Essay: De nieuwe politieke arena

De stad als branieschopper

De rijksoverheid is de door haarzelf opgebouwde verzorgingsstaat in snel tempo aan het afbreken. De burger moet zijn heil elders zoeken. Dit leidt tot nieuwe, veelal stedelijke do it ourselves-verbintenissen.

Medium essay

Eind 2012 bezocht hij bij wijze van preview Nederland en een dezer weken verschijnt in de Verenigde Staten zijn nieuwe boek: If Mayors Ruled the World. De auteur, Benjamin R. Barber, is een Amerikaanse politicoloog die ooit president Clinton adviseerde en die midden jaren negentig internationaal doorbrak met de bestseller Jihad vs. McWorld. Daarin analyseert hij de confrontatie tussen de uniformerende cultuur van de globalisering versus lokaal georiënteerde religieuze, culturele en etnische identiteiten. De ongekende kracht van het economisch liberalisme zal leiden, zo voorspelde hij, tot bijna heilige vormen van verzet, vandaar de term ‘jihad’. Een stammenoorlog tegen het internationale grootkapitaal, met de democratie als grote verliezer, want beide ‘kampen’ hebben daar in hun verbetenheid geen boodschap aan.

Het waren grote woorden, maar zo’n vijftien jaar later kan geconstateerd worden dat ze bepaald niet uit de duim waren gezogen. Opkomend terrorisme, internationalisering van grote ondernemingen en banken, maar ook een steeds opdringeriger nationalisme en populisme in onze ‘oude’ wereld – dat alles paste naadloos in de analyse van Barber. Veel gebezigde populismeverklaringen, waarin sprake is van ‘winnaars’ en ‘verliezers’ van de globalisering, zijn schatplichtig aan Barbers leerstellingen.

Toonde Barber zich in Jihad vs. McWorld nogal pessimistisch, in zijn nieuwe boek lijkt het alsof hij een uitweg heeft gevonden. De nationale staat, zo betoogt Barber, is aan het einde van zijn Latijn en niet meer het geijkte instrument om grote problemen op te lossen. Staten voorzien zichzelf voortdurend van een brevet van onvermogen, waarbij Barber gretig verhaalt over de grote VN-milieuconferenties waar landen bijeenkomen om met elkaar te constateren dat global warming een groot probleem is, om daarna vast te stellen dat ze onmachtig zijn om er serieus iets aan te doen.

De natiestaat was het perfecte recept om in de negentiende eeuw relatief onafhankelijke nationale sociaal-economische systemen te ontwikkelen. Maar in een wereld waarin alles met elkaar verweven is, verliest de natiestaat haar betekenis en keren we terug naar het niveau waar mensen hun levens en hun bestaansvoorwaarden organiseren, en dat zijn de steden of, wat abstracter, stedelijke agglomeraties, waar wereldwijd al meer dan de helft van de bevolking en in de westerse wereld al meer dan tachtig procent van de mensen hun dagelijkse bestaan vindt.

Die verplaatsing is al gaande. Barbers boek draagt als ondertitel: Why Cities Can and Should Govern Globally and How They Already Do. Waar nationale staten voornamelijk tot papieren beleid komen en met bureaucratische instrumenten proberen hun greep te handhaven, nemen steden steeds concretere initiatieven om problemen met betrekking tot veiligheid, milieu, werkgelegenheid en volksgezondheid aan te pakken. De Londense burgemeester Boris Johnson en vooral zijn New Yorkse collega Bloomberg figureren in Barbers betoog als krachtige boegbeelden. Zij zijn losgekomen van klassieke politieke stromingen, tonen hartstocht voor hun stad, lanceren creatieve en krachtdadige oplossingen, zetten hun eigen koers uit en verkondigen luidkeels dat ze lak hebben aan hun nationale overheid. Zo laat Bloomberg zich op het terrein van veiligheid en politie-inzet niets gelegen liggen aan Washington en is hij in de strijd tegen obesitas een vendetta begonnen tegen grote bekers cola en andere suikerhoudende frisdranken. Onlangs joeg hij de New Yorkse horeca in de gordijnen door een verbod aan te kondigen van alle plastic materialen waar dranken en maaltijden in verpakt worden, omdat de stad deze enorme berg vervuiling simpelweg niet meer kan verwerken. Barber ziet dit type plaatselijke leiders overal opkomen. Hij ziet in de toekomst zelfs een wereldparlement van burgemeesters ontstaan.

