Tentoonstelling

De stad als plattegrond

Tentoonstelling Getekend Londen

De eerste Londense kaart was een steekpenning. Halverwege de zestiende eeuw lieten Duitse wolhandelaren in Londen een vijftiendelige plattegrond van koper maken. Het was een geschenk voor Philips II, echtgenoot van Mary Tudor, in de hoop op meer handelsprivileges. Van de kaart zijn nog drie koperplaten over, waarvan er eentje te zien is op de tentoonstelling London: A Life in Maps in The British Library.

De honderd aanwezige kaarten vertellen niet alleen de geografische geschiedenis van de Britse hoofdstad, maar ook de biografische, in ieder geval van de laatste vijfhonderd jaar. Voorheen was Londen provinciaal genoeg om te vertrouwen op het gesproken woord. Wie de weg wilde weten, kon het vragen. Pas in 1623 werd dan ook de voorloper van de A to Z-_gids geboren, de _‘Guide for cuntry men by the helpe of wich plot they shall be able to know how farr it is to any street’. De praktisch ingestelde Londenaren pleegden alleen kaarten te maken als er een dringende aanleiding toe was, eentje die vaak te maken had met geld. Na de Grote Brand van 1666 kreeg de kunstenaar Wenceslas Hollar de opdracht om ‘An exact surveigh of the streets, lanes and churches contained within the Ruines of the City of London’ te maken. Deze plattegrond, waarop engelen de index vasthouden en vluchtende mensen te zien zijn, verscheen ook in een tentoongestelde Nederlandse krant.

Na de brand tekende architect Christopher Wren een nieuwbouwkaart, met brede lanen. Tevergeefs. De oude contouren bleven gehandhaafd, tot blijdschap van cartograaf Joshua Reynolds, die Wrens plannen met een ‘slight degree of disgust’ had aanschouwd. Hetzelfde patroon is zichtbaar aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, vertegenwoordigd door nazi-kaarten waarop aangegeven is welke stadsdelen nog moesten worden verwoest. In 1944 kwam de gevierde stedenbouwkundige Patrick Abercrombie met een Grand Design, dat zorgvuldig in een diepe lade zou worden opgeborgen.

Een van de mooiste stukken uit de collectie is de kaart die de Nederlandse tekenaar Jan Kip maakte vanaf het dak van Buckingham Palace, compleet met bomen, kerktorens en, warempel, een paar arme boeren aan de verkeerde kant van de stadsmuur.

Dat was iets nieuws: armoede op de tekentafel. Het East End werd pas voor het eerst serieus opgetekend in bestemmingsplannen voor de dokken. De arbeiderswijken leverden volop werk op voor de Victoriaanse cartografen, omdat politici en liefdadigheidsinstellingen wilden weten waar de joden woonden, welke kerkhoven konden worden veranderd in stadsparken en waar cholera-epidemieën begonnen. John Martin, bekend om zijn apocalyptische schilderijen, schetste een modern rioolsysteem.

In de loop van de negentiende eeuw beleefde de cartografie voorts een verregaande specialisatie. Zo kwam de fietsersbond met een kaart waarop onder meer werd aangegeven hoe steile beklimmingen konden worden vermeden, autoliefhebbers beleefden lol aan een mens-erger-je-niet-spel met de naam Motor Chase Across London en cricketliefhebbers in Noord-Londen wisten waar ze georganiseerd konden luieren dankzij de Handy Map of the Crouch End Cricket Fields. Hoe de machtsverhoudingen waren veranderd, bleek uit een aantekening van het kamerlid Reginald Brett bij een bestemmingsplan om de Mall, de koninklijke oprijlaan, te verbinden met Trafalgar Square. ‘We should have a row with the queen possibly, but I think it must be done.’

London: A Life in Maps. The British Library, tot en met 3 maart. Toegang gratis