de NCTb aan een onderzoek over de invloed van bedreiging en beveiliging op de psychosociale toestand van politici. In oktober 2008 wordt zijn rapportage daarvan, Psychosociale effecten van dreiging en beveiliging, gepubliceerd. Uit de verslagen is niet op te maken dat Gersons’ relatie tot de NCTb met Hirsi Ali besproken is. Dat is vreemd. Een gesprek met een psychiater komt in een ander licht te staan als je weet dat die psychiater tegelijkertijd onderzoek verricht naar door de staat beveiligde personen in opdracht van en samenwerking met de organisatie waarvan jij afhankelijk bent voor die beveiliging.
Met Gersons heeft Hirsi Ali niet gesproken. ‘Indien zij emotioneel in een zodanige gemoedstoestand zou komen welke zou vragen om counseling, dat zij dan met een goede vriendin hierover zou praten’, schrijft de rapporteur onhandig op. Ondertussen is het wrang om, terwijl de beveiliging van haar appartement in Washington nog niet geregeld is, Hirsi Ali wel een gesprek met een psychiater aan te bieden.
Hirsi Ali vertelt dat zij uit goed ingelichte bronnen heeft vernomen dat minister Donner voor zijn aftreden heeft aangegeven dat de Nederlandse overheidsmaatregelen wat betreft haar beveiliging zich tot het einde van 2006, uiterlijk februari 2007 zouden uitstrekken en dat deze daarna zouden worden beëindigd. Het antwoord van de rapporteur is geruststellend: ‘Aan mevr. Hirsi Ali heb ik, rapporteur [naam] medegedeeld, dat ik van een dergelijk bericht niet heb gehoord en dat de gegeven persoonsbegeleidingsopdracht aan de DKDB zich op dit moment uitstrekte tot nader order.’ In de samenvatting van de relevant geachte gespreksuitkomsten schrijft de rapporteur: ‘de opdracht persoonsbegeleiding blijft gehandhaafd’.

De brief van minister Hirsch Ballin
aan Hirsi Ali
Op 5 januari 2007 ontvangt Hirsi Ali een brief die is ondertekend door minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin, de opvolger van Donner. In de brief, die afkomstig is van de EBB en de NCTb wordt gesproken over een persoonlijk gesprek dat tussen de minister en Hirsi Ali zou hebben plaatsgevonden op 27 oktober 2006, precies een maand na het gesprek waarin werd vastgesteld dat de opdracht persoonsbegeleiding gehandhaafd bleef. Een reden waarom het zo lang geduurd heeft tot de brief is geschreven (15 december) en bezorgd (5 januari) wordt niet gegeven.
In de brief laat Hirsch Ballin aan Hirsi Ali weten dat zij zowel in Nederland als in de VS verantwoordelijk is voor haar eigen veiligheid. Hij spreekt over een overgangsmaatregel waartoe zijn ambtsvoorganger Donner heeft besloten na Hirsi Ali’s beslissing om naar de VS te verhuizen. In verband met het overgangsproces wordt de persoonsbeveiliging door de DKDB op korte termijn beëindigd. De beveiliging, schrijft de minister, wordt zoals afgesproken overgenomen door een Amerikaanse particuliere beveiligingsorganisatie en de EBB is belast met het aanvragen van de offertes daarvoor en zal Hirsi Ali informeren over de definitieve keuze. Vanaf juli 2007 moet zij zelf haar beveiliging bekostigen.
Een aantal zaken valt op aan het schrijven van de minister. Zo spreekt hij over een overgangsperiode. In het verslag van het gesprek van 30 augustus wordt inderdaad gesproken over een nieuwe situatie. Daarmee wordt de overgang van persoonsbeveiliging naar persoonsbegeleiding bedoeld, niet de overgang van beveiliging naar geen beveiliging. Zowel in het gesprek van 30 augustus als in het gesprek van 27 september is nooit aan Hirsi Ali verteld dat zij zich in een ‘overgangsproces’ bevond dat zou leiden tot een situatie zonder beveiliging door de overheid.