Voor zo ongeveer het laatste land ter wereld waarin burgemeesters niet rechtstreeks worden gekozen maar worden benoemd door de kroon klinkt Barbers analyse wat branieachtig in de oren. Maar wie nuchter naar de Nederlandse ontwikkelingen kijkt, ziet tendensen die Barbers analyse minder ongeloofwaardig maken. Zo prijkten burgemeesters van de vijf grote Brabantse steden, samen met ‘hun’ commissaris van de koningin, begin januari nog strijdvaardig in de Volkskrant met krachtige taal richting Den Haag. Of men daar wilde ophouden met hun geneuzel en bestuurlijke blauwdrukken. Laat ons, aldus hun boodschap, wij kunnen het zelf.

Natuurlijk, we weten al jaren dat de macht van de nationale overheid weglekt naar Europa en het internationale bedrijfsleven, maar omdat we dagelijks ministers en Kamerleden over het Binnenhof zien rennen met mededelingen dat ze zich daar met man en macht tegen verzetten en we ze een hoofdrol zien spelen in zo ongeveer elk journaal kunnen we moeilijk aan het beeld ontsnappen dat alles nog steeds om Den Haag vandaag draait.

De werkelijkheid is echter anders. Misschien mag ik hier mijn eigen ervaring laten spreken. Tussen 1999 en 2007 heb ik als Eerste-Kamerlid voor GroenLinks acht jaar lang de wetgevende arbeid van zo’n vijf kabinetten langs zien komen. Politiek waren het roerige tijden, met de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, het gedonder met de lpf, het gedoe met Rita Verdonk, de opkomst van Geert Wilders. Maar wat gebeurde er nu echt? Hoe zetten die kabinetten Nederland naar hun hand?

Op de keper beschouwd weken deze kabinetten niet fundamenteel af van de grondslag waarmee de paarse kabinetten in de jaren negentig begonnen waren Nederland te hervormen. Paars was de praktisch-politieke echo van de maakbaarheidsdiscussie die een decennium eerder de politiek-bestuurlijke elite van het land in een andere modus vivendi had gebracht. Het idee dat de samenleving vanuit een Haagse cockpit bestuurd kon worden werd van links tot rechts als achterhaald beschouwd en daarmee kwam de deur open te staan voor een heel andere wijze van sturing. Uitvoeringsmacht werd overgeheveld naar marktpartijen, verzelfstandigde overheidsdiensten of lagere overheden die vanaf dat moment dan ook kameraadschappelijk als ‘andere overheden’ werden aangesproken. De politiek mat zich vooral een procedureel-toetsende rol aan: ze hield zich steeds minder bezig met de uitvoering van voorgenomen beleid, het ging haar om de prestaties. Het was de tijd dat pvda-leider en premier Wim Kok de ‘ideologische veren’ van zich afschudde.

Zo hebben we de geprivatiseerde spoorwegen op de rails gezet, is er in de gehele publieke sector een immense fusiegolf op gang gebracht, zijn woningcorporaties verzelfstandigd en allerhande toezichthouders in het leven geroepen. In de acht jaar dat ik mijn tanden in regeringswetgeving mocht zetten heb ik onder meer de decentralisatie van de bijstand (Wet werk en bijstand), de invoering van marktwerking in de zorg (Zorgverzekeringswet), de privatisering van de energiesector en de overheveling van de huishoudelijke zorg naar gemeenten (Wet maatschappelijke ondersteuning) langs zien komen. Het patroon was steeds hetzelfde: de maakmacht verhuisde van de nationale staat naar gemeentelijke overheden en naar steeds groter wordende uitvoeringsinstanties op het terrein van wonen, zorgen, onderwijs, openbaar vervoer en energie, die zich daardoor gedwongen zagen zich als bedrijven te gedragen, niet zelden met internationale ambities.

