De staatkundige knutseldoos van d66

Arme Hans van Mierlo. Van het politieke vuurwerk dat hij en zijn Democraten ‘66 ooit in Den Haag wilden aanrichten, resteert na dertig jaar niet meer dan een paar natte voetzoekers. De partij die het confessionele bolwerk in de Nederlandse politiek wilde slopen, is verworden tot een centrumpartijtje, compleet met een eigen middenveldje rond werkgeversvoorzitter Rinnooy Kan. Het D66-ideaal van progressieve machtsvorming heeft plaatsgemaakt voor machtsvorming zonder meer en een navenante politieke wendbaarheid. D66-kiezers moeten wel een heel goedgelovig volkje zijn, want zodra er wordt geregeerd, smelten de sociaal- economische voornemens, de milieudoelstellingen en de mensenrechtenparagrafen uit het D66-programma als sneeuw voor de zon.

D66 tracht zich in het paarse kabinet nog steeds te profileren met een staatkundige vernieuwingsdrift die wel moet stranden op een onwillige kamermeerderheid. Die onwil komt niet voort uit angst voor politieke verandering, maar uit afkeer van het hobbyisme dat eruit spreekt. Voor de Democraten is de democratie geen grote gedachte die per definitie gevangen zit in een onvolkomen lichaam, maar een knutseldoos voor ‘duidelijke verhoudingen’, 'grote lijnen’ en 'werkbare meerderheden’ - stuk voor stuk technocratische wensdromen die de toets der staatkundige zuiverheid niet kunnen doorstaan.
Neem een willekeurig voorbeeld uit de knutselhoek van D66: de stelling dat kabinetten moeten worden geformeerd door de 'winnaars’ van de verkiezingen. Na elke verkiezing poneert Van Mierlo deze stelling met een aplomb alsof hij de hoogste staatkundige wijsheid verkondigt. Maar partijen winnen of verliezen geen verkiezingen, partijen winnen of verliezen zetels. En ongeacht hoeveel zetels een partij of coalitie ook verliest, als die partij of coalitie genoeg zetels overhoudt om een meerderheidsregering te vormen, dan heeft zij daartoe het volste recht. Omgekeerd genieten de 'winnaars’ geen enkel staatkundig voorrecht boven de anderen. Of had iemand na de laatste verkiezingen soms een formatie verwacht onder leiding van Jet Nijpels, die met haar AOV van nul naar zes zetels sprong? Het voornaamste uitgangspunt dat bij een formatie in acht moet worden genomen - en dan ook steevast in de koninklijke opdracht wordt vermeld - is dat een regering over de steun van een zo groot mogelijke kamermeerderheid dient te beschikken. De grootste kamermeerderheid vertegenwoordigt nu eenmaal het grootste aantal kiezers. Gelukkig is het leven sterker dan de leer en leggen de Democraten zich in de praktijk wel bij dit democratisch beginsel neer. Hun geliefde paarse kabinet is nota bene geformeerd door een van de grote 'verliezers’ van de laatste verkiezingen, Wim Kok.
Talloze commissies, academici en ambtenaren hebben zich de afgelopen jaren beziggehouden met staatkundige vernieuwingsplannen - voornamelijk geinspireerd door D66 en een kleine groep PvdA'ers - zonder een kamermeerderheid van de wenselijkheid van enig plan te kunnen overtuigen. Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft aangetoond dat het voornaamste argument van de vernieuwers niet opgaat: het huidige kiesstelsel is niet fnuikend voor de politieke betrokkenheid van de burger. Die betrokkenheid ligt tegenwoordig zelfs boven het niveau van 1975. Zelfs de D66- kiezers hebben geen aanwijsbare voorkeur voor staatkundige veranderingen, zo bleek uit het rapport van de commissie-De Koning.
Het is de afnemende partijpolitieke betrokkenheid die de beroepspolitici een legitimiteitsprobleem bezorgt. VVD en CDA trachten het tij te keren met moralistische campagnes tegen 'consumentisme’ en 'calculerend individualisme’, terwijl de PvdA steeds vaker jaloerse blikken werpt op de hobbykist van D66. Met name ex-minister Ed. van Thijn beijverde zich jarenlang voor aanpassing van het kiesstelsel om 'politieke versnippering’ te voorkomen. Toen hij anderhalf jaar geleden, na de voor de PvdA desastreus verlopen gemeenteraadsverkiezingen, de discussie over het kiesstelsel voor de zoveelste maal wilde heropenen, diende GPV-fractieleider Schutte hem onberispelijk van repliek: 'Niet het beleid van zijn partij, niet het beleid van de coalitie, maar het kiesstelsel moet het ontgelden. Waarom de boodschapper onthoofden als de boodschap niet bevalt? Waarom het kiesstelsel als zondebok aanwijzen als het beleid wordt afgewezen?’
Juist door de electorale radeloosheid van de PvdA is er nu een window of opportunity voor D66 te ontstaan. Het pakket staatkundige wetswijzigingen dat het paarse kabinet binnenkort aan de Kamer zal voorleggen, bevat na lang aandringen van Van Mierlo toch weer een voorstel voor een soort districtenstelsel. In dit zogenaamde 'gemengde kiesstelsel’ zou de ene helft van de kamerleden voortaan nationaal worden gekozen, de andere helft per district, waarvoor Nederland in vijf districten zou worden verdeeld. Het is van een halfslachtigheid waarvoor zelfs D66 zich zou moeten schamen.
Om te beginnen is de leidende gedachte achterhaald. In de hoge middeleeuwen was regionale machtsvorming onvermijdelijk en functioneel, maar in een wereld die in alle opzichten kleiner wordt en tegelijk met steeds grootschaliger problemen kampt, is politiek regionalisme uit den boze. Bovendien beperkt een districtenstelsel de politieke wilsvorming. In de Verenigde Staten, Japan, Frankrijk of Groot- Brittannie wordt de arena gedomineerd door twee grote partijen of formaties, die in hun ijver om het politieke midden voor zich te winnen bijna onderling uitwisselbaar zijn geworden. Alternatieve opvattingen worden niet gehoord omdat de voorstanders electoraal kansloos zijn.
Maar de leidende gedachte wordt in het voorstel niet eens doorgezet. De voorgestelde vijf districten zijn zo groot dat geen enkele kiezer zich ermee kan identificeren, terwijl de regionaal gekozenen al gauw als tweederangs kamerleden zullen worden beschouwd. In de veilige wetenschap dat een grote meerderheid van de Kamer al bij voorbaat niets voor dit voorstel voelt, kunnen we ons nu al verheugen op het debat tussen Van Mierlo en Schutte.