De brief van Hirsch Ballin is slim opgesteld. Zo heeft hij het over de overname van de beveiliging door een Amerikaanse particuliere beveiligingsorganisatie ‘zoals afgesproken’. Dat is precies waar Hirsi Ali’s zaakwaarnemer Peter Voortman (ook aanwezig bij het gesprek van 27 september) op aandrong, nadat Hirsi Ali haar Kamerlidmaatschap in mei 2006 had neergelegd. Voortman voerde daarover correspondentie met A. Jonge Vos, de Coördinator Bewaking en Beveiliging (CBB) van de NCTb. Die liet toen weten dat van bekostiging van de beveiliging in de VS geen sprake kon zijn. Hirsch Ballin bouwt daarop voort.
De vraag is waarom de vertegenwoordiger van de DKDB tijdens de gesprekken in augustus en september 2006 nooit aan de orde heeft gesteld dat het wat de overheid betrof om een tijdelijke situatie ging. Ook is toen niet gesproken over een op handen zijnde overdracht op termijn aan Amerikaanse beveiligers. Een andere vraag is waarom de overheid, als die alleen van plan was om de rekening van Amerikaanse beveiligers tot 1 juli 2007 te betalen, offertes daarvoor in de VS aanvraagt. Sterker nog, de minister schrijft dat de DKDB ook bepaalt welke offerte wordt gekozen. Maar als Hirsi Ali ‘eventuele diensten van een particulier beveiligingsbedrijf’ per juli zelf moet betalen, is dat op z’n minst onhandig. Aannemelijker is het daarom dat met de overheid op 8 juni 2006 is overeengekomen dat er een overgang zou plaatsvinden van beveiliging door Nederlanders naar beveiliging door Amerikanen op kosten van Nederland. Hirsch Ballin heeft dit oorspronkelijke plan overgenomen in zijn brief, compleet met het verhaal over de offertes, met de toevoeging dat Hirsi Ali in juli zelf verantwoordelijk is en de kosten moet dragen. De toevoeging dat zij vanaf 1 juli ‘eventueel’ gebruik kan maken van particuliere beveiligingsdiensten is ronduit wreed. In de brief wordt zo gesuggereerd dat het voor Hirsi Ali een redelijke optie zou zijn om zich in het geheel niet te laten beveiligen.
Weer wordt Hirsi Ali geconfronteerd met voor haar nadelige ondoorzichtige besluiten en gebrekkige coördinatie en communicatie. Het merendeel van de Tweede Kamer heeft daar geen oog voor gehad. Men is blindelings afgegaan op de brief die Hirsch Ballin op 4 oktober 2007 aan de Kamer stuurde. Kennelijk voelde zij zich senang bij het formalisme dat de minister in zijn schrijven aan de dag legt.

De brief aan de Tweede Kamer over
het Nieuw stelsel bewaken en beveiligen
In zijn brief van 4 oktober 2007 gaat Hirsch Ballin in op het Stelsel bewaken en beveiligen uit 2003 dat mede naar aanleiding van de moord op Pim Fortuyn tot stand is gekomen. Uitgangspunt van dat stelsel is dat de verantwoordelijkheid voor de eigen veiligheid primair ligt bij de burger en de organisatie waar hij voor werkt. De rijksoverheid heeft wel een bijzondere verantwoordelijkheid voor functionarissen wier veiligheid en ongestoord functioneren in verband staan met het nationaal belang. Deze mensen worden op een limitatieve lijst geplaatst. Na evaluatie van het stelsel is het sinds 2005 mogelijk om tijdelijk personen aan die limitatieve lijst toe te voegen. Voor wie geen officiële functie voor de Nederlandse overheid vervult in het buitenland, draagt het kabinet noch in directe, noch in financiële zin verantwoordelijkheid.
Hirsch Ballin schrijft aan de Kamer dat de status van Hirsi Ali in mei 2006 veranderde met het neerleggen van haar functie als Tweede-Kamerlid, omdat zij toen geen officiële functie meer vervulde voor de Nederlandse staat. Zij behoorde niet meer tot de groep van functionarissen die permanent zijn opgenomen op de limitatieve lijst. Hier legt de minister een absurd legalisme aan de dag. Hirsi Ali is Kamerlid geweest en een deel van de noodzaak om haar te beveiligen komt voort uit werkzaamheden die zij als volksvertegenwoordiger heeft verricht. De minister hanteert een uitermate benepen definitie van nationaal belang. Het is van nationaal belang dat burgers zich verkiesbaar stellen in de wetenschap dat zij vrijelijk kunnen handelen en spreken, ook als zij besluiten na het Kamerlidmaatschap iets anders te gaan doen. Het nationaal belang is ook gediend als internationaal bekend is dat Nederland het hoog opneemt en verantwoordelijkheid draagt als zijn burgers worden bedreigd, of die zich nu in het buitenland bevinden of niet.