Voor de rijksoverheid restte de rol van met sancties dreigende controleur die opgejaagd door media en Tweede Kamer de samenleving een steeds fijner vertakkend verantwoordingsregime begon op te leggen, waardoor een bijna kafkaïaanse bureaucratie op de kaart is gezet met een leemlaag van controleurs, monitorende adviesbureaus, automatiseringsexperts, inspecteurs en onderzoekers die de publieke sector gijzelen in een web van regels, evaluaties, prestatiemonitors, afrekenprocedures en registratieverplichtingen die met elkaar steeds perversere vormen hebben aangenomen. Massief is de klaagzang van uitvoerende professionals en lokale ambtenaren over de bureaucratische ruis die over hun werk is neergedaald en die hen steeds verder disciplineert als productiemedewerkers en pionnen op de bestuurlijke borden van hun leidinggevenden.

En heeft het geholpen? Nou nee, wie het slagveld overziet, kan moeilijk anders constateren dan dat de nationale overheid haar greep op de dienstverlenende systemen op voor mensen cruciale levensterreinen als zorg, wonen, onderwijs en energie feitelijk is kwijtgeraakt. Natuurlijk probeert de rijksoverheid wanhopig te draaien aan de knoppen van de financiering van de zorg, maar eigenlijk houdt niemand daar nog het idee aan over dat de rijksoverheid de zorg in control heeft. In het onderwijs zijn hogescholen en universiteiten weggedreven uit de armen van het ministerie en een eigen leven gaan leiden op de markt van kennis en geld, compleet met vastgoedportefeuilles. Op de woningmarkt en in de vastgoedwereld zijn de meest vreemde dingen gebeurd, van bizarre beleggingen tot absurde derivatenavonturen. Het toezicht op de banken? Totaal gefaald. Toen de Haagse politiek zich een paar jaar geleden eindelijk druk ging maken om de topsalarissen stuitte ze op regelrechte minachting in de bestuurskamers van het land. Dat typeerde de nieuwe verhoudingen: de verschuiving van macht van een politieke elite naar een bestuurders­elite die vooral haar eigen gang ging en zich niet liet hinderen door enige vorm van publieke moraal.

De rol van de overheid verschoof daarmee van pitcher naar catcher, van voorvechter naar achterwacht. Het is het verschil tussen een staat die in 1965 de Algemene Bijstandswet invoerde en daarmee een revolutie veroorzaakte in levens van mensen en in de organisatie van de verzorgingsstaat, en de rijksoverheid die in 2003 de Wet werk en bijstand effectueerde, waarbij de verantwoordelijkheid (na een stevige bezuiniging) geheel naar de gemeente werd geschoven. Het is het verschil tussen een staat die met weidse Nota’s Ruimtelijke Ordening ons land naar zijn hand zette en de overheid die keer op keer moet toegeven dat de verrommeling van het landschap zich buiten haar invloedssfeer voltrekt. De gezaghebbende Nota’s, waarvan er vanaf 1965 vijf zijn verschenen, zijn een paar jaar geleden stilzwijgend afgeschaft. Geen haan die ernaar kraaide.

Grote aspiraties zijn opgegeven, de risico’s zijn ervoor in de plaats getreden. Want als het mis gaat blijft de nationale overheid de laatste verdedigingslinie. Kijk naar de bankencrisis, naar het derivatendebacle van Vestia, naar de fusiedrift van hogeschool InHolland, naar het picobello Zuidas-kantoor van onderwijsfabriek Amarantis – als de business out of control raakt wordt de rekening bij de rijksoverheid ingediend en gaat de onvermijdelijke sanering ten koste van mensen die van deze dienstverleners afhankelijk waren.

Achteraf gezien was de krachtwijkenaanpak onder aanvoering van pvda-minister Ella Vogelaar de laatste stuiptrekking van een nationale staat die de sociale kwaliteit van het land met inhoudelijke aspiraties naar z’n hand wilde zetten. Er werden daartoe veertig achterstandswijken geselecteerd die met een tien jaar durende inspanning van corporaties, gemeenten en rijksoverheid naar een hoger bestaansniveau getild zouden worden. Een mega-miljoenenoperatie waarvoor bij het startschot in de zomer van 2007 in achttien gemeenten ministers, wethouders en bestuurders van lokale instellingen met de nodige tamtam gezamenlijk hun handtekening onder ambitieuze wijkactieplannen zetten. Weliswaar kwam het merendeel van de vele honderden miljoenen uit de kassen van corporaties en gemeenten, maar de regie, de spirit, het enthousiasme, kortom de aspiraties kwamen van het rijk bij monde van reizend krachtwijkenambassadeur Vogelaar.

We zijn nu ruim vijf jaar later, Vogelaar is roemloos afgevoerd en over de wijkaanpak hoor je niemand meer in Den Haag. Bij de eerste de beste economische tegenwind bleken al die ministeriële handtekeningen niets waard, bij de eerstvolgende kabinetsformatie werd het dossier als een achterhaald pvda-speeltje in de onderste politieke la gemoffeld. Het ministerie dat de motor van de nationale wijkenaanpak vormde, werd van de kaart geveegd, en er was niemand die vraagtekens plaatste bij het feit dat hier met een politieke pennenstreek een eeuw succesvolle volkshuisvestingspolitiek bij het grofvuil werd gezet.

Weer een kabinet later figureert er een minister die beweert dat woningcorporaties zich helemaal niet met zulke bijkomstige zaken als de wijkaanpak bezig moeten houden, maar zich moeten beperken tot het verhuren van huizen aan mensen met een krappe beurs. Punt. Om ter lediging van ’s lands financiële tekorten vervolgens wel bijna twee miljard euro te pinnen bij dezelfde corporaties. En de pvda, historisch de partij die op het nationale niveau de meeste aspiraties tentoonspreidde, kijkt toe en zwijgt. De Haagse politiek heeft zich verengd tot schermutselingen over koopkrachtpuntenwolkjes, stapeling van inkomenseffecten, rechten van dieren en irritatie over Europa. De maatschappelijke waarde lijkt vanuit het perspectief van de kijker vooral ingeruild voor amusementswaarde.

Het zijn tendensen, zo betoogt Barber, die in verschillende staten in verschillende varianten optreden, maar de trend is overal hetzelfde; het visionaire vloeit weg, de legitimatie brokkelt af, het vertrouwen van burgers in de nationale staat slinkt. In feite is elk westers land inmiddels zwanger van Italiaanse toestanden. Verreweg de meeste burgers hebben geen idee meer waar de rijksoverheid eigenlijk voor staat, behalve voor gekissebis, bureaucratische rompslomp, blauwe enveloppen en impopulaire maatregelen. Er is geen opbouwend beeld meer aan verbonden, het is een perspectiefloos beheersinstituut geworden, een noodzakelijk kwaad. Wie mensen spreekt die dagelijks met publieke taken in de samenleving in de weer zijn, hoort overal dezelfde mantra: de rijksoverheid staat in de weg, we hebben er last, de staat moet loslaten.