‘Gelet op de bijzondere situatie rond haar vertrek heeft mijn ambtsvoorganger besloten haar bij wege van overgangsmaatregel nog enige tijd van beveiliging te voorzien, opdat zij zich zou kunnen aanpassen aan de overgang uit het beveiligingsregime dat in Nederland ten tijde van haar lidmaatschap van de Tweede Kamer op haar van toepassing was’, schrijft de minister. Hirsch Ballin vertelt niet dat tijdens de gesprekken van Hirsi Ali met de NCTb en de DKDB niet gesproken is over een overgangsregeling en dat de directe vraag van Hirsi Ali of Donner van zins was om haar beveiliging te beëindigen toen ontkennend is beantwoord.
Voormalig minister van Justitie Donner is doelbewust afgeweken van het Stelsel bewaking en beveiliging. Donners intentie om dit tijdelijk te doen heeft óf nooit bestaan óf is niet goed gecommuniceerd aan de betrokkenen. Een factor die daarbij een rol heeft gespeeld, is dat het kabinet eind juni 2006 viel, nota bene over de kwestie-Ayaan Hirsi Ali. Dat is geen ideale omstandigheid geweest voor overdracht en afstemming van informatie. Op zijn beurt heeft ook Hirsch Ballin ervoor gekozen af te wijken van het stelsel waar hij in zijn brief aan de Kamer zo ferm mee schermt. Hij besloot tot tweemaal toe de bekostiging van de beveiliging te verlengen ‘in eerste aanleg van 1 juli 2007 tot 1 september 2007 en vervolgens tot 1 oktober 2007’ en moet dus hebben getwijfeld aan de door hem gekozen formalistische benadering.
Door Donners toezeggingen en beslissingen en door de falende communicatie is een gecompliceerde en onheldere situatie ontstaan dan wel bewust of onbewust gecreëerd. De prijs daarvoor wordt door Hirsi Ali betaald. Zij is de enige aan wie de rekening wordt gepresenteerd voor omstandigheden en beslissingen die niet aan haar te wijten zijn: gebrekkige communicatie, coördinatie, verslaglegging, sturing en overdracht en tekort aan inzicht en basale schrijfvaardigheden van de rapporteur.
Hirsi Ali is niet verantwoordelijk voor de ontstane situatie. Zij is ook niet verantwoordelijk voor de verwachtingen die zijn geschapen en de tegenstrijdigheden in het beleid naar haar toe. Dat zijn Donner en Hirsch Ballin en daarmee de overheid wél. Of er sprake is van kwade opzet, nalatigheid of een gebrek aan bestuurlijke en organisatorische competentie of wellicht een combinatie van deze, doet niet ter zake. Op basis van de gespreksverslagen kan worden vastgesteld dat Hirsi Ali steeds onvolledige en onjuiste informatie heeft gekregen en niet kon vertrouwen op dat wat vanuit de overheid aan haar werd gecommuniceerd. Zij kon er bovendien niet van uitgaan dat de coördinatie en overdracht van het met haar besprokene bij de NCTb en de minister in goede handen was. Zij was volledig afhankelijk van de NCTb en de DKDB voor haar beveiliging.
Door de wanprestaties, formalistische kortzichtigheid en bestuurlijke incompetentie van de betrokken staatsdienaren heeft de overheid zichzelf in een positie geplaatst die noopt tot het nemen van verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de Nederlandse staatsburger Hirsi Ali. Dat de overheid alleen maar heeft gehandeld met als doel om onder die verantwoordelijkheid uit te komen is in de woorden van Rushdie inderdaad pervers te noemen. Het is dan ook volkomen terecht dat Hirsi Ali een procedure tegen de staat voorbereidt om die verantwoordelijkheid af te dwingen. Volgende week, op 10 december, getuigen op haar verzoek Gerrit Zalm en Tjibbe Joustra voor de Haagse rechtbank.