Het oplossend vermogen voor maatschappelijke problemen moet dus ergens anders zijn bronnen vinden. Dat is de boodschap van Benjamin R. Barber. De grenzeloosheid van de netwerksamenleving maakt, aangedreven door de organiserende kracht van de informatietechnologie, verbindingen en uitwisselingen mogelijk waarvoor geen overheid meer hoeft te bemiddelen. In die dynamiek is de nationale overheid een log instrument geworden, met beleidsinstrumenten die in de virulentie van de moderne tijd traag en bot zijn. Waarom eindeloos met landenvertegenwoordigers vergaderen als je morgen via de sociale media kunt beginnen met het mobiliseren van mensen en middelen?

Maar in al die dynamiek worden we niet footloose, integendeel. Ergens moet die enorme beweeglijkheid weer vaste voeten aan de grond krijgen, onvermijdelijk komen er op plaatsen mensen in het geweer die actie ondernemen, nieuwe diensten van de grond tillen, verbindingen maken, zich zorgen maken, zich verantwoordelijk voelen. Die samenscholingen, verbindingen en verbintenissen richten zich niet langer op het niveau van de nationale staat, zoals de arbeidersbeweging dat in de twintigste eeuw buitengewoon succesvol deed, maar nestelen zich in de steden. Steden vormen de habitat van de creatieve klasse, wier aanwezigheid, zoals de Amerikaanse econoom Richard Florida in The Rise of the Creative Class liet zien, cruciaal is voor de economische vitaliteit van steden. Maar ook voor de vindingrijkheid, de nieuwe ondernemingen, de duurzame oplossingen, het culturele klimaat. Occupy was een beweging van ontevredenen die om daadwerkelijk land onder hun voeten te krijgen de pleinen, de harten van grote steden, heroverden en tot eigen grondgebied verklaarden. De Arabische lente was een revolutie van en in steden die de staten uiteindelijk deed wankelen en dat nog steeds doet.

Er is onmiskenbaar sprake van wat bij gebrek aan een betere aanduiding lokalisering genoemd kan worden. Zelfs in het ordentelijke Nederland met zijn ongenaakbare Huis van Thorbecke zijn de tekenen daarvan zichtbaar. Er is een hausse van initiatieven aan het ontstaan waarin burgers in lokale settings het heft in eigen handen nemen. De Groene Amsterdammer besteedde vorig jaar een themanummer aan do it ourselves, de nieuwe beweging waarin burgers op tal van wezenlijke terreinen initiatieven nemen en de afhankelijkheid van bureaucratische en grootschalige dienstverleners omzetten in een vorm van eigenaarschap van burgers.

Dagelijks ontstaat er wel ergens in het land een initiatief van burgers om met elkaar greep te krijgen op het gebruik van energie. Dat kan variëren van het gezamenlijk inkopen van energie, het collectief aanschaffen van zonnepanelen tot het massaal nemen van een aandeel in een windmolen. Er spoelt een golf van initiatieven door het land waarin burgers in wijken en buurten voorzieningen overnemen, publieke taken oppakken en sociale ondernemingen starten. Elke week begint een kring van tientallen zzp’ers ergens in het land een eigen broodfonds, een nieuwe onderlinge verzekering tegen arbeidsongeschiktheid die zelfstandigen verlost van de krankzinnig hoge premies die de grote verzekeringen hun opleggen, waardoor er honderdduizenden zzp’ers onverzekerd rondlopen.

De afgelopen drie jaar zijn er in Nederland meer coöperaties opgericht dan in de tien jaar daarvoor. Het wemelt van de burgerinitiatieven waarin mensen samen iets willen bereiken. Voor de financiering oriënteren ze zich al lang niet meer op rijkssubsidieregelingen of overheidsprogramma’s, maar mobiliseren ze geldbronnen via _crowd sourcing-_sites, sociale media en creatieve verbindingen met het lokale bedrijfsleven. Wat veel van deze _do it ourselves-_initiatieven verbindt is hun lokale karakter. De stad is hun speelveld, de wijk of buurt het sociale laboratorium. Het is de dynamiek van moderne netwerken die in steden mensen in beweging zet en met elkaar verbindt; het zijn buurtgenoten die de handen ineen slaan om met elkaar zaken aan te pakken, voorzieningen te beheren. Wijk­ondernemingen, burgerinitiatieven, trusts, eigen kracht, burgerkracht – er waait van onderop een nieuw soort wind door de Nederlandse verzorgingsstaat die door wijken, buurten en steden dwarrelt en daar de vertegenwoordigers van instituties en overheden prikkelt om uit hun oude verzorgingsdenken te treden, uit hun beleidsprogramma’s en ik-weet-wat-goed-voor-je-is-trajecten, waarin de instituties de burgers in de rol van consumenten dwongen.

Den Haag speelt daarin geen leidende rol, al zeker niet in inspirerende zin. Feitelijk dendert de rijksoverheid heftiger dan ooit door op de ingeslagen weg door de grootste decentralisatie-operatie uit onze vaderlandse geschiedenis op gang te brengen. Het is uitverkoop in Den Haag. 8,5 miljard euro wordt de komende jaren overgeheveld van het rijk naar de gemeentekassen. Daarmee kunnen gemeenten aan de knoppen gaan draaien van de jeugdzorg, van een groot deel van de awbz-zorg, van bijstands- en wajong-uitkeringen en van het speciaal onderwijs. Het is het zoveelste bewijs dat de macht daadwerkelijk verschuift van het nationale naar het lokale niveau, overigens niet omdat men in Den Haag niet meer in zichzelf gelooft, maar omdat de decentralisatie een methodiek is geworden om ’s lands financiën te ontlasten. Voordat gemeenten zeggenschap over de nieuwe gelden krijgen houdt het rijk wel twee miljard achter.

Met zo’n immense bezuiniging staat vast dat gemeenten hun nieuwe sociale taken niet op dezelfde manier kunnen organiseren als het rijk daarvoor deed. Dat is simpelweg onbetaalbaar, vooral omdat stijgende zorgkosten als gevolg van vergrijzing in de toekomst niet volledig gecompenseerd worden. De verzorgingsstaat zoals gemeenten die nu van het rijk ‘cadeau’ zullen krijgen is daarmee onmogelijk te handhaven. Het moet dus anders. De bureaucratie moet eruit, de omslachtigheid, de verantwoordingsgekte, de verkokering en verdubbeling, al die problemen die het rijk zelf heeft veroorzaakt en waarmee het zuchtend en steunend in de weer was, moeten eruit. Daar mogen wethouders, ambtenaren en plaatselijke bestuurders nu hun tanden in zetten.

En warempel, in Leeuwarden, Zaanstad, Eindhoven, Enschede, Arnhem, Nijmegen en in tal van andere steden staan er bestuurders en wethouders op die een idee hebben, die ambitie tonen, die de basis leggen voor nieuwe effectieve vormen van sociale interventie, die de bureaucratie een halt toe willen roepen, die organisaties met een visie om de tafel roepen, die de kiemen leggen van nieuwe vaak kleinschalige buurt- en wijkgerichte sociale arrangementen, waarin niet alleen professionals de dienst uitmaken, maar ook burgers en hun sociale netwerken een rol kunnen spelen. In de wijken zijn kleine laboratoria aan het ontstaan waarin de basis wordt gelegd voor andere institutionele arrangementen waarop een lokaal georiënteerde verzorgingsstaat kan worden gegrondvest. Geen twintig hulpverleners meer in een gezin, geen kippenren van verschillende professionals die elk hun eigen ding doen in een wijk, geen institutioneel gezever over tot waar nu iemand wel of niet verantwoordelijk is, maar gewoon samenwerking.

Het bruist in de steden, wat dat betreft worden de gemeenteraadsverkiezingen van volgend jaar de interessantste sinds tijden. Er ontstaat branie. De hoofdstedelijke pvda-afdeling opperde onlangs dat de stad maar zelf een hypotheekbank moest oprichten, nu de banken systematisch woningzoekenden in de steek laten. Lokale bestuurders, zoals in Arnhem en Eindhoven, hebben een veel effectievere aanpak gevonden van de krankjorumsalarissen van bestuurders in de publieke sector, simpel door te melden dat het gemeentebestuur met deze instellingen niet langer zaken doet. Een zorgbestuurder in Gelderland leverde prompt en mopperend een deel van haar salaris in.

Ze zijn eigenlijk nog maar net begonnen. En ze hebben nog een lange weg te gaan, want de erfgenamen van het oude verzorgingsstaatdenken, de bestuurders van de instituties, zullen zich niet zonder slag of stoot overgeven aan de nieuwe lokale politieke aspiraties. Zij zullen zich zoveel mogelijk onttrekken aan de tentakels van de stedelijke bestuurders, zij zullen moord en brand schreeuwen en voorspellen dat de sociale wereld vergaat, sterker, ze zullen hun oude Haagse trawanten te hulp roepen. Maar helpen zal het niet. Uiteindelijk zullen zij zich moeten verstaan met de centra waar de macht is neergedaald en de instituties hun dienstbaarheid aan burgers zullen moeten herontwerpen: de stedelijke arena.

Volgens Barber keert de politiek daarmee terug naar haar oorsprong, de polis, de agora, waar burgers met elkaar hun belangen wegen en hun keuzes maken. In een moderne digitale wereld is dat wellicht een wat al te romantische mijmering. Wat wel waar is, is dat er een arena ontstaat waar bestuurders en politici weer hun elan kunnen terugvinden, waar ze wenselijkheden nastreven en er concreet inhoud aan kunnen geven, waar ze ontsnappen aan het eindeloos vaststellen van beleid op almaar geduldiger wordend papier oftewel de machteloze beleidsfabriek waarin de nationale overheid zich heeft afgezonderd van de werkelijkheid.

De politiek kan daarmee weer thuiskomen.

En Den Haag? Ach, Den Haag… Vrees niet, dames en heren politici en rijksambtenaren. Vooralsnog kunnen we niet zonder belastingkantoren, koopkrachtplaatjes, huurtoeslag en Rijkswaterstaat. We hebben de kaasstolp nodig, u hoeft dus niet te wanhopen. Maar het zou u sieren als u iets van het besef tentoonspreidt dat u niet langer meer de motor van vernieuwing bent, dat u niet langer meer de voornaamste munitie levert om problemen in dit land de baas te worden. Dat gebeurt elders, dat gebeurt steeds vaker geheel buiten u om. Er is al een wereld gewonnen als u die lokale dynamiek, die lokale verscheidenheid niet langer in de weg staat, niet opzadelt met eindeloze verantwoordingsverplichtingen en controlesystemen en met allerlei regeltjes en verordeningen disciplineert, maar juist stimuleert, misschien wel toejuicht. Als bewijs van goede wil zou u onmiddellijk alle belemmeringen kunnen opruimen voor een door de bevolking rechtstreeks gekozen burgemeester. Want, weet u, alleen echt gekozen burgemeesters hebben toegang tot Barbers parliament of mayors waar ooit de problemen van de wereld echt worden aangepakt. En zeg nu zelf: voor een voormalig gidsland zou het wel heel lullig zijn als over pakweg twintig jaar onze burgervaders en -moeders schitteren door afwezigheid.


Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. Hij schreef meerdere boeken over de bureaucratisering van de publieke sector (Koning Burger, 2005, Ontregelen, 2008) en de wijze waarop we daaraan kunnen ontsnappen (Eropaf!, 2010, Burgerkracht, 2011, Loslaten, vertrouwen, verbinden, 2012). Zie josvdlans.nl of volg hem via @josvanderlans

Foto: Tristan Gregory / CAMERA PRESS / HH